vrijdag 31 augustus 2012


KOFFIEHUIS ZEELAND (ABRVS, nr. 201010089/1/T1/A4, 29 februari 2012)

Deze tussenuitspraak is interessant, omdat de Afdeling daarin – voor toekomstige gevallen – een procesregel formuleert over het inbrengen van nieuwe beroepsgronden. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoel in art. 6:6 Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daar niet tegen verzet, is in het algemeen bepalend:
·         een afweging van de proceseconomie;
·         de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd;
·         de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en
·         de processuele belangen van de partijen over en weer.
Nu de nieuwe beroepsgrond eerst na het uitbrengen van het deskundigenbericht is ingediend, zodat de deskundige er in zijn deskundigenbericht niet op heeft kunnen ingaan, en niet aannemelijk is geworden dat deze beroepsgrond niet eerder had kunnen worden ingediend, brengt een afweging van de proceseconomie en de processuele belangen over en weer mee dat het indienen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. De Afdeling voegt hieraan nog toe dat zij voortaan het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat de Afdeling de StAB heeft verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, in strijd met de goede procesorde zal achten.

maandag 27 augustus 2012


ADVIES RAAD VAN STATE OVER WETSVOORSTEL NATUURBESCHERMING

Op 29 juni 2012 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State een advies uitgebracht over een wetsvoorstel houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). De regering heeft het wetsvoorstel op 22 augustus 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarmee is ook het advies van de Afdeling advisering openbaar geworden.

De Raad van State plaatst kritische kanttekeningen bij de uitgangspunten die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zijn gehanteerd. Volgens de Raad is de natuurbescherming in de afgelopen decennia niet zodanig effectief gebleken dat de natuur in Nederland in een gunstige staat verkeert en de instandhouding van soorten en habitats is verzekerd. Integendeel er is bij gelijkblijvend beleid sprake van een verdere achteruitgang. Nu is al niet te voorkomen dat Nederland in de toekomst niet aan de internationale en Europese doelstellingen zal voldoen. De met het wetsvoorstel voorgestelde versobering van de wetgeving zal waarschijnlijk desastreuze gevolgen voor de Nederlandse natuur hebben.

De Afdeling advisering meent dat de keuze om in beginsel niet méér bescherming voor natuurgebieden en dier- en plantensoorten te realiseren dan het minimum dat Europese richtlijnen voorschrijven, meer nadrukkelijk als afzonderlijke beleidskeuze moet worden gemotiveerd. Daarbij moet ook worden ingegaan op de vraag in hoeverre maatregelen op het terrein van de ruimtelijke ordening een gelijkwaardige mate van bescherming kunnen realiseren voor die gebieden waarvoor als gevolg van het voorstel geen bescherming meer bestaat. Het is volgens de Raad maar zeer de vraag of het wetsvoorstel wel aan de Europeesrechtelijk minimum eisen kan voldoen. Zeker waar het gaat om de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Tevens is het de vraag of de voorgestelde vermindering van vergunningen en ontheffingen en de voorgestelde vermindering van regels ten gunste van zogenoemde zorgplichten wenselijk zijn. De focus in het wetsvoorstel op het verminderen van regeldruk lijkt ten koste te gaan van de naleving en handhaving van de wettelijke voorschriften. Vermindering van vergunningen en ontheffingen of een bredere toepassing van zorgplichten is alleen verstandig als het toezicht op de naleving van wettelijke regels en de handhaving daarvan in voldoende mate kunnen worden gegarandeerd. En dat lijkt niet het geval te zijn. Bij de uitvoering en de handhaving van de wet zijn drie bestuurslagen betrokken, waarvan niet duidelijk is of deze allemaal voldoende voor hun taak zijn toegerust. Daarbij wijst de Afdeling advisering nadrukkelijk op de rol van gemeenten, die in de toelichting bij het wetsvoorstel niet wordt belicht. Ook is het de vraag of de verschillende bestuurslagen samen tot de noodzakelijke afstemming van de uitvoering en de handhaving kunnen komen.

woensdag 8 augustus 2012


EISEN WAARAN EEN INVORDERINGSBESLUIT VOOR EEN DWANGSOM MOET VOLDOEN
Bij uitspraak van 25 juli 2012 (nr. 201111954/1/A1) heeft de Afdeling de eisen waaraan een invorderingsbesluit moet voldoen nog eens duidelijk op een rijtje gezet. Aan een invorderingsbesluit moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich mee dat:
  1. De waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag.
  2. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten:
  3. De plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming.
  4. Een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze.
  5. Een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen.
  6. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening.
Aan gebreken in het aan de invordering ten grondslag gelegde verslag zou eventueel voorbij kunnen worden gegaan als op grond van ander bewijsmateriaal, bijvoorbeeld foto's, onomstotelijk kan worden vastgesteld dat niet aan de last onder dwangsom wordt voldaan. Het lijkt me echter verstandiger om er voor te zorgen dat er geen gebreken kleven aan de invordering. De Afdeling heeft met deze uitspraak duidelijk aangegeven wat er van het bevoegd gezag verwacht wordt.

donderdag 2 augustus 2012


WONEN OP HET PLATTELAND WORDT STRAKS EEN STUKJE MAKKELIJKER

Het is een bekend probleem. Iemand uit de stad koopt een prachtig oud boerderijtje in het buitengebied. Zonder te beseffen dat deze pastorale idylle allerlei juridische problemen met zich meebrengt. Een voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning gebruikt kan geen legale status krijgen, omdat een dergelijke woning nou eenmaal beschermd moet worden tegen geluid en stank. De veehouderij om de hoek is er ook niet blij mee, omdat dit bedrijf nu wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Burgemeester en wethouders zouden eigenlijk handhavend moeten optreden, maar begrijpelijkerwijs zijn ze daar niet al te happig op. Politiek en sociaal is handhaving geen al te populaire maatregel. Kortom, een burgerwoning in het buitengebied brengt alleen maar problemen met zich mee.
Daar komt binnenkort verandering in. Onlangs ging de Tweede Kamer akkoord met het wetsvoorstel “Plattelandswoningen” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33078). Het wetsvoorstel bepaalt dat dit soort woningen niet langer worden beschermd tegen milieugevolgen van het agrarische buurbedrijf. Dit voorkomt dat agrarische functies en niet-agrarische functies elkaar in de weg zitten bij geur- en geluidsregeltjes.

Kunnen Burgemeester en wethouders op deze wet anticiperen? Normaal gesproken is het vaste jurisprudentie dat niet op nog niet van kracht zijnde regelgeving mag worden geanticipeerd. Maar een uitspraak van 6 juni jongstleden (ABRvS 6 juni 2012, 201107360/1/A1) lijkt hiervoor toch een aanknopingspunt te geven.

In deze zaak wilden Burgemeester en wethouders in eerste instantie handhavend optreden tegen een illegale burgerwoning. Tijdens de zitting bij de Afdeling kwam echter ook het spiksplinternieuwe wetsvoorstel aan de orde. Er zou daarmee geredeneerd kunnen worden dat concreet zicht op legalisatie bestaan. Handhavend optreden is niet meer aan de orde als een overtreding op korte termijn kan worden gelegaliseerd. Betekent dit dat nu ook rekening moet worden gehouden met een wijziging van de regels? Zoals bijvoorbeeld een wetswijziging (zie in dit verband ook Vz. AGRvS 28 september 1992, AB 1993, 209).

In de uitspraak van 6 juni erkende de Afdeling dat het wetsvoorstel, wanneer eenmaal wet, een oplossing zou zijn voor deze zaak. De Afdeling verwees dit argument echter toch naar de prullenbak. Burgemeester en wethouders mochten  geen rekening houden met dit wetsvoorstel, simpelweg omdat het wetsvoorstel dateerde van ná het besluit op bezwaar. Betekent deze formulering dat je nu het wetsvoorstel inmiddels is aangenomen wel mag anticiperen op deze nieuwe wet voor “plattelandswoningen”? Bestaat er nu in de ogen van de Afdeling wel een basis voor ‘concreet zicht op legalisatie’?