maandag 18 november 2013

HOE VER MOET JE GAAN OM EEN ZORGVULDIGHEIDSGEBREK TE BEWIJZEN?


Zorgvuldig onderzoek behoort aan de basis te liggen van ieder overheidsbesluit. Berust een besluit niet op een zorgvuldig onderzoek dan is er al gauw sprake van strijd met het formele zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb.
Maar wat nu als uit het door het bestuursorgaan verrichte onderzoek niet onomstotelijk blijkt dat een besluit géén schadelijke gevolgen heeft voor bij het besluit betrokken (rechts)personen? Een denkbare benadering is: bij twijfel niet doen. Die redenering komt bijvoorbeeld voor in artikel 19g van de natuurbeschermingswet1998 als het gaat om zogenoemde ‘significante nadelige effecten’ die een activiteit op een natuurgebied kan hebben. Een consequentie die door het Europese recht dwingend wordt opgelegd (zie bijvoorbeeld: HvJ EG 7 september 2004, zaak nr. C-127/02 (Kokkelvisserij). In het Nederlandse bestuursrecht wordt echter voor een andere benadering gekozen. Zolang de schadelijke gevolgen van een activiteit niet zijn aangetoond, zijn ze toegestaan (zie bijvoorbeeld: ABRvS 10 juli 2013, ECLI: NL: RVS: 2013: 299 (Winterswijk).
Het gaat niet zover dat onomstotelijk bewezen moet worden dat er sprake is van schadelijke effecten. Het is genoeg als de schadelijke effecten van de activiteit voldoende aannemelijk worden gemaakt. Maar dat voldoende aannemelijk maken is nog niet zo makkelijk. Een en ander moet namelijk aan de hand van ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’ gebeuren.
Wanneer is er nu sprake van zo’n algemeen aanvaard wetenschappelijk inzicht? Uit bovengenoemde uitspraak van de Raad van State blijkt dat een enkel op eigen kosten opgesteld wetenschappelijke onderzoek niet voldoende is. Er moet sprake zijn van in de wetenschappelijke wereld ‘algemeen aanvaarde inzichten’. Dat wil zeggen een hele reeks onderzoeken waarop in de wetenschappelijke wereld geen noemenswaardige kritiek wordt geleverd. Dat is zelfs voor de meest kapitaalkrachtige appellant een brug te ver. Het verkrijgen van ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’ vereist een aanzienlijke investering in deskundige expertise. De kosten van een deskundige kunnen onder omstandigheden weliswaar voor vergoeding in aanmerking komen (artikel 8:75 Awb). Maar als een dergelijke vergoeding al door de bestuursrechter wordt toegekend (wat maar zelden gebeurt), dan zal deze bij lange na niet kostendekkend zijn. Dat is voor iedere normale appellant een onoverkomelijke hindernis.
Dat bestuursorganen het uitblijven van schadelijke gevolgen van een besluit in de voorbereiding van de besluitvorming niet onomstotelijk hoeven aan te tonen, is één. Maar dat vervolgens op de appellant de plicht wordt gelegd om op basis van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten het ongelijk van het bestuursorgaan aan te tonen, gaat veel te ver.