maandag 17 augustus 2015

VERZOEK OM PLANSCHADE

Planschade is de waardevermindering van een onroerend goed ten gevolge van een bestemmingswijziging. Dit kan het gevolg zijn van een wijziging of vrijstelling van het bestemmingsplan of een ander planologisch besluit. Met het uitvoeren van een bouwplan kan bijvoorbeeld het uitzicht vanuit een woning verslechteren, de privacy worden aangetast of geluidhinder toenemen door de verbreding van een weg. Al dit soort veranderingen kunnen tot een waardevermindering van een bestaand pand of een stuk grond leiden.

Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen directe en indirecte planschade. Directe planschade is de schade die iemand lijdt doordat de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op zijn eigen perceel worden beperkt. Van indirecte planschade is sprake als een bestemmingsplan waardedrukkende ontwikkelingen in de omgeving mogelijk maakt. Als het landelijke weggetje voor uw deur bijvoorbeeld wordt veranderd in een drukke randweg.

Op grond van artikel 6.1 van de Wet Ruimtelijke ordening kan bij bepaalde planologische besluiten een verzoek tot planschadevergoeding door de overheid worden gehonoreerd. Het eerste lid van artikel 6.1 bepaalt dat alleen vergoeding voor planschade kan worden verkregen als deze schade bestaat uit een waardevermindering van een onroerende zaak, of als de planologische verandering tot een inkomensderving leidt. Het moet wel gaan om een zodanige schade dat die in redelijkheid niet door de burger kan worden gedragen en de schade moet op het moment van aankoop van het onroerend goed niet voorzienbaar zijn geweest. Een schade van twee procent van de waarde van het onroerende goed wordt geacht onder het normale maatschappelijk risico te vallen. Wat de voorzienbaarheid betreft wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve risicoaanvaarding. Van actieve risicoaanvaarding wordt bijvoorbeeld gesproken als er bij de aankoop van een onroerend goed in de structuurvisie al in een mogelijk schadeveroorzakende bestemming is voorzien. Van passieve risicoaanvaarding is bijvoorbeeld sprake als gedurende langere tijd geen gebruik wordt gemaakt van de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsmogelijkheden van een perceel.
Het tweede lid geeft een limitatieve opsomming van de besluiten als gevolg waarvan de planschade moet zijn ontstaan. Alleen bij deze besluiten is het mogelijk om een tegemoetkoming voor de schade te krijgen. Het gaat daarbij om:
  •  Een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan;
  • Een wijziging van een bestemmingsplan krachtens artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wet Ruimtelijke ordening;
  •  Een besluit aangaande een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder b, c of g van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • De aanhouding van een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.3 of 3.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
  • Een bepaling uit een provinciale verordening zoals bedoeld in artikel 4.1 Wet Ruimtelijke ordening of een algemene maatregel van bestuur zoals bedoeld in artikel 4.3 van deze wet;
  • Een bepaling uit een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, Wet Ruimtelijke ordening;
  • Een koninklijk besluit ten behoeve van de landsverdediging.        
Het bevoegd gezag van het besluit is ook het gezag dat bevoegd is om te beslissen op een verzoek om planschade. Doorgaans zal dat dus het college van burgemeester en wethouders zijn. Veel gemeenten hebben hier een speciaal formulier voor opgesteld. Over een verzoek wordt wel leges geheven. Het bedrag wordt na een positief besluit echter weer teruggestort. Een verzoek om planschade kan niet eerder worden ingediend dan nadat het betreffende planologische besluit onherroepelijk is geworden. Dat wil zeggen dat er geen bezwaar- en beroepsmogelijkheden meer tegen open mogen staan. Bovendien moet het verzoek binnen vijf jaar nadat het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden worden ingediend.

In het verzoek om een tegemoetkoming voor planschade moet op grond van artikel 6.1, derde lid, van de Wet Ruimtelijke ordening gemotiveerd worden aangegeven om wat voor schade het gaat en wat de hoogte van die schade is.