maandag 26 januari 2015
DUIDELIJKHEID OVER MELDINGSTELSTEL
Op 14 januari 2015 heeft de grote kamer van de Afdeling in twee uitspraken (201304895/1 en 201303069/1) meer duidelijkheid gegeven over het meldingstelsel. De Afdeling heeft in genoemde uitspraken bepaald dat de weigering om een melding te accepteren een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Tevens stelt de Afdeling dat niet alleen een instemming binnen de wettelijke termijn een formeel besluit is, maar ook een instemming na afloop van de gestelde termijn wordt als zodanig aangemerkt.Tegen een dergelijk besluit kan bezwaar en beroep worden ingesteld. Als het bevoegd gezag niet binnen de voorgeschreven termijn weigert wordt zij geacht automatisch te hebben ingestemd met de melding. Een weigering na afloop van de termijn heeft geen rechtsgevolg. Er is dan immers al sprake is van een instemming van rechtswege.
De instemming of weigering van een melding wordt meestal niet gepubliceerd en alleen bekend gemaakt door verzending van het besluit aan de melder. Ook besluiten van rechtswege worden doorgaans niet gepubliceerd. Daardoor is het onduidelijk of anderen ook op de hoogte zijn van de inhoud van het besluit. De Afdeling geeft in overweging om de instemming met de melding, de weigering van de melding, en de instemming van rechtswege voortaan toch te publiceren. Dit om te voorkomen dat achteraf op een onverwacht moment alsnog bezwaar en beroep kan worden aangetekend.
DUURZAAMHEIDSEISEN VOOR VEEHOUDERIJEN HOREN NIET IN EEN BESTEMMINGSPLAN
Volgens de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (201308140) horen duurzaamheidseisen voor veehouderijen niet thuis in een bestemmingsplan. In het onderhavige bestemmingsplan was voor iedere intensieve veehouderij de bestaande oppervlakte opgenomen. Intensieve veehouderijbebouwing was uitsluitend toegestaan tot maximaal de bestaande oppervlakte. Deze oppervlakte kon op grond van een wijzigingsbevoegdheid door het college van burgemeester en wethouders enkel onder voorwaarden worden vergroot. Een van deze voorwaarden was dat de nieuwe stallen minimaal moesten voldoen aan de voorwaarden uit het zogenoemde certificeringssysteem Maatlat Duurzame Veehouderij.
De Afdeling stelt dat een bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening weliswaar aanvullende regels kan stellen, maar dat deze regels ruimtelijk relevant dienen te zijn en niet in strijd met sectorale regelgeving mogen zijn, Naar het oordeel van de Afdeling hebben de voorwaarden die in de Maatlat Duurzame Veehouderij worden gesteld ook betrekking op aspecten die niet ruimtelijk relevant zijn. De Afdeling verwijst daarbij naar de voorwaarden ten aanzien van het energieverbruik en de omgevingsgerichtheid. Daarnaast bestaat de Maatlat uit een zeer groot aantal, zeer gedetailleerde voorwaarden waaraan stallen moeten voldoen. Gelet daarop heeft de Afdeling geoordeeld dat de Maatlat zich niet leent voor de door de gemeenteraad gekozen toepassing via een wijzigingsvoorwaarde. De planregel is naar het oordeel van de Afdeling dan ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
De Afdeling stelt dat een bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening weliswaar aanvullende regels kan stellen, maar dat deze regels ruimtelijk relevant dienen te zijn en niet in strijd met sectorale regelgeving mogen zijn, Naar het oordeel van de Afdeling hebben de voorwaarden die in de Maatlat Duurzame Veehouderij worden gesteld ook betrekking op aspecten die niet ruimtelijk relevant zijn. De Afdeling verwijst daarbij naar de voorwaarden ten aanzien van het energieverbruik en de omgevingsgerichtheid. Daarnaast bestaat de Maatlat uit een zeer groot aantal, zeer gedetailleerde voorwaarden waaraan stallen moeten voldoen. Gelet daarop heeft de Afdeling geoordeeld dat de Maatlat zich niet leent voor de door de gemeenteraad gekozen toepassing via een wijzigingsvoorwaarde. De planregel is naar het oordeel van de Afdeling dan ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
Deze uitspraak blijft niet zonder gevolgen. Er zijn veel gemeenten en provincies die in hun beleid (bestemmingsplan respectievelijk provinciale verordening) duurzaamheidseisen stellen aan veehouderijen. Denk bijvoorbeeld aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij, voorgeschreven in de Provinciale Verordening 2014, en het Groninger Verdienmodel. Het is nu nog maar zeer de vraag of deze stand zullen kunnen houden bij de Afdeling.
dinsdag 6 januari 2015
ANTWOORD PREJUDICIËLE VRAGEN A2 DOODSTEEK VOOR DE PAS
Prejudiciële vragen
Op 15 mei 2014 heeft het Europese Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de wegverbreding van de Rijksweg A2. Het gaat hierbij om het verschil tussen zogenoemde mitigerende en compenserende maatregelen. Een verschil waarover naar mijn mening niet veel discussie kan bestaan. Ook het Hof lijkt die mening te zijn toegedaan want het heeft maar weinig woorden nodig om de vragen te beantwoorden. Dit neemt echter niet weg dat het antwoord belangrijke gevolgen voor het Nederlandse omgevingsrecht zal hebben.
Het Hof overweegt kortaf dat de door de minister voorgestelde maatregel van het ontwikkelen van een nieuw natuurgebied er niet toe strekt om de significante gevolgen van het tracéproject Rijksweg A2 op de Natura 2000-gebieden te voorkomen of te verminderen. De maatregel is duidelijk gericht op het compenseren van die gevolgen. Onder die omstandigheden kan de maatregel niet garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Ten overvloede wijst het Hof er nog op dat eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuw natuurgebied in de regel onzeker zijn. Ten slotte stelt het Hof dat vermeden moet worden dat de bevoegde nationale instantie via zogenoemde 'mitigerende' maatregelen die in werkelijkheid compenserende maatregelen zijn, de natuurbeschermingsprocedures ontwijkt.
Door compenserende maatregelen mitigerende maatregelen te noemen probeert de minister voor elkaar te krijgen dat kan worden volstaan met de zogenoemde 'passende beoordeling' van artikel 19f van de Natuurbeschermingswet 1998. De mitigerende maatregel die in werkelijkheid compenserend is zorgt er dan immers voor dat er formeel geen sprake is van de aantasting van een natuurgebied, waardoor het project doorgang kan vinden zonder dat een zogenoemd ADC-onderzoek noodzakelijk is.
De ADC-toets
Wanneer uit een 'passende beoordeling' blijkt dat de aantasting van een Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten dient het project in principe te worden afgewezen. Alleen projecten met een groot nationaal maatschappelijk belang kunnen dan nog doorgang vinden. Om dit mogelijk te maken moet wel eerst een ADC-toetst worden doorlopen (artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn). De ADC-toets houdt een beoordeling in waarbij eerst gekeken wordt of er Alternatieve oplossingen mogelijk zijn. Als er geen alternatief mogelijk is moet er gekeken worden of er een Dwingende reden van groot openbaar belang aanwezig is. Het kan daarbij ook gaan om redenen van economische en sociale aard. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een groot havenproject als de Tweede Maasvlakte. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan kan het project doorgang vinden, maar er dienen nog wel Compenserende maatregelen te worden genomen om de schadelijke gevolgen voor het Natura 2000-gebied te compenseren.
Gevolgen voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)
Het Hof stelt dat er geen wetenschappelijke twijfel mag bestaan over het succes van de voorgestelde mitigerende maatregel. Dit standpunt zorgt er voor dat er niet snel sprake zal zijn van een mitigerende maatregel die bij de 'passende beoordeling' mag worden betrokken. Als bij die beoordeling negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten wordt een ADC-toets al snel verplicht. Dit heeft desastreuze gevolgen voor de PAS.
De PAS is een maatregelenprogramma dat er voor moet zorgen dat de vastgelopen vergunningverlening voor nieuwe activiteiten in de buurt van Natura 2000-gebieden weer op gang komt. De Vogel- en Habitatrichtlijnen maken het in het met veehouderijen overbevolkte Nederland voor die veehouderijen moeilijk om in de buurt van een Natura 2000-gebied verder uit te breiden. De Nederlandse regering vond dit onwenselijk en besloot daarom om de PAS in het leven te roepen. De PAS zou met mitigerende maatregelen ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen moeten scheppen. Maatregelen als het gebruik van ander voer en het afgraven van de stikstofrijke bovenlaag van de grond zouden nieuwvestiging en uitbreiding van de door de Europese regelgeving beperkte veehouderijen mogelijk moeten maken. De maatregelen zien voor een belangrijk deel op het herstel van al aangerichte schade en op een toekomstige, maar nergens verzekerde, verlaging van de stikstof uitstoot. Het gaat hierbij dus vooral om onzekere compenserende en dan ook nog eens in de toekomst gelegen maatregelen. Dezelfde wisseltruc als bij de A2 lijkt ook hier te zijn toegepast. Door compenserende maatregelen, mitigerend te noemen hoopt de regering de ADC-toets te kunnen vermijden.
Het is dus maar zeer de vraag of dergelijke maatregelen na het antwoord van het Hof nog wel het bedoelde effect kunnen hebben. Het Hof zegt immers expliciet dat toekomstige en daardoor onzekere positieve effecten niet als mitigerend kunnen worden aangemerkt. De uitspraak van het Hof betekent derhalve dat een belangrijk deel van de PAS-maatregelen als compenserend in plaats van als mitigerend moeten worden aangemerkt. Dan komt al gauw de ADC-toets weer om de hoek kijken. De uitbreiding of vestiging van een veehouderij kan echter moeilijk als een dwingende reden van groot openbaar belang worden aangemerkt. Het begrip 'dwingende reden' is weliswaar nog niet volledig uitgekristalliseerd, maar het is in elk geval wel duidelijk dat het moet gaan om een groot project van nationaal belang. Een veehouderij die in de buurt van een Natura 2000 gebied zijn bedrijf wil uitbreiden zal daar geen vergunning voor kunnen krijgen. Daarmee wordt de bedoeling van de PAS ondergraven en lijkt het zelfs zo goed als onmogelijk geworden om de door de regering zo gewenste ontwikkelingsruimte nog te kunnen creëren.
Op 15 mei 2014 heeft het Europese Hof van Justitie antwoord gegeven op prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de wegverbreding van de Rijksweg A2. Het gaat hierbij om het verschil tussen zogenoemde mitigerende en compenserende maatregelen. Een verschil waarover naar mijn mening niet veel discussie kan bestaan. Ook het Hof lijkt die mening te zijn toegedaan want het heeft maar weinig woorden nodig om de vragen te beantwoorden. Dit neemt echter niet weg dat het antwoord belangrijke gevolgen voor het Nederlandse omgevingsrecht zal hebben.
Het Hof overweegt kortaf dat de door de minister voorgestelde maatregel van het ontwikkelen van een nieuw natuurgebied er niet toe strekt om de significante gevolgen van het tracéproject Rijksweg A2 op de Natura 2000-gebieden te voorkomen of te verminderen. De maatregel is duidelijk gericht op het compenseren van die gevolgen. Onder die omstandigheden kan de maatregel niet garanderen dat het project de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Ten overvloede wijst het Hof er nog op dat eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuw natuurgebied in de regel onzeker zijn. Ten slotte stelt het Hof dat vermeden moet worden dat de bevoegde nationale instantie via zogenoemde 'mitigerende' maatregelen die in werkelijkheid compenserende maatregelen zijn, de natuurbeschermingsprocedures ontwijkt.
Door compenserende maatregelen mitigerende maatregelen te noemen probeert de minister voor elkaar te krijgen dat kan worden volstaan met de zogenoemde 'passende beoordeling' van artikel 19f van de Natuurbeschermingswet 1998. De mitigerende maatregel die in werkelijkheid compenserend is zorgt er dan immers voor dat er formeel geen sprake is van de aantasting van een natuurgebied, waardoor het project doorgang kan vinden zonder dat een zogenoemd ADC-onderzoek noodzakelijk is.
De ADC-toets
Wanneer uit een 'passende beoordeling' blijkt dat de aantasting van een Natura 2000-gebied niet kan worden uitgesloten dient het project in principe te worden afgewezen. Alleen projecten met een groot nationaal maatschappelijk belang kunnen dan nog doorgang vinden. Om dit mogelijk te maken moet wel eerst een ADC-toetst worden doorlopen (artikel 6, vierde lid, Habitatrichtlijn). De ADC-toets houdt een beoordeling in waarbij eerst gekeken wordt of er Alternatieve oplossingen mogelijk zijn. Als er geen alternatief mogelijk is moet er gekeken worden of er een Dwingende reden van groot openbaar belang aanwezig is. Het kan daarbij ook gaan om redenen van economische en sociale aard. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan een groot havenproject als de Tweede Maasvlakte. Als aan deze twee voorwaarden is voldaan kan het project doorgang vinden, maar er dienen nog wel Compenserende maatregelen te worden genomen om de schadelijke gevolgen voor het Natura 2000-gebied te compenseren.
Gevolgen voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS)
Het Hof stelt dat er geen wetenschappelijke twijfel mag bestaan over het succes van de voorgestelde mitigerende maatregel. Dit standpunt zorgt er voor dat er niet snel sprake zal zijn van een mitigerende maatregel die bij de 'passende beoordeling' mag worden betrokken. Als bij die beoordeling negatieve gevolgen niet kunnen worden uitgesloten wordt een ADC-toets al snel verplicht. Dit heeft desastreuze gevolgen voor de PAS.
De PAS is een maatregelenprogramma dat er voor moet zorgen dat de vastgelopen vergunningverlening voor nieuwe activiteiten in de buurt van Natura 2000-gebieden weer op gang komt. De Vogel- en Habitatrichtlijnen maken het in het met veehouderijen overbevolkte Nederland voor die veehouderijen moeilijk om in de buurt van een Natura 2000-gebied verder uit te breiden. De Nederlandse regering vond dit onwenselijk en besloot daarom om de PAS in het leven te roepen. De PAS zou met mitigerende maatregelen ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen moeten scheppen. Maatregelen als het gebruik van ander voer en het afgraven van de stikstofrijke bovenlaag van de grond zouden nieuwvestiging en uitbreiding van de door de Europese regelgeving beperkte veehouderijen mogelijk moeten maken. De maatregelen zien voor een belangrijk deel op het herstel van al aangerichte schade en op een toekomstige, maar nergens verzekerde, verlaging van de stikstof uitstoot. Het gaat hierbij dus vooral om onzekere compenserende en dan ook nog eens in de toekomst gelegen maatregelen. Dezelfde wisseltruc als bij de A2 lijkt ook hier te zijn toegepast. Door compenserende maatregelen, mitigerend te noemen hoopt de regering de ADC-toets te kunnen vermijden.
Het is dus maar zeer de vraag of dergelijke maatregelen na het antwoord van het Hof nog wel het bedoelde effect kunnen hebben. Het Hof zegt immers expliciet dat toekomstige en daardoor onzekere positieve effecten niet als mitigerend kunnen worden aangemerkt. De uitspraak van het Hof betekent derhalve dat een belangrijk deel van de PAS-maatregelen als compenserend in plaats van als mitigerend moeten worden aangemerkt. Dan komt al gauw de ADC-toets weer om de hoek kijken. De uitbreiding of vestiging van een veehouderij kan echter moeilijk als een dwingende reden van groot openbaar belang worden aangemerkt. Het begrip 'dwingende reden' is weliswaar nog niet volledig uitgekristalliseerd, maar het is in elk geval wel duidelijk dat het moet gaan om een groot project van nationaal belang. Een veehouderij die in de buurt van een Natura 2000 gebied zijn bedrijf wil uitbreiden zal daar geen vergunning voor kunnen krijgen. Daarmee wordt de bedoeling van de PAS ondergraven en lijkt het zelfs zo goed als onmogelijk geworden om de door de regering zo gewenste ontwikkelingsruimte nog te kunnen creëren.
Abonneren op:
Reacties (Atom)