woensdag 18 december 2013

GEEN BESTUURSRECHTELIJKE PROCESKOSTEN BIJ DE BURGERLIJKE RECHTER


De Hoge Raad heeft in uitspraak HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456 bepaald dat de burgerlijke rechter een eiser die vergoeding vordert van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar-of beroepsprocedure, in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter is slechts plaats indien het gaat om een aanspraak die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter, dan wel artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan heeft kunnen voorleggen. Dit betekent dat de Hoge Raad de ruimte die de burgerlijke rechter heeft om geschillen over bestuursrechtelijke proceskostenvergoedingen te behandelen, zeer beperkt opvat. De Hoge Raad formuleert dit als volgt:

“Art. 8:75 lid 1 Awb verklaart de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (...). De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar-of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Daarbij verdient opmerking dat de bestuursrechter op grond van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht “in bijzondere gevallen” een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die kosten kan toekennen, en dat daarvoor onder meer aanleiding kan bestaan indien het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd (...). Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art. 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen”.

Het oordeel van de Hoge Raad sluit daarmee aan bij de meer algemene regel dat voor de burgerlijke rechter als restrechter geen rol is weggelegd wanneer de bestuursrechter voldoende rechtsbescherming biedt. Zowel in de bestuurlijke voorprocedure als in (hoger) beroep, wordt in beginsel echter slechts een forfaitairevergoeding toegekend. Een vergoeding die bij lange na niet voldoende is om de werkelijke kosten te dekken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt in artikel 2 lid 3 weliswaar de mogelijkheid om in bijzondere gevallen van het forfaitaire regime af te wijken, maar daar wordt zo goed als nooit gebruik van gemaakt.

zaterdag 14 december 2013

EEN VOLGENDE STAP IN DE AFBRAAK VAN ONZE RECHTSTAAT?


Het op 27 november 2013 ingediende wetsvoorstel van Taverne (VVD) om wetten in formele zin uit te zonderen van de in artikel 94 van de Grondwet opgenomen rechterlijke toetsing raakt het fundament van de Nederlandse rechtsbescherming. Het is onze liberale volksvertegenwoordiger een doorn in het oog dat mensenrechten zomaar de bedoelingen van de Nederlandse wetgever kunnen ondergraven. Als voorbeelden worden genoemd de uitspraak waarbij artikel 7, sub c van het VN Vrouwenverdrag rechtstreekse werking werd toegekend in de SGP-zaak over de mogelijkheid van vrouwen om zich verkiesbaar te stellen. Ook wordt gerefereerd aan de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vinter, waarin artikel 3 EVRM zo wordt uitgelegd, dat een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op een vervroegde invrijheidsstelling in strijd is met het verdrag. Deze uitspraak zou ertoe kunnen leiden dat de rechter Nederland dwingt een invrijheidsstellingsprodedure in te voeren. Zeker zo belangrijk zijn de voor onze vrijheidslievende broeders o zo vervelende belemmeringen die het VN-Kinderrechtenverdrag en het EVRM aan ons vreemdelingenrecht opleggen.
Deze grondwetswijziging zal het waarschijnlijk niet halen. Maar daar gaat het hier niet om. Alleen al het feit dat een partij als de VVD met een dergelijk voorstel komt is verontrustend. Het is de zoveelste stap in de afbraak van de Nederlandse rechtsstaat. Bij de zogenaamde ZSM-afdoening van eenvoudige strafzaken op het politiebureau komt al geen advocaat of rechter meer te pas. Ook het snijden in de gefinancierde rechtsbijstand is een voorbeeld van het terugdringen van de rechtsbescherming. Alleen grote bedrijven en mensen met geld kunnen zich nog een rechtszaak veroorloven. Zo langzamerhand worden formele wetten immuun voor rechterlijke controle. De rechtsbescherming van individuele burgers tegenover de uitvoerende macht en de machtigen van de liberale markt staat al langere tijd onder druk. Onze democratie en rechtstaat wordt stilaan gereduceerd tot meerderheden van populistische partijvertegenwoordigers die hun eigen belangen en die van de vrije markt deelnemers voorop stellen.

maandag 9 december 2013

NORM VOOR FIJNSTOF TE HOOG


Uit een onderzoek, gepubliceerd in wetenschappelijk tijdschrift The Lancet blijkt dat de maximum limiet voor fijnstof die elke lidstaat van de Europese Unie in 2015 moet hebben ingevoerd, te hoog is. De langetermijneffecten van de concentraties fijnstof ver onder deze limiet zijn niet goed voor de gezondheid. In genoemd onderzoek werden de gegevens ingezameld van meer dan 360 duizend mensen die in verschillende concentraties fijnstof leefden. Zo kon er worden vastgesteld dat wanneer de concentratie fijnstof stijgt met vijf microgram per kubieke meter de kans zeven procent groter is eerder te overlijden.
De richtlijn van de Wereldgezondheidsorganisatie ligt op tien microgram per kubieke meterver. De Europese limiet voor PM2.5-deeltje is 25 microgram per kubieke meter. Het onderzoek toont aan dat fijnstof al vanaf een concentratie van 15 microgram per kubieke meter levensgevaarlijk is. De Europesenorm was derhalve al bij de invoering achterhaald en is wetenschappelijk niet onderbouwd.

maandag 18 november 2013

HOE VER MOET JE GAAN OM EEN ZORGVULDIGHEIDSGEBREK TE BEWIJZEN?


Zorgvuldig onderzoek behoort aan de basis te liggen van ieder overheidsbesluit. Berust een besluit niet op een zorgvuldig onderzoek dan is er al gauw sprake van strijd met het formele zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
Maar wat nu als uit het door het bestuursorgaan verrichte onderzoek niet onomstotelijk blijkt dat een besluit géén schadelijke gevolgen heeft voor bij het besluit betrokken (rechts)personen? Een denkbare benadering is: bij twijfel niet doen. Die redenering komt bijvoorbeeld voor in artikel 19g van de natuurbeschermingswet1998 als het gaat om zogenoemde ‘significante nadelige effecten’ die een activiteit op een natuurgebied kan hebben. Een consequentie die door het Europese recht dwingend wordt opgelegd (zie bijvoorbeeld: HvJ EG 7 september 2004, zaak nr. C-127/02 (Kokkelvisserij). In het Nederlandse bestuursrecht wordt echter voor een andere benadering gekozen. Zolang de schadelijke gevolgen van een activiteit niet zijn aangetoond, zijn ze toegestaan (zie bijvoorbeeld: ABRvS 10 juli 2013, ECLI: NL: RVS: 2013: 299 (Winterswijk).
Het gaat niet zover dat onomstotelijk bewezen moet worden dat er sprake is van schadelijke effecten. Het is genoeg als de schadelijke effecten van de activiteit voldoende aannemelijk worden gemaakt. Maar dat voldoende aannemelijk maken is nog niet zo makkelijk. Een en ander moet namelijk aan de hand van ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’ gebeuren.
Wanneer is er nu sprake van zo’n algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht? Uit bovengenoemde uitspraak van de Raad van State blijkt dat een enkel op eigen kosten opgesteld wetenschappelijke onderzoek niet voldoende is. Er moet sprake zijn van in de wetenschappelijke wereld ‘algemeen aanvaarde inzichten’. Dat wil zeggen een hele reeks onderzoeken waarop in de wetenschappelijke wereld geen noemenswaardige kritiek wordt geleverd. Dat is zelfs voor de meest kapitaalkrachtige appellant een brug te ver. Het verkrijgen van ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’ vereist een aanzienlijke investering in deskundige expertise. De kosten van een deskundige kunnen onder omstandigheden weliswaar voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 8:75 Awb). Maar als een dergelijke vergoeding al door de bestuursrechter wordt toegekend (wat maar zelden gebeurt), dan zal deze bij lange na niet kostendekkend zijn. Dat is voor iedere normale appellant een onoverkomelijke hindernis.
Dat bestuursorganen het uitblijven van schadelijke gevolgen van een besluit in de voorbereiding van de besluitvorming niet onomstotelijk hoeven aan te tonen, is één. Maar dat vervolgens op de appellant de plicht wordt gelegd om op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten het ongelijk van het bestuursorgaan aan te tonen, gaat veel te ver.

donderdag 3 oktober 2013

Wetsvoorstel ‘bevordering van mediation in het bestuursrecht’ (Kamertuk 33 727)


Er bestaan verschillende methoden van geschiloplossing. Een gerechtelijke procedure is wellicht de meest bekende, maar niet altijd de meest geschikte oplossing. Er zijn verschillende buitengerechtelijke procedures. Mediation is daar één van. Mediation is een vorm van geschiloplossing waarbij een derde, de mediator, partijen begeleidt om gezamenlijk tot een oplossing te komen voor hun onderlinge conflict. Het doel van mediation is om vanuit de belangen van partijen te komen tot een gezamenlijk gedragen en voor ieder van hen optimaal resultaat. Het voordeel van mediation boven andere vormen van geschiloplossing is dat partijen zelf overeenstemming bereiken en niet alleen het geschil (het symptoom) maar vaak ook het onderliggende conflict (oorzaak) oplossen. Partijen komen tot een echte oplossing en kunnen weer met elkaar verder. Mediation is daardoor als conflictoplossend instrument in het bijzonder geschikt voor alle conflicten tussen natuurlijke en rechtspersonen waarbij de oorzaak (mede) gevonden wordt in relationele dimensies. De persoonlijke betrokkenheid van partijen leidt vaak tot een bevredigende en duurzame oplossing van het geschil, waardoor een beroep op een rechter in veel gevallen niet meer nodig is. Mediation kan geschillen bij de rechtspraak weghouden die eigenlijk naar hun aard of oorzaak helemaal niet bij de rechter thuishoren.
In Europees verband beoogt richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 mei 2008 bepaalde aspecten van mediation in burgerlijke zaken en handelszaken te harmoniseren. Deze richtlijn is voor Nederland geïmplementeerd met de Wet implementatie richtlijn nr. 2008/52/EG betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken. Hoewel mediation in het bestuursrecht al wel een met succes toegepaste methode voor de beslechting van geschillen is ontbreekt een wettelijke regeling.
Bovengenoemd initiatiefswetvoorstel van Van der Steur (tweedekamerlid voor de VVD) wil hier verandering in brengen. Het voorstel ziet, onder andere, op een aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht. Het formaliseert het beginsel (Van der Steur noemt het zelfs een beginsel van behoorlijk bestuur) dat bestuursorganen ook de mogelijkheden moeten onderzoeken of met een informele benadering en behandeling van de bezwaren een conflict kan worden voorkomen, of kan worden opgelost. Toepassing van mediation kan zo leiden tot een vroegtijdige oplossing van een geschil, waardoor kosten in de bezwaar- en beroepsfase kunnen worden bespaard.

Een voorbeeld van een geschil dat zich zeker niet leent voor mediation is de beoordeling van een zuivere rechtsvraag. In dat soort geschillen is een oordeel van de rechter onontbeerlijk. De ervaring leert echter dat er niet zoveel zuivere rechtsvragen zijn en dat veel geschillen in wezen gaan over de uitleg en interpretatie van feiten en over gebreken in de communicatie tussen de betrokken partijen. Daarnaast zijn veel bestuursrechtsgeschillen niets anders dan ordinaire burenruzies. Mediation lijkt hier het middel bij uitstek om tot een oplossing te komen, maar in de praktijk blijkt dat een diepgeworteld conflict vaak beter met een gezaghebbende uitspraak van een rechter kan worden ingedamd.

In het beoordelingsproces of mediation een geschikte oplossing is dient het bestuursorgaan dan ook de intentie van de belanghebbende mee te wegen. Voorkomen moet worden dat mediation wordt misbruikt voor andere doeleinden dan waarvoor zij bedoeld is. Mediation is immers bedoeld om op afzienbare termijn te komen tot een door beide partijen gedragen oplossing voor hun geschil(len). Als het bestuursorgaan besluit geen mediation toe te passen, dient dit in de beslissing op bezwaar te worden gemotiveerd. Mocht de praktijk uitwijzen dat deze motiveringsplicht niet leidt tot substantieel meer gebruik van mediation in het bestuursrecht, dan overweegt indiener zelfs een zwaardere verplichting voor bestuursorganen te introduceren.

dinsdag 17 september 2013

ZIJN NATUURBESCHERMINGSORGANISATIES ONDERNEMINGEN?


De Europese Commissie stelt zich al geruime tijd op het standpunt dat natuurbeschermingsorganisaties ook economische activiteiten verrichten en dus als onderneming moeten worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van het Gerecht van de Europese Unie is een onderneming elke entiteit die een economische activiteit uit oefent. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen en/of diensten op een bepaalde markt. Activiteiten die betrekking op de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag hebben  geen economisch karakter. Indien een entiteit economische activiteiten verricht die los staan van de uitoefening van bevoegdheden van openbaar gezag, handelt deze identiteit met betrekking tot de economische activiteiten als onderneming.
In beschikkingen van 20 april 2011 en 13 juli 2011 merkte de Commissie Nederlandse natuurbeschermingsorganisaties al eens aan als onderneming. Het hier tegen ingestelde beroep werd door het Gerecht van de Europese Unie in een beschikking van 19 februari 2013 echter niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee kwam het Gerecht niet toe aan de vraag of de Commissie de Nederlandse natuurbeschermingsorganisaties terecht als onderneming had aangemerkt. Daar lijkt nu in een zaak met Duitse natuurbeschermingsorganisaties verandering in te zijn gekomen.

In een arrest van 12 september 2013 (T‑347/09) heeft het Gerecht van de Europese Unie geoordeeld dat Duitse natuurbeschermingsorganisaties ondernemingen zijn in de zin van de staatssteunregels. Als gevolg hiervan moet de eigendomsoverdracht van stukken grond door de overheid) aan deze organisaties voor natuurbehoud aan de staatssteunregels worden getoetst. Dit betekent dat voortaan ook  de Nederlandse organisaties voor natuurbehoud als onderneming moeten worden aangemerkt en dat ook de Nederlandse organisaties voor natuurbehoud rekening moeten houden met de staatssteunregels.

maandag 16 september 2013

KLIMAATSVERANDERING IN NEDERLAND



De klimaatsverandering in Nederland lijkt twee keer zo snel te gaan als het gemiddelde. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schreef vorig jaar: ‘De gemiddelde temperatuur in Nederland is over de afgelopen eeuw met 1.7 graden Celsius gestegen en het aantal jaarlijkse zomerse dagen nam met bijna twintig toe. De totale hoeveelheid jaarlijkse neerslag steeg met ongeveer 20 procent en ook de frequentie van hevige regenbuien nam sterk toe.’ Dat zijn flinke veranderingen, maar wat betekent dat in de praktijk?
Het KNMI zette voor het laatst in 2006 vier scenario’s op een rij, en deed wat kleine aanvullingen in 2009. Het komend voorjaar, in 2014 dus, komen er geheel vernieuwde versies, gebaseerd op het wereldwijde klimaatrapport dat het IPCC binnenkort uitbrengt. De hoofdpunten zullen waarschijnlijk lijken op die uit 2006: de opwarming zet door, met steeds zachtere winters en warmere zomers, met zowel ’s zomers als ’s winters extra kans op extreme hoeveelheden regen en een verder stijgende zeespiegel.

Dat vergt de nodige aanpassingen: rivieren moeten bijvoorbeeld meer ruimte krijgen om pieken in de waterafvoer te verwerken, de kustverdediging heeft versterking nodig en we moeten bedacht zijn op oprukkende tropische ziekten. Natuurgebieden moeten goed met elkaar verbonden worden, zodat planten en dieren mee kunnen bewegen met de veranderende omstandigheden. De laatste jaren is er in Nederland weinig beleidsaandacht voor de mogelijke effecten van klimaatverandering op de natuur. De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) biedt in beginsel goede bouwstenen om de Nederlandse natuur meer klimaatbestendig te maken. Dit vergt een aanpassing van de rijksvisie op de EHS, waarbij de focus wordt verlegd naar vergroten, verbinden en verbeteren van samenhangende clusters van waardevolle natuurgebieden (moeras, duin & kust, bos en heide). Verder vraagt een klimaatbestendig natuurbeleid om een herziening van de natuurdoelen.
Aangezien het min of meer onafwendbaar is dat de zeespiegel de komende eeuwen met vele meters zal stijgen, staat zelfs het voortbestaan van grote delen van Nederland op het spel. Hoewel dat deze eeuw nog niet tot heel grote problemen zal leiden zal daar toch nu al rekening mee moeten worden gehouden.

vrijdag 23 augustus 2013

DE CRISIS- EN HERSTELWET WORDT PERMANENT

Op 25 april 2013 (Stb. 2013, 145) is de Crisis- en herstelwet (hierna Chw) permanent geworden. In artikel 5.10 Chw was bepaald dat de wet per 1 januari 2014 zou komen te vervallen. Deze vervaldatum is op grond van hoofdstuk 1, onderdeel L  pChw gewijzigd in een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. De wetgever is voornemens de Chw in te trekken zodra de wetsvoorstellen met wijzigingen van de Onteigeningswet en de Algemene wet bestuursrecht het parlement gepasseerd zijn en in werking kunnen treden (Memorie van Antwoord, Kamerstukken I, 2012-2013, 33 135, nr. C, p. 15).

De Chw wet was oorspronkelijk bedoeld om de besluitvorming bij vastgoed en gebiedsontwikkeling te versnellen en te vereenvoudigen. Ook is de wet erop gericht om de positie van de nationale overheid te versterken en de inbreng van decentrale overheden te beperken en de inbreng van maatschappelijke organisaties en private belanghebbenden, zoals de milieubeweging, in te dammen.
Dat de afgelopen jaren gebleken is dat de met deze wet bewerkstelligde versnelling van de besluitvorming ten koste is gegaan van de toch al niet zo geweldige kwaliteit van die besluitvorming heeft kennelijk weinig indruk gemaakt. Ook het steeds maar weer uit de hand lopen van de financiële kant van de projecten waar de Crisis- en herstelwel zich op richt heeft kennelijk niet te denken gegeven. Het is zonder meer waar dat de koopwoningmarkt, de kantorenmarkt, de winkelmarkt en de bouwmarkt verstopt zijn. De oorzaak daarvan ligt echter in het instorten van de vraag, door structurele problemen bij de banken en het doorvoeren van overheidsbezuinigingen. Als de vraag stagneert, helpt een vermeende versnelling van de besluitvorming niet.

Daarnaast constateert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn evaluatie van de Chw dat de juridische mogelijkheden van de wet nauwelijks worden gebruikt. Slechts twee procent van de uitspraken van een rechtbank of de Raad van State heeft betrekking op een Crisis- en herstelwetproject. Anderhalf jaar na inwerkingtreding van de Chw blijkt dat de meeste instrumenten nauwelijks worden ingezet. Naast het beproefde bestemmingsplan is alleen het gebiedsontwikkelingsplan enigszins in zwang geraakt.
Bovendien kiest de Chw voor een juridisch aanvechtbare, laconieke interpretatie van Europese regelgeving en normering. Dit maakt de constatering dat een versnelling van de besluitvorming mogelijk is wel wat voorbarig. Een klacht bij het Europese Hof leidt gewoonlijk tot lange procedures (daaraan kan de Nederlandse regering niets veranderen), en niet zelden tot een uitspraak die ongunstig is voor de initiatiefnemer van het project, die dacht met een lichtzinnige interpretatie van Europese milieuregels weg te kunnen komen.


Hieronder volgt een kort overzicht van de belangrijkste veranderingen:
Onlosmakelijke activiteiten.
Ter vergroting van de herkenbaarheid van het begrip ‘onlosmakelijke activiteiten’ is een definitiebepaling toegevoegd aan artikel 1.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: ‘Wabo’). De regeling van artikel 2.7 Wabo die verplicht dat een aanvraag ziet op alle onlosmakelijke activiteiten, is gewijzigd op grond van artikel 2.2.1, onderdeel A t/m E pChw. Ook al is de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ (art. 2.1, lid 1, onder c Wabo) onlosmakelijk verbonden met andere activiteiten in de zin van artikel 2.1 Wabo, het is voortaan mogelijk om eerst voor deze activiteit apart een projectomgevingsvergunning (‘c-vergunning’) aan te vragen. Hierdoor wordt het mogelijk om de benodigde vergunning ‘op te knippen’. Bovendien wordt in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p.30-35) buiten twijfel gesteld dat die losse planologische omgevingsvergunning een juridisch-planologisch kader kan bieden voor meerdere opeenvolgende omgevingsvergunningen. De losse planologische omgevingsvergunning kan, zo nodig, op grond van een nieuw artikel 2.5a Wabo gewijzigd worden bij de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de overige onlosmakelijke activiteiten. Deze afstemmingsregeling is vergelijkbaar met die van de gefaseerde omgevingsvergunning (art. 2.5, lid 6Wabo). Wat hier het versnellende effect van zou moeten zijn is mij een raadsel.


Natuurbeschermingswet 1998.
Ten eerste worden de huidige referentiedata in artikel 19kd derde lid Natuurbeschermingswet 98 (‘Nbw’) aangevuld. Eerder betrof de Nbw 1998 geen correcte implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Gelet hierop wordt de referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden in artikel 19kd Nbw aangevuld. Voor Vogelrichtlijngebieden wordt de referentiedatum de datum waarop het Vogelrichtlijngebied als zodanig is aangewezen, ook indien het gebied is aangewezen vóór 7 december 2004. Voor Habitatrichtlijngebieden blijft de referentiedatum 7 december 2004 of later indien het Habitatrichtlijngebied later dan 7 december 2004 is aangewezen.
Verder is nieuw dat voor het vaststellen van plannen (net als bij de verlening van Nbw-vergunningen) géén passende beoordeling meer nodig is indien er per saldo geen toename is van de ammoniakdepositie ten opzichte van de referentiedatum. In artikel 19kd Nbw wordt opgenomen dat indien voldaan wordt artikel 19kd Nbw er geen sprake is van “significante gevolgen als bedoeld in artikel 19j tweede lid Nbw”. Eerder diende altijd een passende beoordeling gemaakt te worden indien gebruik gemaakt werd van mitigerende maatregelen (zoals salderingsmaatregelen) om significante effecten van een plan voor Natura 2000-gebieden te beperken dan wel te voorkomen. Nu is het niet meer nodig om voor een plan een passende beoordeling op te stellen wanneer de ammoniakdepositie door het gebruik van mitigerende maatregelen niet toeneemt. Ik vermoed dat dit op zijn minst in strijd zal blijken te zijn met de geest van de Europese regelgeving.
Beroepsrecht decentrale overheden.
Artikel 1.4 Chw beperkte het beroepsrecht van niet tot de centrale overheid behorende bestuursorganen om op te komen tegen niet tot hen gerichte besluiten van andere bestuursorganen (zoals bijvoorbeeld een inpassingsplan). Met de inwerkingtreding van de pChw wordt de werking van dit artikel beperkt tot besluiten van de centrale overheid (hoofdstuk 1, onderdeel C pChw) (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 21).


Houdbaarheid onderzoeksgegevens.
Op grond van de artikelen 2.1.6, 2.1.9 onderdeel K en 2.1.11 onderdeel B pChw zijn er artikelen toegevoegd aan respectievelijk de Wabo, Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) waardoor bestuursorganen zich bij de verlening van bepaalde vergunningen in ieder geval kunnen baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. De onderzoeksplicht van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) is hiermee ten aanzien van een groot deel van de (omgevings)vergunningen tot nul teruggebracht (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 4-6, 27 en 29-30). Ik vermoed dat ook dit niet in goede aarde zal vallen bij het Europees Hof.
Planschade.
Artikel 6.1 Wro wordt gewijzigd. Voortaan kan ook de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (voorheen de aanlegvergunning) en de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo (voorheen de sloopvergunning op grond van het bestemmingsplan) als zelfstandige planschadeoorzaken worden aangemerkt. Zie in dit kader artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro.

vrijdag 19 juli 2013

VISSTAND LIJKT ZICH TE HERSTELLEN

Uit een onderzoek van de Universiteit van Aberdeen blijkt dat de visstand in de Noordoost Atlantische wateren zich aan het herstellen is. De strenge Europese visquota (European Union's Common Fisheries Policy (CFP) hebben het uiteindelijk voor elkaar gekregen dat veel vissoorten in het Europese deel van de Atlantische Oceaan duurzaam worden gevangen. Overbevissing behoort grotendeels tot het verleden en de natuur krijgt de kans om zich te herstellen. Dat is goed nieuws, want er is doorgaans veel kritiek op het strenge visbeleid van de Europese Unie.
Voorzichtigheid blijft echter geboden, stellen de Britse onderzoekers, want sommige soorten, zoals kabeljauw, verkeren nog steeds in de gevarenzone. De wetenschappers tonen zich niettemin verrast over de aanzienlijke groei van de populatie van diverse soorten, nadat de Europese vangstbeperkingen werden ingesteld.

maandag 15 juli 2013

KLIMAATVERANDERING, ENERGIE-AKKOORD EN NIET ZO FIJN STOF


TWEE GRADEN IS TE WEINIG
Tijdens een Conferentie van de Verenigde Naties in Bonn is de afspraak om de stijging van de temperatuur te beperken tot twee graden Celsius opnieuw bevestigd. Volgens een onderzoek (zie deze lezing van Chris Field, the director of the Carnegie Institution's Department of Global Ecology at Stanford) van de Universiteit van Stanford is die twee graden echter niet voldoende om een gevaarlijke aantasting van de voedselproductie te voorkomen. Bij deze maximale temperatuurstijging mag er dan bijvoorbeeld gemiddeld voldoende neerslag vallen voor een goede graanoogst, maar als er bij dergelijke temperaturen iedere vijf jaar een droogte optreedt is dat niet genoeg om de voedselproductie op peil te houden. We zien nu al dat er bij een stijging van nog geen graad een toename van het aantal extreme weersituaties zoals droogtes en wolkbreuken voorkomen. Bij een stijging van twee graden zal dit alleen nog maar toenemen. Het maximum van twee graden Celsius mag dan een goed politiek beleidsinstrument zijn, het verzekert zeker niet dat daarmee ook de voedselproductie op het huidige niveau in stand kan blijven en dat hongersnoden kunnen worden voorkomen.


MEER DAN TWEE METER ZEESPEIGELSTIJGING PER GRAAD OPWARMING
Wetenschappers van het Institute for Climate Impact Research, een organisatie van de Verenigde Naties, hebben berekend dat de zeespiegel 2,3 meter stijgt per graad temperatuurstijging. Volgens deze nieuwe voorspellingen zal de gemiddelde temperatuur in de periode 2016-2035 0,4 tot 1,0 graad hoger liggen dan hij in de periode 1985-2005 was. Eerder berekende het IPCC, het klimaatpanel van de VN, al dat de zeespiegel de afgelopen eeuw met 17 centimeter is gestegen. Andere onderzoekers voorspellen dat grote gebieden van Bangladesh tot Florida onder water komen te staan bij een zeespiegelstijging van twee meter.


ZELFS EEN BEETJE FIJNSTOF VERGROOT AL DE KANS OP LONGKANKER
Uit een onlangs in ‘The Lancet’ gepubliceerde Europese studie blijkt dat zelfs een minimale hoeveelheid luchtvervuiling door fijnstof de kans op longkanker met ongeveer 20 procent vergroot. De studie is de omvangrijkste poging ooit om het verband tussen fijnstof en longkanker aan te tonen. Eerdere steekproeven waren vaak te klein. Bijna 13 jaar volgden de wetenschappers ruim 300 duizend personen op 17 Europese locaties waar ook de fijnstofgegevens worden bijgehouden. De aanwezigheid van zelfs lage concentraties fijnstof verhoogt het aantal longkankergevallen en, meer fijnstof betekent ook meer longkanker.


ENERGIEAKKOORD TE WEINIG TE LAAT
Met pijn en moeite heeft de de Sociaal-Economische Raad (SER) er op de valreep een energieakkoord uitgesleept. Uit alles blijkt echter dat Nederland op het gebied van duurzame energie inmiddels zo’n achterstand heeft opgelopen, dat de ambitieuze doelstellingen uit dit akkoord onhaalbaar zijn. Het aandeel van duurzame energie tot 2020 laten toenemen van ruim 4 procent nu (een percentage waarmee Nederland tot de Europese hekkensluiters van de groene energie behoort) naar 16 procent in minder dan een decennium lijkt volstrekt onhaalbaar. Bovendien is de afgesproken reductie van kolen alleen mogelijk door in te zetten op biomassa. Volgens de Duurzame Energie Koepel: weinig innovatief, laagwaardig gebruik van biomassa.

woensdag 10 juli 2013

DE WIJZIGINGSBEVOEGDHEID VAN ARTIKEL 3.6 WRO


In artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening is de mogelijkheid opgenomen om in een bestemmingsplan het College van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven een plan te wijzigen. Hierdoor kan de gemeenteraad niet meer oordelen over deze wijzigingen. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid planologisch aanvaardbaar is. Deze bepaling maakt het mogelijk dat belangrijke wijzigingen zonder toetsing door de gemeenteraad worden vastgesteld. Met het opnemen van wijzigingsbevoegdheden kunnen planologische ontwikkelingen aanmerkelijk worden vereenvoudigd. Voor omwonenden is deze bevoegdheid echter niet zonder gevaren.
Wijzigingsbevoegdheden kunnen verstrekkende gevolgen hebben, maar bij het vaststellen van een bestemmingsplan willen deze bepalingen nog weleens over het hoofd worden gezien. Begrijpelijk want de gevolgen van die bevoegdheid zijn op het moment van vaststelling niet te voorzien. Een kwaadwillend college (die bestaan natuurlijk niet, maar je weet het maar nooit) zou op die manier een onwelgevallig bouwproject kunnen wegmoffelen.

Een wijzigingsbevoegdheid moet wel door voldoende objectieve normen worden begrensd, daarbij moet tevens worden aangetoond dat binnen de planperiode gebruik zal worden gemaakt van die bevoegdheid én dat die bovendien ook financieel haalbaar is. Indien niet aan deze vereisten wordt voldaan kan een wijzigingsbevoegdheid met succes worden aangevochten en worden vernietigd. Zie in dit verband bijvoorbeeld uitspraak 201208056/1/R1 van 6 maart. Maar dat moet dan wel direct bij de vaststelling van het bestemmingsplan waarin zij is opgenomen gebeuren. Als dat niet gebeurt, kan een gemeente zich in een later stadium beroepen op de formele rechtskracht van die bevoegdheid en de daarbij opgenomen voorwaarden. De rechter zal de desbetreffende wijziging dan nog maar zeer terughoudend toetsen.

donderdag 4 juli 2013

Nationaal energieakkoord uitgelekt

Vakbeweging, werkgevers, milieuorganisaties en andere belangengroeperingen onderhandelen in de SER over het zogenoemde ‘Nationaal Energieakkoord’. Dit akkoord moet duidelijkheid verschaffen over de energievoorziening voor de komende dertig tot veertig jaar. Volgens het uitgelekte concept moet het aandeel groene energie in 2022 of 2024 zestien procent bedragen van de totale energieopwekking. Dat is twee tot vier jaar later dan de kabinetsplannen. En dat terwijl in de Europese Unie afgesproken is om in 2020 een aandeel van twintig procent groene energie te halen.
 
Het ziet er dus niet naar uit dat de grote achterstand die Nederland op het gebied van duurzame energie heeft nog ingehaald kan worden. Een serieus beleid voor de reductie van CO2 ontbreekt en de producenten van fossiele brandstoffen ontvangen nog steeds meer subsidie dan de producenten van duurzame energie.

Toch is niet alles kommer en kwel in energieland. Volgens het tijdschrift ‘New Scientist’ is duurzame energie tegen de verdrukking in bezig met een opmars. In 2018 zal een kwart van de wereldwijde energieproductie afkomstig zijn uit bronnen als waterkracht, windenergie en zonne-energie. En dat met slechts sporadische steun van de overheid en een industrie die zijn uiterste best doet om de wereld er van te overtuigen dat duurzame energie onbetrouwbaar en duur is. Hoe zou het zijn als de overheden serieus werk zouden maken van groene energie?

maandag 1 juli 2013

GEBREKKIG ONDERZOEK NAAR SCHALIEGASWINNING


In opdracht van het ministerie van Economische Zaken is het afgelopen jaar gewerkt aan een studie naar de effecten van de winning van schaliegas. De winning van schaliegas is omstreden vanwege het kraken van steenlagen, waarbij onder hoge druk water, zand en chemicaliën de bodem ingespoten worden.
Volgens de Commissie voor de milieueffectrapportage ontbreekt er het een en ander aan dit onderzoek. De Commissie dringt er in een tussenadvies op aan het onderzoek naar de mogelijke gevolgen van schaliegaswinning op een aantal belangrijke punten te verbreden. Drinkwaterwinning en de belangen van omwonenden zijn op dit moment geen onderwerp van de studie.

Het onderzoek wordt deze week afgerond, maar minister Kamp (Economische Zaken, VVD) maakt de inhoud pas aan het einde van het zomerreces bekend, tegelijk met zijn besluit om al dan niet tot proefboringen over te gaan. Onder strikte geheimhouding zal de minister de inhoud delen met de zogenoemde klankbordgroep van burgers, lokaal bestuur en bedrijfsleven. Vorige week stapten leden van deze groep op omdat ze weigerden te tekenen voor geheimhouding. Van de twaalf leden zijn er nog vier aanwezig, onder wie de Rabobank en de branchevereniging Nogepa.
De Rabobank heeft onlangs te kennen gegeven geen geld te willen uitlenen aan bedrijven die betrokken zijn bij de winning van schaliegas. De bank maakt zich zorgen over vervuiling van grond en water en ook over verlies van biodiversiteit en de gevolgen voor omwonenden. Vorige week bleek uit Amerikaans onderzoek, gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift PNAS, dat er een direct verband is tussen winning van schaliegas en drinkwatervervuiling.

donderdag 16 mei 2013

NIEUWSFLITS



JURIDISCH NIEUWS

De opslag van gevaarlijke stoffen nog steeds een gevaarlijke zaak
Van de 108 bedrijven die volgens een rapportage van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) op 7 juni 2012 niet voldeden aan de brandveiligheidseisen bij de opslag van gevaarlijke stoffen, voldeden 62 bedrijven op 25 april 2013 nog steeds niet. Staatssecretaris Mansveld (Infrastructuur en Milieu) heeft de lijst met de actuele situatie van de 108 bedrijven vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd. Zie in dit verband: Stand van zaken naleving brandveiligheidseisen bij opslagen van gevaarlijke stoffen.

Twee derde van de luchtwassers bij veehouderijen in Noord Brabant niet in orde
Uit een nalevingsonderzoek van het Brabantse Servicepunt Handhaving (SEPH) blijkt dat bij twee derde van de gecontroleerde veehouderijen de luchtwassers niet op orde waren. Tegelijkertijd bleek dat ook de controlefrequentie niet helemaal op orde was. Hoewel afgesproken was dat in 2011 en 2012 alle 1100 veehouderijen met een luchtwasser zouden worden, bezocht hebben slechts de helft van de bedrijven een controleur over de vloer gehad.

Permanente Cris- en herstelwet in werking De verlengde Crisis- en herstelwet (Chw) is vanaf 24 april in werking getreden. De wet is gepubliceerd in het Staatsblad van 24 april 2013. De Eerste Kamer ging op 26 maart akkoord met verlenging van de wet. De looptijd van de Chw wordt voor onbepaalde tijd verlengd, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de wijziging van de Algemene wet bestuursrecht. De Chw zal uiteindelijk hierin opgaan. Een klein deel van de wet treedt op een later moment in werking, tegelijkertijd met een Algemene maatregel van bestuur ter uitwerking van enkele artikelen uit de wet.
Bij het deel van de wet dat later wordt ingevoerd gaat het om wijzigingen die samenhangen met het verkorten van de procedure voor het verkrijgen van omgevingsvergunningen voor tijdelijke afwijkingen van het bestemmingsplan (van 26 naar 8 weken) en het loslaten van de nu geldende maximale termijn van vijf jaar voor die tijdelijke afwijkingen. Wel meteen ingevoerd is het verlengen van het toepassingsbereik van de regeling voor houdbaarheid van onderzoeksgegevens tot minimaal twee jaar.


NATUUR EN MILIEU NIEUWS
Reductiedoelstelling van 80% in 2050 voor broeikasgas een illusieUit een analyse van het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) en het adviesbureau Ecofys blijkt dat er geen schijn van kans is dat deze doelstelling bij onveranderd beleid gehaald kan worden (rapporten samenvatting). Sterker nog zelfs de veel bescheidenere doelstellingen voor 2020 lijken nu al onhaalbaar te zijn. Het emissiehandelssysteem is ook al op een mislukking uitgelopen. Volgens de onderzoeksbureaus is het laaghangend fruit ondertussen wel weggeplukt en is het nu tijd voor nieuwe innovatieve ideeën. Het PBL en Ecofys doen een aantal aanbevelingen om dit te stimuleren.
Een Rodelijst voor ecosystemenDe International Union for Conservation of Nature (IUCN), ‘s werelds grootste en oudste unie van natuurorganisaties, verenigt zo’n 1.200 overheden en natuur- en milieuorganisaties. De IUCN speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het internationaal natuur- en milieubeleid, zoals bijvoorbeeld de Convention on International Trade of Endangered Species (CITES) en de Convention on Biological Diversity (CBD). Als enige natuurorganisatie heeft IUCN de status van ambassadeur bij de Verenigde Naties. Het IUCN staat bekend om zijn Rode Lijst van bedreigde soorten. Deze lijst toont welke planten en dieren met uitsterven worden bedreigd.
Volgens het IUCN zouden we wel eens in één van de grootste uitstervingsgolven sinds het ontstaan van de Aarde kunnen leven. Het IUCN denkt dat het beschermen van individuele soorten misschien verlaten moet worden en vervangen moet worden door het beschermen van ecosystemen. De nadruk zou dan gelegd moeten worden op levensvatbare systemen. Dit zou zelfs kunnen betekenen dat zwaarbelaste ecosystemen opgegeven moeten worden of dat uitheemse soorten bewust worden geïntroduceerd. Naast de Rode Lijst van bedreigde soorten zou er dan een nieuwe Rode Lijst van bedreigde ecosystemen moeten komen.



JURISPRUDENTIE
 
Hof van Amsterdam 200.089.964/01, 2 oktober 2012 (art. 8 LMV-koopakte ten behoeve van consumentenkoop)
De Landelijke Makelaars Vereniging (tegenwoordig VastgoedPRO) hanteert een standaard-koopakte voor consumenten: de zogenaamde LMV-koopakte.Ook de grotere Nederlandse Vereniging van Makelaars heeft een eigen koopakte.
Over de LMV-koopakte is nog weinig jurisprudentie. Over de NVM-koopakte is wel veel geprocedeerd. Bij gebruik van de NVM-koopakte moet de verkoper oppassen, omdat dit model een garantie bevat waardoor hij ook bij verontreiniging die hem niet bekend is, aansprakelijk is als de verontreiniging meebrengt dat de onroerende zaak niet de feitelijke eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn. Zie HR 28 januari 2000, NJ 2000/575.
Artikel 8 van LMV-koopakte is anders. Hier staat dat de verkoper niet instaat voor hem onbekende onzichtbare gebreken. Uit de bewoording van dit artikel volgt dat de verkoper, niet instaat voor: 1. andere eigenschappen dan nodig voor normaal gebruik en welke uitdrukkelijk zijn overeengekomen; 2. aan koper kenbare gebreken; en 3. de verkoper onbekende onzichtbare gebreken. De bewoordingen ‘niet instaan voor’ moeten naar ’s hofs oordeel in dat verband (en mede gezien de onderwerpen die het betreft) zo worden opgevat, dat de verkoper ter zake geen enkel aansprakelijkheidsrisico aanvaardt.
 
201113404/1/T1/R3, ABRvS 10 april 2013 (Veldhoven)
Appellanten voeren aan dat het luchtkwaliteitsonderzoek ten onrechte niet met het ontwerpplan ter inzage is gelegd. Appellanten voerten verder aan dat het addendum bij het akoestisch onderzoek evenmin ter inzage is gelegd.
Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. Ingevolge artikel 3:14, eerste lid, van de Awb vult het bestuursorgaan de ter inzage gelegde stukken aan met nieuwe relevante stukken en gegevens.
Ten aanzien van het Luchtkwaliteitsonderzoek stelt de Afdeling dat het een openbaar beleidsstuk betreft dat ziet op het hele grondgebied van de gemeente Veldhoven. Daarom hoefde het niet met het ontwerpplan ter inzage te worden gelegd, omdat het geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. De raad heeft derhalve in zoverre niet gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.
Ten aanzien van het addendum bij het akoestisch onderzoek stelt de Afdeling dat het valt aan te merken als een nieuw relevant stuk als bedoeld in artikel 3:14, eerste lid, van de Awb, omdat het een correctie is op het mede ten behoeve van het ontwerpplan verrichte akoestische onderzoek. Het addendum is dus ten onrechte niet ter inzage gelegd. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 1.5, eerste lid, van de Chw, zoals dit luidde ten tijde van belang. Daartoe wordt overwogen dat appellant niet is benadeeld. Het college heeft het addendum opgestuurd aan de bewoners van woningen waarvoor een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in verband met het plan zou worden verleend, waaronder appellant. Appellant heeft dit addendum binnen de termijn in zijn mondelinge zienswijze betrokken. Voorts is niet aannemelijk dat derden vanwege de gebrekkige terinzagelegging hebben afgezien van het naar voren brengen van een zienswijze. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het addendum een beperkte correctie op het ter inzage gelegde akoestisch onderzoek betreft.


woensdag 15 mei 2013

REDUCTIE VAN 80 PROCENT VAN BROEKASGAS IN 2050 IS EEN ILLUSIE


Uit een analyse van het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) en het adviesbureau Ecofys blijkt dat er geen schijn van kans is dat deze doelstelling bij onveranderd beleid gehaald kan worden (rapport en samenvatting). Sterker nog zelfs de veel bescheidenere doelstellingen voor 2020 lijken nu al onhaalbaar te zijn. Het emissiehandelssysteem is ook al op een mislukking uitgelopen. Volgens de onderzoeksbureaus is het laaghangend fruit ondertussen wel weggeplukt en is het nu tijd voor nieuwe innovatieve ideeën. Het PBL en Ecofys doen een aantal aanbevelingen om dit te stimuleren.

donderdag 28 maart 2013

NIEUWSBRIEF OMGEVINGSRECHT 2013-4

 
JURIDISCH NIEUWS
 
 
Uitbreiding toepassingsbereik OBM
Op 1 januari 2013 is het toepassingsbereik van de zogenaamde ‘Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets’ (OBM) behoorlijk uitgebreid. Door de introductie van de OBM moeten bedrijven voor bepaalde activiteiten een melding Activiteitenbesluit doen èn een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets aanvragen bij het bevoegd gezag. Het is de bedoeling van de OBM dat het bevoegd gezag vooraf instemt met het van start gaan van een bepaalde activiteit. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden (artikel 5.13a Bor).
Een OBM moet worden aangevraagd voor activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is en voor activiteiten waarvoor een lokale toetst moet worden uitgevoerd. Het is niet altijd even duidelijk aan welke criteria moet worden getoetst in het geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling (art. 2.2a, lid 1 Bor) verplicht is. Het woord ‘vormvrij’ in artikel 2.2a, lid 1 Bor laat wel wat ruimte aan het bevoegd gezag. De ruimte kan zij ruim opvatten (door een uitgebreide m.e.r-toets uit te voeren) maar ook beperkt. Om een goede beoordeling conform artikel 2.2a, lid 1 Bor te maken dienen de voorgenomen activiteiten van de aanvrager getoetst te worden aan bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Wat trouwens ook het toetsingskader voor de reguliere m.e.r.-beoordelingen is.

Landbouwbedrijven en het Activiteitenbesluit
Sinds 1 januari vallen alle agrarische bedrijven onder het Activiteitenbesluit. De verplichting voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo volgt voor agrarische inrichtingen onder meer uit categorie 8.3 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor. Artikel II E van het wijzigingsbesluit past deze categorie aan, waardoor voor minder agrarische inrichtingen een dergelijke omgevingsvergunning nodig is.Veel bedrijven vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit (type B-bedrijven). Zij hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig. Een aantal bedrijven, zoals IPPC-bedrijven, heeft naast het Activiteitenbesluit nog wel een omgevingsvergunning milieu nodig (type C-bedrijven).
Voor een aantal agrarische activiteiten is eerst een OBM vereist voordat de algemene regels van toepassing zijn. Dit zijn activiteiten die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo zijn aangewezen in artikel 2.2a van het Bor. De OBM wordt onder meer geweigerd indien het bevoegd gezag oordeelt dat er een milieueffectrapportage gemaakt moet worden. Deze weigeringsgrond staat in artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor. In dat geval vervalt de plicht voor een OBM en moet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, worden aangevraagd. Als de OBM wordt verleend, zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing.

Nieuwe windmolenparken
Het kabinet heeft in overleg met de provincies elf nieuwe plaatsen aangewezen waar windmolenparken met een vermogen van meer dan 100 megawat mogen worden gebouwd. Het gaat onderandere om de Eemshaven, Delfzijl, de N33 (van Assen naar Delfzijl), de Drenthse Veenkoloniëen, Wieringermeer, Flevoland en de Rotterdamse haven. Later dit jaar worden de locaties voor kleinere parken aangewezen. Uiteindelijk moeten alle windmolenparken samen een vermogen van 6.000 megawat gaan leveren
 
 
JURISPRUDENTIE
 
201206468/1/A1 27 maart 2013 Apeldoorn
Onbevoegde invordering van dwangsommen blijft een besluit
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat de Vierde Tranche Awb niet op het besluit van toepassing was. Volgens de Afdeling was er wel degelijk een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb omdat het college gepretendeerd heeft een invorderingsbeschikking te nemen en dus beoogd heeft een rechtsgevolg in het leven te roepen én omdat het college de invorderingsbeschikking, ook nadat het de verbeurde dwangsom volgens het oude recht was gaan invorderen, gewoon in stand had gelaten.
 
20113207/1/A4 20 maart 2013 Deurne
Beoordeling geur en ammoniak bij mestverwerkingsbedrijven
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij volgt dat die wetten niet bedoeld zijn voor de beoordeling van geur respectievelijk ammoniak afkomstig van mestverwerkingsbedrijven. Ook de wettekst van beide wetten zelf heeft enkel betrekking op geur en ammoniak afkomstig van dierverblijven in veehouderijen. Het was tot nu toe dan ook bestendige jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak om de beoordeling van geur en ammoniak van mestverwerkingsbedrijven níet te beoordelen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij. In onderhavige uitspraak lijkt de Afdeling echter om te gaan. De Afdeling zegt hier dat appellanten in dit verband tevergeefs wijzen op artikel 2 van de Wgv. Het college heeft terecht gesteld dat uit dat artikel slechts volgt dat de Wgv een verplicht toetsingskader is, indien het gaat ome en veehouderij. Uit dat artikel volgt niet dat bij de Wgv niet kan worden aangesloten bij andere inrichtingen dan veehouderijen. De verwijzing naar de memorie van toelichting en de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201004415/1/M2 leiden niet tot een ander oordeel. Er wordt jammer genoeg geen motivering gegeven waarom de Afdeling omgaat. Het zou dus nog steeds een vergissing kunnen zijn.
 
 

 
 
NATUUR EN MILIEU NIEUWS
 

Fossielebrandstoffen: afschrijvingen en subsidies
Om de doelstelling van een maximale temperatuurstijging van twee graden te halen zou er nauwelijks nog extra CO2 in de atmosfeer terecht mogen komen. Om dat werkelijk te halen moeten olie- en mijnbouwbedrijven het grootste deel van hun fossiele voorraden in de grond laten zitten. Het Internationaal Energie Agentschap en de milieuorganisatie "Carbon Tracker" stelt dat hooguit 20% van de nu bekende en winbare voorraad fossiele brandstoffen ook echt mag worden gebruikt als we de twee graden norm werkelijk zouden willen halen.
Dit zou betekenen dat oliemaatschappijen en kolenmijnbouwbedrijven miljarden zouden moeten afschrijven omdat ze hun beschikbare voorraden niet zouden mogen delven. Omdat de waarde van die bedrijven sterk gerelateerd is aan hun voorraden winbare brandstof zouden bedrijven als Shell en Esso zo'n 80% van hun huidige verliezen.
Er wordt nog steeds op grote schaal naar nieuwe fossiele brandstoffen gezocht. Het lijkt me dan ook niet zo waarschijnlijk dat bedoelde bedrijven dergelijke afschrijving op hun waarde zullen gaan door voeren. Dat zegt natuurlijk ook iets over het realiteitsgehalte van de maximaal toegestane twee graden opwarming.
Tegelijkertijd roept het IMF in een nieuw rapport op om de subsidies voor fossielebrandstoffen  af te schaffen. Volgens het IMF worden jaarlijks voor $490 miljard aan directe subsidie en voor $1900 miljard indirecte subsidie aan de olie- en kolenproducenten uitgekeerd. Vooral veel ontwikkelingslanden geven directe subsidies, maar de VS zijn met jaarlijkse indirecte subsidies van $500 miljard de absolute topsponsor.  De afschaffing van de subsidies zou meteen resulteren in een daling van 13% van de CO2 uitstoot.

Worden de koude winters in Noordwest Europa veroorzaakt door de opwarming?
Volgens het Potsdam-Institut für Klimatfolgenforschung (http://www.pik-potsdam.de/aktuelles/pressemitteilungen) worden de koude Europese winters van de laatste paar jaar veroorzaakt door de opwarming van de aarde. Door de hogere temperaturen smelt de ijskap. De donkere zee absorbeert de warmte van het zonlicht veel beter dan de oude ijskap die het zonlicht weerkaatste. In de herfst wordt die warmte vrijgegeven waardoor een hogedrukgebied ontstaat. Dit hoge drukgebied blokkeert de zogenaamde 'polar vortex', een krachtige wind die normaalgesproken rond de Noordpool cirkelt. Daardoor  kan koude poollucht ongehinderd naar het zuiden en dus naar Europa toestromen. Het lijkt erop dat we door de opwarming van de aarde nog meer koude winters kunnen verwachten.

zondag 10 maart 2013

NIEUWSBRIEF OMGEVINGSRECHT 2013-3

 
NATUUR EN MILIEUNIEUWS
 
Luchtvaartemissies
Er wordt in de ICAO al een jaar of vijftien gepraat over het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen door vliegtuigen. Een tijdje geleden besloot de Europese Unie dat vanaf 1 januari 2012 alle vluchten van en naar Europa onder het emissiehandelssysteem zouden vallen. Op 30 april moeten luchtvaartmaatschappijen officieel hun CO2-boekhouding op orde hebben, maar niets wijst erop dat dat ook echt gebeurt. De Amerikaanse Senaat verbood maatschappijen uit de VS zelfs per wet om aan het Europese emissiehandelssysteem mee te werken. De milieucommissie van het Europees Parlement heeft besloten dat het systeem het beste een jaar kan worden opgeschort. In april zal het voltallige parlement dit besluit vermoedelijk overnemen.

Kosten steenkoolcentrales
Volgens de Health and Environment Alliance (HEAL) kosten steenkoolcentrales de Europese bevolking 42,8 miljard euro per jaar aan gezondheidskosten. Het onderzoek stelt dat steenkool de meest klimaatonvriendelijke fossiele brandstof in Europa is. De auteurs van het rapport pleiten voor een verbod op de bouw van nieuwe steenkoolcentrales. Het aantal steenkoolcentrales terugdringen heeft niet alleen positieve gevolgen voor de volksgezondheid, maar ook voor het klimaat.
 
IJsvrije vaarroute langs de Noordpool
Dat de Noordelijke IJszee in de late zomer begaanbaar wordt, is al langer bekend, maar onderzoekers van de Universiteit van Californië hebben voor het eerst data over de verwachte klimaatverandering gekoppeld aan mogelijke scheepvaartroutes. Vanuit Rotterdam naar Japan is de route langs de kust van Rusland 40 procent korter dan die via het Suezkanaal. Wanneer direct over de Noordpool gevaren kan worden, neemt deze afstand met nog eens 20 procent af. Reguliere niet versterkte containerschepen wagen de oversteek nu ook al geregeld, maar de Universiteit van Californië verwacht dat de Noordpool over veertig jaar één van de belangrijkste scheepvaartroutes van de wereld is geworden.

De omstreden hockey stick over een periode van 10.000 jaar
De meeste reconstructies van de temperatuurveranderingen beslaan een periode van hooguit 2.000 jaar. In een recent onderzoek van de Oregon State University wordt voor het eerst het gehele Holoceen (de periode vanaf de laatste ijstijd) bij een reconstructie betrokken. (zie deze link) Uit het onderzoek blijkt dat in de laatste 150 jaar de snelste temperatuurstijging over deze periode heeft plaatsgevonden. Na een periode van temperatuurstijging (zo’n 2.000 jaar) veranderde er 4.000 jaar lang weinig, totdat een langdurige periode van daling inzette. Hieraan kwam pas met het begin van de industriële revolutie een einde aan. Sindsdien nadert de temperatuur de piek van die voorgaande elf millennia. De daaruit volgende grafiek lijkt verdacht veel op de beruchte hockeystick,

 
JURIDISCH NIEUWS

Advies Raad van State over automatische kentekenregistratie
Politie en Justitie willen al jaren een landelijk dekkend cameranetwerk boven de wegen om er criminelen mee te pakken. De Vrom-inspectie kan met dit systeem de afvaltransporten controleren. Oorspronkelijk waren de camera’s rond Amsterdam bedoeld om er vervuilende vrachtauto’s mee uit de stad te weren.
Het nieuwe systeem komt als geroepen voor een kabinet dat iedereen ‘veiligheid’ belooft. Sinds de terreurdreiging wordt de expansieve controlebehoefte van de overheid ook politiek weinig meer in de weg gelegd. Iedereen is bang. Totale registratie van ieders reisgedrag ligt op de loer. Zeker in combinatie met de database van de OV-chipkaart in het openbaar vervoer. Iedereen draagt straks feitelijk een elektronisch enkelbandje. Ook voetganger en fietsers kunnen via hun smartphone op de voet worden gevolgd. Wie had er ook alweer om een totaal burgervolgsysteem gevraagd?
De Raad van State is er behoorlijk kritisch over. Cruciaal is de uitholling van het onschuldbeginsel. „Door de grootschaligheid [...] bestaat het risico dat beduidend meer onschuldige personen op wier naam het voertuig staat, in de positie kunnen komen dat zij worden gerelateerd aan een misdrijf”. De burger zal zich straks vaker moeten verweren tegen valse verdenkingen en dito verdachtmakingen.
 
 
Raad voor de Wadden afgeschaft
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel tot Intrekking Wet op de Raad voor de Wadden en de Wet op het Waddenfonds, Kamerstukken 33 222 aanvaard. Het Waddenfonds wordt gedecentraliseeerd naar de provincies Fryslân, Groningen en Noord-Holland en de Raad voor de Wadden blijft niet langer als afzonderlijk adviescollege bestaan.
 
.
JURISPRUDENTIE

Vz ABRvS, 201210941/2/R2 en 201211172/2/R4, 15 februari 2013 (Zeeland)Het college van gedeputeerde staten van Zeeland heeft een Natuurbeschermingswetvergunning verleend aan Rijkswaterstaat Zeeland voor werkzaamheden voor het terugbrengen van het getij in het Rammegors, dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied Oosterschelde. Een stichting naar Surinaams recht komt daartegen in beroep. De vraag doet zich voor of deze stichting wel als belanghebbende kan worden aangemerkt.
De voorzitter laat jammer genoeg in het midden of alleen rechtspersonen naar Nederlands recht als rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb kunnen worden aangemerkt. Volgens de voorzitter kan de stichting niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat de door de stichting overgelegde notariële akten waarmee de percelen zouden zijn geleverd, dateren van na de voor de bestreden besluiten geldende beroepstermijnen (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011 in zaak nr. 200909566/1/R3). Bovendien heeft de stichting niet aannemelijk gemaakt dat de notariële akten zijn ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers, terwijl een dergelijke inschrijving op grond van het Burgerlijk Wetboek een vereiste is voor de levering, en daarmee de overdracht, van onroerende zaken.

Hoge Raad , 12/05273, 22 februari 2013 (Wassenaar)Iemand die zich benadeelt voelt door een uitspraak van de Raad van State hoopt via de Hoge Raad als nog zijn gelijk te halen. Het beroep kon echter niet tot cassatie leiden, omdat het is gericht tegen een uitspraak van de Voorzitter van de ABRvS in een bestuursrechtelijk geschil. De Hoge Raad is van oordeel dat, gelet op art. 78 lid 1 RO en art. 78 lid 4 RO, verzoeker in zijn beroep niet kan worden ontvangen, nu het zich richt tegen een uitspraak van de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en geen wettelijke bepaling cassatieberoep tegen de bestreden beslissing openstelt.








dinsdag 5 maart 2013

NIEUWSBRIEF OMGEVINGSRECHT 2013-2

 
 

 Jurisprudentie
 
Overgangsrecht en bevoegd gezag bij maatwerkvoorschriften
ABRvS 21 november 2012, nr. 201204164/1/A4 (Noordoostpolder)
Bij besluit van 3 januari 2012 heeft B&W maatwerkvoorschriften opgelegd ten aanzien van de geluidbelasting van een windmolenpark. Volgens appellanten was B&W op grond van het overgangsrecht hiertoe niet bevoegd.
De hoofdregel van het in art. 1.2 Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht is dat besluiten die onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Wabo onherroepelijke rechtskracht hadden, worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 Wabo. Was op 1 oktober 2010 (datum inwerkingtreding Wabo) nog geen sprake van onherroepelijke rechtskracht, dan geldt in de regel dat op het desbetreffende besluit het recht van toepassing blijft zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wabo.
Op het moment dat de maatwerkvoorschriften door B&W werden opgelegd was er, volgens appellanten, nog geen sprake van een onherroepelijke milieuvergunning voor het windmolenpark. Op dat moment was gelet op het overgangsrecht dus het oude recht van toepassing en onder vigeur van dat oude recht waren GS het bevoegde gezag ten aanzien van de onderhavige milieuvergunning en volgens appellanten ook het bevoegd gezag voor de maatwerkvoorschriften. De Afdeling is echter van oordeel dat het overgangsrecht enkel ziet op de milieuvergunningen en niet op de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Nu het stellen van maatwerkvoorschriften een afzonderlijk besluit is, is volgens de Afdeling na inwerkingtreding van de Wabo B&W daartoe in het onderhavige geval bevoegd.
 
Motivering verkeersbesluit
Rb Haarlem, 7 november 2012, nr. AWB 12/2120 (Waterland)
De motivering van een verkeersbesluit dient in ieder geval de doelstelling van de maatregel te bevatten. Ter zitting heeft B&W toegelicht dat de verlichting van de beperking van zwaar verkeer in de Dorpsstraat voortkomt uit handhaafbaarheid. Een geslotenverklaring met uitzondering voor bestemmingsverkeer was niet handhaafbaar. Met deze aanvulling ter zitting acht de rechtbank het motiveringsgebrek hersteld. B&W heeft in redelijkheid tot het besluit kunnen komen. Beroep is gegrond, en het besluit wordt vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen.
 
 
 
Juridisch nieuws
 
 
Concepttekst Omgevingswet
De eerste, volledige concept-wetstekst van de Omgevingswet is op 28 februari verschenen. Deze toetsversie wordt voor formele consultatie voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en SKVV en aan toetsende instanties als Actal, Raad voor de Rechtspraak en het Planbureau voor de Leefomgeving. De toetsversie zal ook met onder meer het bedrijfsleven (VNO-NCW, MKB Nederland) en met natuur- en milieuorganisaties worden besproken.
 
De helft van de bouwaanvragen deugen niet
Uit onderzoek van de gemeente Eindhoven komt naar voren dat de helft van de bouwaanvragen niet correct was. Het ging dan bijvoorbeeld over het niet volledig inleveren van alle stukken, het ontbreken van gegevens van de hoofddraagconstructie, het niet voldoen aan het bestemmingsplan, tegenstrijdigheden in de tekeningen etc. Het betrof geen aanvragen van particulieren maar van architecten, ontwikkelaars en bouwers.
 
Inspectie Leefomgening en Transport
Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hebben per 1 januari 2013 een deel van de taken van Agentschap NL op het gebied van milieu en leefomgeving overgenomen.
Rijkswaterstaat Leefomgeving krijgt alle taken op het terrein van afval, bodem en ondergrond, broeikasgassen, F-gassenverordening, gebiedsontwikkeling, klimaatbeleid, materialen, mobiliteit, openbare verlichting en milieuwet- en regelgeving. Hieronder vallen ook de taken van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen, Bodem+, Kenniscentrum InfoMil en Gemeente Schoon.
De ILT concentreert zich op vergunningverlening voor de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en het Besluit inzamelen Afvalstoffen (BIA) en Productbesluiten Afval (PBA).
 
Intensieve veehouderij en volksgezondheid
Kamerstukken II 2012/13, 28 973, nr. 129
Met Kamerstukken II 2012/13, 28 973, nr. 129 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken het advies over de gezondheidsrisico's rond intensieve veehouderijen aan de Tweede Kamer aangeboden, en aangegeven mogelijk voor 1 maart 2013 een beleidsreactie te geven. Het advies is tot stand gekomen vanwege toenemende maatschappelijke ongerustheid over de intensieve veehouderij, onder meer door een uitbraak van de Q-koorts. Vervolgens is in september 2011 advies gevraagd aan de Gezondheidsraad. Er is gevraagd om een beoordelingskader en om advies over eventueel te stellen normen en te nemen maatregelen wat betreft afstanden. Uit de samenvatting blijkt dat de commissie adviseert om te werken met emissiegerelateerde minimumafstanden die niet alleen zijn gebaseerd op geurafstand. Daarnaast zijn maatregelen om de emissie van deeltjes uit stallen terug te dringen nuttig, zoals mogelijk is via luchtwassers en via informatie over nieuwe vormen van bedrijfsvoering, bedrijfshygiëne en verduurzaming.

De Wet plattelandswoningen
Per 1 januari is de wet plattelandswoning van kracht geworden. deze wet regelt enerzijds dat de milieunormen die van toepassing zijn op een bedrijfswoning bij een boerderij ook gelden wanneer deze agrarische woning wordt afgesplitst van de boerderij. Voor nabijgelegen bedrijven vindt dus geen aanscherping van de milieueisen plaats zoals normaal gesproken bij burgerwoningen het geval zou zijn. Voor door burgers bewoonde plattelandswoningen gelden dus dezelfde eisen voor luchtkwaliteit en geluid als voor boerenwoningen.
Daarnaast biedt de nieuwe wet de mogelijkheid aan gemeenten om in bestemmingsplannen de bestaande knelpunten op te lossen en om vooruitlopend op toekomstige ontwikkelingen te bepalen dat een agrarische bedrijfswoning door derden mag worden bewoond, zonder dat de nabijgelegen boerderij hierdoor (verder) wordt belemmerd. Daarbij dient de karakteristiek en de ontwikkeling van het platteland, de cultuurhistorische waarde van de bebouwing en van het landschap, de leefbaarheid van het platteland en de gezondheidsaspecten onder andere te worden betrokken. Gemeenten kunnen plattelandswoningen toestaan door deze als zodanig te bestemmen of door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan dan wel door een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Door een paraplubestemmingsplan vast te stellen kan de gemeente dit voor het gehele buitengebied binnen de gemeente regelen.
 
Activiteitenbesluit 
Staatscourant 2012, 21524
Bij besluit van 31 oktober, Stb. 2012, 558 wordt de werking van het Activiteitenbesluit verbreed. De wijziging beslaat de derde tranche van de tweede fase van het project ter modernisering van algemene regels, en brengt nog meer vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. In deze fase gaat het om activiteiten in de rubber- en kunststofverwerkende industrie, in de voedingsmiddelenindustrie, in schietinrichtingen (binnenschietbanen en paintballinrichtingen), in de betonindustrie, in de grafische industrie en inrichtingen voor onder meer het onderhouden, repareren en reinigen van spoorvoertuigen. Ook het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties gaat over naar het Activiteitenbesluit.
 
Besluit omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit 
Staatscourant 2012, 21373
Besluit van 13 oktober, Stb. 2012, 552 wijzigt het Besluit omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit en trekt vier algemene maatregelen van bestuur in. Ingetrokken worden het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (met ingang van 1 januari 2016), het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen, het Besluit verbranden afvalstoffen en het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.
Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting om 7 januari 2013 de Richtlijn industriële emissies te hebben geïmplementeerd. De nieuwe Richtlijn industriële emissies trekt zeven richtlijnen op het terrein van industriële emissies in en biedt verduidelijking en vereenvoudiging in termen en definities.

 
 
Natuur en milieunieuws
 
CBS en klimaatverandering
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat door klimaatverandering ook de populatie van veel dieren die nauwelijks last zouden moeten hebben van de verandering afneemt. Vooral koudeminnende dieren en 'neutrale' dieren vertrekken uit Nederland of gaan dood; warmteminnende dieren zijn juist aan een opmars bezig.
 
Biobrandstof en ILUC????
Het leek de Europese Commissie een prima idee. Met een bijmenging van 10 procent biobrandstof aan fossiele brandstoffen zou een flinke bijdrage aan de 'vergroening' van de Europese energievoorziening worden gebracht. De richtlijn voor biobrandstof (2009/28/EC) moest hier een flinke aanzet voor geven. Helaas bleek al gauw dat ILUC roet in het eten gooide.
ILUC, is een afkorting die verwijst naar ‘Indirect Land Use Change’. ILUC gaat over het gebruik van de landbouwgrond waar de voedselproductie is vervangen door de productie van biobrandstof.
Inmiddels zijn veel Europese boeren koolzaad en andere gewassen waaruit brandstof gemaakt kan worden gaan verbouwen. Omdat mensen niet minder gaan eten, moet er elders extra voedsel worden geproduceerd. Ook varkens- en pluimveehouders moeten hun veevoer nu uit andere landen halen. Er wordt meer Braziliaanse soja dan ooit geïmporteerd, waarvoor dan weer wel tropisch regenwoud moet worden gekapt. Als bossen worden gekapt, zorgt dat voor extra uitstoot van CO2 en daar is het klimaat dus helemaal niet mee gebaat. 
De Europese Commissie krijgt door dat er iets mis gaat, en besluit om de richtlijn te gaan aanpassen. Zie: http://www.ecofys.com/files/files/ecofys_2012_grandfathering%20iluc_02.pdf. De belangen van de biobrandstof industrie met een omzet van circa 17 miljard euro per jaar, staan daar nu echter wel aan in de weg. Ik betwijfel dan ook of er werkelijk serieuze aanpassingen verwacht mogen worden.
 
Historische verantwoordelijkheid voor broeikasgassen
Al in 1992 toen de 'United Nations Framework Convention on Climate Change' werd aangenomen werd op basis van de 'vervuiler betaalt' afgesproken dat de landen die in het verleden de meeste broeikasgassen hadden uitgestoot ook de grootste verantwoordelijk zouden dragen voor de reductie van die gassen. De zogenaamde 'historic responsibility'. Het idee was dat de geïndustrialiseerde landen meer zouden moeten bijdragen dan de ontwikkelingslanden.
Maar twintig jaar later bestaat er nog steeds geen consensus over de vraag hoe die 'historic responsibility' nou moet worden uitgelegd. Volgens Mathias Friman van de Universiteit van Linköping wordt het beginsel op twee manieren uitgelegd:
  • Aan de ene kant is er de proportionele verantwoordelijkheid, waarbij de landen die de meeste broeikasgassen hebben uitgestoten de grootste lasten dragen.
  • Aan de andere kant is er de morele verantwoordelijkheid, waarbij de landen met het grootste brutonationaal produkt het meest moeten bijdragen.
In beide gevallen wordt de grootste bijdrage van de geïndustrialiseerde landen verwacht. Bij de morele verantwoordelijkheid moeten echter ook de nieuwe economiën hun steentje bijdragen. Volgens Friman laait de discussie over de juiste uitleg de laatste tijd steeds meer op.