JURIDISCH NIEUWS
Uitbreiding toepassingsbereik OBM
Op 1 januari 2013 is het toepassingsbereik van de zogenaamde ‘Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets’ (OBM) behoorlijk uitgebreid. Door de introductie van de OBM moeten bedrijven voor bepaalde activiteiten een melding Activiteitenbesluit doen èn een Omgevingsvergunning beperkte milieutoets aanvragen bij het bevoegd gezag. Het is de bedoeling van de OBM dat het bevoegd gezag vooraf instemt met het van start
gaan van een bepaalde activiteit. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan
de OBM verbinden (artikel 5.13a Bor).Een OBM moet worden aangevraagd voor activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is en voor activiteiten waarvoor een lokale toetst moet worden uitgevoerd. Het is niet altijd even duidelijk aan welke criteria moet worden getoetst in het geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling (art. 2.2a, lid 1 Bor) verplicht is. Het woord ‘vormvrij’ in artikel 2.2a, lid 1 Bor laat wel wat ruimte aan het bevoegd gezag. De ruimte kan zij ruim opvatten (door een uitgebreide m.e.r-toets uit te voeren) maar ook beperkt. Om een goede beoordeling conform artikel 2.2a, lid 1 Bor te maken dienen de voorgenomen activiteiten van de aanvrager getoetst te worden aan bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Wat trouwens ook het toetsingskader voor de reguliere m.e.r.-beoordelingen is.
Landbouwbedrijven en het Activiteitenbesluit
Sinds 1 januari vallen alle agrarische bedrijven onder het Activiteitenbesluit. De verplichting voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo volgt voor agrarische inrichtingen onder meer uit categorie 8.3 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor. Artikel II E van het wijzigingsbesluit past deze categorie aan, waardoor voor minder agrarische inrichtingen een dergelijke omgevingsvergunning nodig is.Veel bedrijven vallen in hun geheel onder het Activiteitenbesluit (type B-bedrijven). Zij hebben geen omgevingsvergunning milieu meer nodig. Een aantal bedrijven, zoals IPPC-bedrijven, heeft naast het Activiteitenbesluit nog wel een omgevingsvergunning milieu nodig (type C-bedrijven).
Voor een aantal agrarische activiteiten is eerst een OBM vereist voordat de algemene regels van toepassing zijn. Dit zijn activiteiten die op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo zijn aangewezen in artikel 2.2a van het Bor. De OBM wordt onder meer geweigerd indien het bevoegd gezag oordeelt dat er een milieueffectrapportage gemaakt moet worden. Deze weigeringsgrond staat in artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor. In dat geval vervalt de plicht voor een OBM en moet een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, worden aangevraagd. Als de OBM wordt verleend, zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing.
Nieuwe windmolenparken
Het kabinet heeft in overleg met de provincies elf nieuwe plaatsen aangewezen waar windmolenparken met een vermogen van meer dan 100 megawat mogen worden gebouwd. Het gaat onderandere om de Eemshaven, Delfzijl, de N33 (van Assen naar Delfzijl), de Drenthse Veenkoloniëen, Wieringermeer, Flevoland en de Rotterdamse haven. Later dit jaar worden de locaties voor kleinere parken aangewezen. Uiteindelijk moeten alle windmolenparken samen een vermogen van 6.000 megawat gaan leveren
JURISPRUDENTIE
201206468/1/A1 27 maart 2013 Apeldoorn
Onbevoegde invordering van dwangsommen blijft een besluit
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd omdat de Vierde Tranche Awb niet op het besluit van toepassing was. Volgens de Afdeling was er wel degelijk een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 Awb omdat het college gepretendeerd heeft een invorderingsbeschikking te nemen en dus beoogd heeft een rechtsgevolg in het leven te roepen én omdat het college de invorderingsbeschikking, ook nadat het de verbeurde dwangsom volgens het oude recht was gaan invorderen, gewoon in stand had gelaten.
20113207/1/A4 20 maart 2013 Deurne
Beoordeling geur en ammoniak bij mestverwerkingsbedrijven
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij volgt dat die wetten niet bedoeld zijn voor de beoordeling van geur respectievelijk ammoniak afkomstig van mestverwerkingsbedrijven. Ook de wettekst van beide wetten zelf heeft enkel betrekking op geur en ammoniak afkomstig van dierverblijven in veehouderijen. Het was tot nu toe dan ook bestendige jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak om de beoordeling van geur en ammoniak van mestverwerkingsbedrijven níet te beoordelen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij. In onderhavige uitspraak lijkt de Afdeling echter om te gaan. De Afdeling zegt hier dat appellanten in dit verband tevergeefs wijzen op artikel 2 van de Wgv. Het college heeft terecht gesteld dat uit dat artikel slechts volgt dat de Wgv een verplicht toetsingskader is, indien het gaat ome en veehouderij. Uit dat artikel volgt niet dat bij de Wgv niet kan worden aangesloten bij andere inrichtingen dan veehouderijen. De verwijzing naar de memorie van toelichting en de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2011 in zaak nr. 201004415/1/M2 leiden niet tot een ander oordeel. Er wordt jammer genoeg geen motivering gegeven waarom de Afdeling omgaat. Het zou dus nog steeds een vergissing kunnen zijn.
NATUUR EN MILIEU NIEUWS
Fossielebrandstoffen: afschrijvingen en subsidiesOm de doelstelling van een maximale temperatuurstijging van twee graden te halen zou er nauwelijks nog extra CO2 in de atmosfeer terecht mogen komen. Om dat werkelijk te halen moeten olie- en mijnbouwbedrijven het grootste deel van hun fossiele voorraden in de grond laten zitten. Het Internationaal Energie Agentschap en de milieuorganisatie "Carbon Tracker" stelt dat hooguit 20% van de nu bekende en winbare voorraad fossiele brandstoffen ook echt mag worden gebruikt als we de twee graden norm werkelijk zouden willen halen.
Dit zou betekenen dat oliemaatschappijen en kolenmijnbouwbedrijven miljarden zouden moeten afschrijven omdat ze hun beschikbare voorraden niet zouden mogen delven. Omdat de waarde van die bedrijven sterk gerelateerd is aan hun voorraden winbare brandstof zouden bedrijven als Shell en Esso zo'n 80% van hun huidige verliezen.
Er wordt nog steeds op grote schaal naar nieuwe fossiele brandstoffen gezocht. Het lijkt me dan ook niet zo waarschijnlijk dat bedoelde bedrijven dergelijke afschrijving op hun waarde zullen gaan door voeren. Dat zegt natuurlijk ook iets over het realiteitsgehalte van de maximaal toegestane twee graden opwarming.
Tegelijkertijd roept het IMF in een nieuw rapport op om de subsidies voor fossielebrandstoffen af te schaffen. Volgens het IMF worden jaarlijks voor $490 miljard aan directe subsidie en voor $1900 miljard indirecte subsidie aan de olie- en kolenproducenten uitgekeerd. Vooral veel ontwikkelingslanden geven directe subsidies, maar de VS zijn met jaarlijkse indirecte subsidies van $500 miljard de absolute topsponsor. De afschaffing van de subsidies zou meteen resulteren in een daling van 13% van de CO2 uitstoot.
Worden de koude winters in Noordwest Europa veroorzaakt door de opwarming?
Volgens het Potsdam-Institut für Klimatfolgenforschung (http://www.pik-potsdam.de/aktuelles/pressemitteilungen) worden de koude Europese winters van de laatste paar jaar veroorzaakt door de opwarming van de aarde. Door de hogere temperaturen smelt de ijskap. De donkere zee absorbeert de warmte van het zonlicht veel beter dan de oude ijskap die het zonlicht weerkaatste. In de herfst wordt die warmte vrijgegeven waardoor een hogedrukgebied ontstaat. Dit hoge drukgebied blokkeert de zogenaamde 'polar vortex', een krachtige wind die normaalgesproken rond de Noordpool cirkelt. Daardoor kan koude poollucht ongehinderd naar het zuiden en dus naar Europa toestromen. Het lijkt erop dat we door de opwarming van de aarde nog meer koude winters kunnen verwachten.
