vrijdag 23 augustus 2013

DE CRISIS- EN HERSTELWET WORDT PERMANENT

Op 25 april 2013 (Stb. 2013, 145) is de Crisis- en herstelwet (hierna Chw) permanent geworden. In artikel 5.10 Chw was bepaald dat de wet per 1 januari 2014 zou komen te vervallen. Deze vervaldatum is op grond van hoofdstuk 1, onderdeel L  pChw gewijzigd in een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip. De wetgever is voornemens de Chw in te trekken zodra de wetsvoorstellen met wijzigingen van de Onteigeningswet en de Algemene wet bestuursrecht het parlement gepasseerd zijn en in werking kunnen treden (Memorie van Antwoord, Kamerstukken I, 2012-2013, 33 135, nr. C, p. 15).

De Chw wet was oorspronkelijk bedoeld om de besluitvorming bij vastgoed en gebiedsontwikkeling te versnellen en te vereenvoudigen. Ook is de wet erop gericht om de positie van de nationale overheid te versterken en de inbreng van decentrale overheden te beperken en de inbreng van maatschappelijke organisaties en private belanghebbenden, zoals de milieubeweging, in te dammen.
Dat de afgelopen jaren gebleken is dat de met deze wet bewerkstelligde versnelling van de besluitvorming ten koste is gegaan van de toch al niet zo geweldige kwaliteit van die besluitvorming heeft kennelijk weinig indruk gemaakt. Ook het steeds maar weer uit de hand lopen van de financiële kant van de projecten waar de Crisis- en herstelwel zich op richt heeft kennelijk niet te denken gegeven. Het is zonder meer waar dat de koopwoningmarkt, de kantorenmarkt, de winkelmarkt en de bouwmarkt verstopt zijn. De oorzaak daarvan ligt echter in het instorten van de vraag, door structurele problemen bij de banken en het doorvoeren van overheidsbezuinigingen. Als de vraag stagneert, helpt een vermeende versnelling van de besluitvorming niet.

Daarnaast constateert het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in zijn evaluatie van de Chw dat de juridische mogelijkheden van de wet nauwelijks worden gebruikt. Slechts twee procent van de uitspraken van een rechtbank of de Raad van State heeft betrekking op een Crisis- en herstelwetproject. Anderhalf jaar na inwerkingtreding van de Chw blijkt dat de meeste instrumenten nauwelijks worden ingezet. Naast het beproefde bestemmingsplan is alleen het gebiedsontwikkelingsplan enigszins in zwang geraakt.
Bovendien kiest de Chw voor een juridisch aanvechtbare, laconieke interpretatie van Europese regelgeving en normering. Dit maakt de constatering dat een versnelling van de besluitvorming mogelijk is wel wat voorbarig. Een klacht bij het Europese Hof leidt gewoonlijk tot lange procedures (daaraan kan de Nederlandse regering niets veranderen), en niet zelden tot een uitspraak die ongunstig is voor de initiatiefnemer van het project, die dacht met een lichtzinnige interpretatie van Europese milieuregels weg te kunnen komen.


Hieronder volgt een kort overzicht van de belangrijkste veranderingen:
Onlosmakelijke activiteiten.
Ter vergroting van de herkenbaarheid van het begrip ‘onlosmakelijke activiteiten’ is een definitiebepaling toegevoegd aan artikel 1.1 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: ‘Wabo’). De regeling van artikel 2.7 Wabo die verplicht dat een aanvraag ziet op alle onlosmakelijke activiteiten, is gewijzigd op grond van artikel 2.2.1, onderdeel A t/m E pChw. Ook al is de activiteit ‘planologisch strijdig gebruik’ (art. 2.1, lid 1, onder c Wabo) onlosmakelijk verbonden met andere activiteiten in de zin van artikel 2.1 Wabo, het is voortaan mogelijk om eerst voor deze activiteit apart een projectomgevingsvergunning (‘c-vergunning’) aan te vragen. Hierdoor wordt het mogelijk om de benodigde vergunning ‘op te knippen’. Bovendien wordt in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p.30-35) buiten twijfel gesteld dat die losse planologische omgevingsvergunning een juridisch-planologisch kader kan bieden voor meerdere opeenvolgende omgevingsvergunningen. De losse planologische omgevingsvergunning kan, zo nodig, op grond van een nieuw artikel 2.5a Wabo gewijzigd worden bij de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de overige onlosmakelijke activiteiten. Deze afstemmingsregeling is vergelijkbaar met die van de gefaseerde omgevingsvergunning (art. 2.5, lid 6Wabo). Wat hier het versnellende effect van zou moeten zijn is mij een raadsel.


Natuurbeschermingswet 1998.
Ten eerste worden de huidige referentiedata in artikel 19kd derde lid Natuurbeschermingswet 98 (‘Nbw’) aangevuld. Eerder betrof de Nbw 1998 geen correcte implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Gelet hierop wordt de referentiedatum voor Vogelrichtlijngebieden in artikel 19kd Nbw aangevuld. Voor Vogelrichtlijngebieden wordt de referentiedatum de datum waarop het Vogelrichtlijngebied als zodanig is aangewezen, ook indien het gebied is aangewezen vóór 7 december 2004. Voor Habitatrichtlijngebieden blijft de referentiedatum 7 december 2004 of later indien het Habitatrichtlijngebied later dan 7 december 2004 is aangewezen.
Verder is nieuw dat voor het vaststellen van plannen (net als bij de verlening van Nbw-vergunningen) géén passende beoordeling meer nodig is indien er per saldo geen toename is van de ammoniakdepositie ten opzichte van de referentiedatum. In artikel 19kd Nbw wordt opgenomen dat indien voldaan wordt artikel 19kd Nbw er geen sprake is van “significante gevolgen als bedoeld in artikel 19j tweede lid Nbw”. Eerder diende altijd een passende beoordeling gemaakt te worden indien gebruik gemaakt werd van mitigerende maatregelen (zoals salderingsmaatregelen) om significante effecten van een plan voor Natura 2000-gebieden te beperken dan wel te voorkomen. Nu is het niet meer nodig om voor een plan een passende beoordeling op te stellen wanneer de ammoniakdepositie door het gebruik van mitigerende maatregelen niet toeneemt. Ik vermoed dat dit op zijn minst in strijd zal blijken te zijn met de geest van de Europese regelgeving.
Beroepsrecht decentrale overheden.
Artikel 1.4 Chw beperkte het beroepsrecht van niet tot de centrale overheid behorende bestuursorganen om op te komen tegen niet tot hen gerichte besluiten van andere bestuursorganen (zoals bijvoorbeeld een inpassingsplan). Met de inwerkingtreding van de pChw wordt de werking van dit artikel beperkt tot besluiten van de centrale overheid (hoofdstuk 1, onderdeel C pChw) (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 21).


Houdbaarheid onderzoeksgegevens.
Op grond van de artikelen 2.1.6, 2.1.9 onderdeel K en 2.1.11 onderdeel B pChw zijn er artikelen toegevoegd aan respectievelijk de Wabo, Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) waardoor bestuursorganen zich bij de verlening van bepaalde vergunningen in ieder geval kunnen baseren op gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar. De onderzoeksplicht van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: ‘Awb’) is hiermee ten aanzien van een groot deel van de (omgevings)vergunningen tot nul teruggebracht (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 2011-2012, 33 135, nr. 3, p. 4-6, 27 en 29-30). Ik vermoed dat ook dit niet in goede aarde zal vallen bij het Europees Hof.
Planschade.
Artikel 6.1 Wro wordt gewijzigd. Voortaan kan ook de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo (voorheen de aanlegvergunning) en de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder g, van de Wabo (voorheen de sloopvergunning op grond van het bestemmingsplan) als zelfstandige planschadeoorzaken worden aangemerkt. Zie in dit kader artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro, gelezen in samenhang met artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten