De Hoge Raad heeft in
uitspraak HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456 bepaald dat de burgerlijke
rechter een eiser die vergoeding vordert van de kosten van een bestuursrechtelijke
bezwaar-of beroepsprocedure, in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren. Voor
aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter is slechts plaats
indien het gaat om een aanspraak die de belanghebbende redelijkerwijs niet op
de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter, dan wel artikel 7:15 Awb
aan het bestuursorgaan heeft kunnen voorleggen. Dit
betekent dat de Hoge Raad de ruimte die de burgerlijke rechter heeft om
geschillen over bestuursrechtelijke proceskostenvergoedingen te behandelen, zeer
beperkt opvat. De Hoge Raad formuleert dit als volgt:
“Art. 8:75 lid 1 Awb
verklaart de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in
de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling
van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met
deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij
uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (...). De burgerlijke rechter
dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar-of
beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als
die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Daarbij verdient opmerking dat
de bestuursrechter op grond van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
“in bijzondere gevallen” een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die
kosten kan toekennen, en dat daarvoor onder meer aanleiding kan bestaan indien
het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd
(...). Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake
van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats,
tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op
de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art.
7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen”.
Het oordeel van de
Hoge Raad sluit daarmee aan bij de meer algemene regel dat voor de burgerlijke
rechter als restrechter geen rol is weggelegd wanneer de bestuursrechter voldoende
rechtsbescherming biedt. Zowel in de bestuurlijke voorprocedure als in (hoger)
beroep, wordt in beginsel echter slechts een forfaitairevergoeding toegekend. Een
vergoeding die bij lange na niet voldoende is om de werkelijke kosten te
dekken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt in artikel 2 lid 3 weliswaar
de mogelijkheid om in bijzondere gevallen van het forfaitaire regime af te
wijken, maar daar wordt zo goed als nooit gebruik van gemaakt.