Jurisprudentie
Overgangsrecht en bevoegd gezag bij maatwerkvoorschriften
ABRvS 21 november 2012, nr. 201204164/1/A4 (Noordoostpolder)
Bij besluit van 3 januari 2012 heeft B&W maatwerkvoorschriften opgelegd ten aanzien van de geluidbelasting van een windmolenpark. Volgens appellanten was B&W op grond van het overgangsrecht hiertoe niet bevoegd.
De hoofdregel van het in art. 1.2 Invoeringswet Wabo opgenomen overgangsrecht is dat besluiten die onmiddellijk voor de
inwerkingtreding van de Wabo onherroepelijke rechtskracht hadden, worden
gelijkgesteld met een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 Wabo.
Was op 1 oktober 2010 (datum inwerkingtreding Wabo) nog geen sprake van
onherroepelijke rechtskracht, dan geldt in de regel dat op het desbetreffende
besluit het recht van toepassing blijft zoals dat gold vóór de inwerkingtreding
van de Wabo.
Op het moment dat de maatwerkvoorschriften door B&W werden opgelegd was er, volgens appellanten, nog geen
sprake van een onherroepelijke milieuvergunning voor het windmolenpark. Op dat
moment was gelet op het overgangsrecht dus het oude
recht van toepassing en onder vigeur van dat oude recht waren GS het bevoegde
gezag ten aanzien van de onderhavige milieuvergunning en volgens appellanten ook het bevoegd gezag voor de maatwerkvoorschriften. De Afdeling is echter van oordeel dat het overgangsrecht enkel ziet op de
milieuvergunningen en niet op de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te
stellen. Nu het stellen van maatwerkvoorschriften een afzonderlijk besluit is,
is volgens de Afdeling na inwerkingtreding van de Wabo B&W daartoe in het
onderhavige geval bevoegd.
Motivering verkeersbesluit
Rb Haarlem, 7 november 2012, nr. AWB 12/2120 (Waterland)
De motivering van een verkeersbesluit dient in ieder geval de doelstelling van
de maatregel te bevatten. Ter zitting heeft B&W toegelicht dat de
verlichting van de beperking van zwaar verkeer in de Dorpsstraat voortkomt uit
handhaafbaarheid. Een geslotenverklaring met uitzondering voor
bestemmingsverkeer was niet handhaafbaar. Met deze aanvulling ter zitting acht
de rechtbank het motiveringsgebrek hersteld. B&W heeft in redelijkheid tot
het besluit kunnen komen. Beroep is gegrond, en het besluit wordt vernietigd met
instandlating van de rechtsgevolgen.
Juridisch nieuws
Concepttekst Omgevingswet
De eerste, volledige concept-wetstekst van de Omgevingswet is op 28 februari verschenen. Deze toetsversie wordt voor formele consultatie voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg, Unie van Waterschappen en SKVV en aan toetsende instanties als Actal, Raad voor de Rechtspraak en het Planbureau voor de Leefomgeving. De toetsversie zal ook met onder meer het bedrijfsleven (VNO-NCW, MKB Nederland) en met natuur- en milieuorganisaties worden besproken.
De helft van de bouwaanvragen deugen niet
Uit onderzoek van de gemeente Eindhoven komt naar voren dat de helft van de bouwaanvragen niet correct was. Het ging dan bijvoorbeeld over het niet volledig inleveren van alle stukken, het ontbreken van gegevens van de hoofddraagconstructie, het niet voldoen aan het bestemmingsplan, tegenstrijdigheden in de tekeningen etc. Het betrof geen aanvragen van particulieren maar van architecten, ontwikkelaars en bouwers.
Inspectie Leefomgening en Transport
Rijkswaterstaat en de Inspectie Leefomgeving en Transport
(ILT) hebben per 1 januari 2013 een deel van de taken van Agentschap NL op het
gebied van milieu en leefomgeving overgenomen.
Rijkswaterstaat Leefomgeving krijgt alle taken op het
terrein van afval, bodem en ondergrond, broeikasgassen, F-gassenverordening,
gebiedsontwikkeling, klimaatbeleid, materialen, mobiliteit, openbare verlichting
en milieuwet- en regelgeving. Hieronder vallen ook de taken van het Landelijk
Meldpunt Afvalstoffen, Bodem+, Kenniscentrum InfoMil en Gemeente Schoon.
De ILT concentreert zich op
vergunningverlening voor de Europese Verordening betreffende de overbrenging van
afvalstoffen (EVOA) en het Besluit inzamelen Afvalstoffen (BIA) en
Productbesluiten Afval (PBA).
Intensieve veehouderij en volksgezondheid
Kamerstukken II 2012/13,
28 973, nr. 129
Met
Kamerstukken II 2012/13, 28 973, nr. 129 heeft de
Staatssecretaris van Economische Zaken het advies over de gezondheidsrisico's
rond intensieve veehouderijen aan de Tweede Kamer aangeboden, en aangegeven
mogelijk voor 1 maart 2013 een beleidsreactie te geven. Het advies is tot stand
gekomen vanwege toenemende maatschappelijke ongerustheid over de intensieve
veehouderij, onder meer door een uitbraak van de Q-koorts. Vervolgens is in
september 2011 advies gevraagd aan de Gezondheidsraad. Er is gevraagd om een
beoordelingskader en om advies over eventueel te stellen normen en te nemen
maatregelen wat betreft afstanden. Uit de samenvatting blijkt dat de commissie
adviseert om te werken met emissiegerelateerde minimumafstanden die niet alleen
zijn gebaseerd op geurafstand. Daarnaast zijn maatregelen om de emissie van
deeltjes uit stallen terug te dringen nuttig, zoals mogelijk is via luchtwassers
en via informatie over nieuwe vormen van bedrijfsvoering, bedrijfshygiëne en
verduurzaming.
De Wet plattelandswoningen
Per 1 januari is de wet plattelandswoning van kracht geworden. deze wet regelt enerzijds dat de milieunormen die van toepassing zijn op een bedrijfswoning bij een boerderij ook gelden wanneer deze agrarische woning wordt afgesplitst van de boerderij. Voor nabijgelegen bedrijven vindt dus geen aanscherping van de milieueisen plaats zoals normaal gesproken bij burgerwoningen het geval zou zijn. Voor door burgers bewoonde plattelandswoningen gelden dus dezelfde eisen voor luchtkwaliteit en geluid als voor boerenwoningen.
Daarnaast biedt de nieuwe wet de mogelijkheid aan gemeenten om in bestemmingsplannen de bestaande knelpunten op te lossen en om vooruitlopend op toekomstige ontwikkelingen te bepalen dat een agrarische bedrijfswoning door derden mag worden bewoond, zonder dat de nabijgelegen boerderij hierdoor (verder) wordt belemmerd. Daarbij dient de karakteristiek en de ontwikkeling van het platteland, de cultuurhistorische waarde van de bebouwing en van het landschap, de leefbaarheid van het platteland en de gezondheidsaspecten onder andere te worden betrokken. Gemeenten kunnen plattelandswoningen toestaan door deze als zodanig te bestemmen of door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan dan wel door een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Door een paraplubestemmingsplan vast te stellen kan de gemeente dit voor het gehele buitengebied binnen de gemeente regelen.
Activiteitenbesluit
Staatscourant 2012, 21524
Bij besluit van 31 oktober, Stb. 2012, 558 wordt de werking van
het Activiteitenbesluit verbreed. De wijziging beslaat de derde tranche van de
tweede fase van het project ter modernisering van algemene regels, en brengt nog
meer vergunningplichtige activiteiten onder de werking van het
Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. In deze fase gaat het om
activiteiten in de rubber- en kunststofverwerkende industrie, in de
voedingsmiddelenindustrie, in schietinrichtingen (binnenschietbanen en
paintballinrichtingen), in de betonindustrie, in de grafische industrie en
inrichtingen voor onder meer het onderhouden, repareren en reinigen van
spoorvoertuigen. Ook het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties
gaat over naar het Activiteitenbesluit.
Besluit omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit
Staatscourant 2012, 21373
Besluit van 13 oktober, Stb. 2012, 552 wijzigt het Besluit
omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit en trekt vier algemene maatregelen van
bestuur in. Ingetrokken worden het Besluit emissie-eisen stookinstallaties
milieubeheer A (met ingang van 1 januari 2016), het Besluit emissie-eisen
titaandioxide-inrichtingen, het Besluit verbranden afvalstoffen en het
Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer.
Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting om 7
januari 2013 de Richtlijn industriële emissies te hebben geïmplementeerd. De
nieuwe Richtlijn industriële emissies trekt zeven richtlijnen op het terrein van
industriële emissies in en biedt verduidelijking en vereenvoudiging in termen en
definities.
Natuur en milieunieuws
CBS en klimaatverandering
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat door klimaatverandering ook de populatie van veel dieren die nauwelijks last zouden moeten hebben van de verandering afneemt. Vooral koudeminnende dieren en 'neutrale' dieren vertrekken uit Nederland of gaan dood; warmteminnende dieren zijn juist aan een opmars bezig.
Biobrandstof en ILUC????
Het leek de Europese Commissie een prima idee. Met een bijmenging van 10 procent biobrandstof aan fossiele brandstoffen zou een flinke bijdrage aan de 'vergroening' van de Europese energievoorziening worden gebracht. De richtlijn voor biobrandstof (2009/28/EC) moest hier een flinke aanzet voor geven. Helaas bleek al gauw dat ILUC roet in het eten gooide.
ILUC, is een afkorting die verwijst naar ‘Indirect Land Use Change’. ILUC gaat over het gebruik van de landbouwgrond waar de voedselproductie is vervangen door de productie van biobrandstof.
Inmiddels zijn veel Europese boeren koolzaad en andere gewassen waaruit brandstof gemaakt kan worden gaan verbouwen. Omdat mensen niet minder gaan eten, moet er elders extra voedsel worden geproduceerd. Ook varkens- en pluimveehouders moeten hun veevoer nu uit andere landen halen. Er wordt meer Braziliaanse soja dan ooit geïmporteerd, waarvoor dan weer wel tropisch regenwoud moet worden gekapt. Als bossen worden gekapt, zorgt dat voor extra uitstoot van CO2 en daar is het klimaat dus helemaal niet mee gebaat.
De Europese Commissie krijgt door dat er iets mis gaat, en besluit om de richtlijn te gaan aanpassen. Zie: http://www.ecofys.com/files/files/ecofys_2012_grandfathering%20iluc_02.pdf. De belangen van de biobrandstof industrie met een omzet van circa 17 miljard euro per jaar, staan daar nu echter wel aan in de weg. Ik betwijfel dan ook of er werkelijk serieuze aanpassingen verwacht mogen worden.
Historische verantwoordelijkheid voor broeikasgassen
Al in 1992 toen de 'United Nations Framework Convention on Climate Change' werd aangenomen werd op basis van de 'vervuiler betaalt' afgesproken dat de landen die in het verleden de meeste broeikasgassen hadden uitgestoot ook de grootste verantwoordelijk zouden dragen voor de reductie van die gassen. De zogenaamde 'historic responsibility'. Het idee was dat de geïndustrialiseerde landen meer zouden moeten bijdragen dan de ontwikkelingslanden.
Maar twintig jaar later bestaat er nog steeds geen consensus over de vraag hoe die 'historic responsibility' nou moet worden uitgelegd. Volgens Mathias Friman van de Universiteit van Linköping wordt het beginsel op twee manieren uitgelegd:
Aan de ene kant is er de proportionele verantwoordelijkheid, waarbij de landen die de meeste broeikasgassen hebben uitgestoten de grootste lasten dragen.
Aan de andere kant is er de morele verantwoordelijkheid, waarbij de landen met het grootste brutonationaal produkt het meest moeten bijdragen.
In beide gevallen wordt de grootste bijdrage van de geïndustrialiseerde landen verwacht. Bij de morele verantwoordelijkheid moeten echter ook de nieuwe economiën hun steentje bijdragen. Volgens Friman laait de discussie over de juiste uitleg de laatste tijd steeds meer op.