Op 14 september
2012 is besloten dat de voor de veehouderij belangrijke categorie 8.3 van
bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt
aangepast (Staatsblad 2012, nr 441, agrarische activiteiten in het Besluit
algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). Met dit besluit worden
diverse agrarische besluiten onder het Activiteitenbesluit gebracht. Het
betreft:
·
het Besluit landbouw, · het Besluit glastuinbouw,
· het Besluit mestbassins,
· het Lozingenbesluit bodembescherming en
· het Besluit lozingen open teelt en veehouderij.
Daarnaast komen intensieve veehouderijen tot de IPPC-grens
(40.000 stuks pluimvee, 2000 vleesvarkens of 750 zeugen) onder het
Activiteitenbesluit te vallen.
Per 1 januari 2013 luidt categorie 8.3:Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:
- het in de buitenlucht houden
van honden of roofvogels of vogels van de families papegaaien, lori's,
kaketoes, pelikanen, kraanvogels, pinguïns, parelhoenders, reigers en
roerdompen en het geslacht pauwen;
- dierentuinen in de zin van
artikel 1, onder a, van het Dierentuinenbesluit;
- het kweken van consumptievis;
- het kweken van ongewervelde
dieren;
- het houden van meer dan 1.200
vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd
in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
- het houden van meer dan 2.000
schapen, behorend tot de diercategorie B1, genoemd in de regeling op grond
van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, of geiten, behorend tot
de diercategorieën C1 tot en met C3, genoemd in de regeling op grond van
artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
- het houden van meer dan 3.750
gespeende biggen, behorend tot de diercategorie D.1.1, genoemd in de
regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
- het houden van meer dan 200
stuks melkrundvee, behorend tot de diercategorie A.1 en A.2, genoemd in de
regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij,
waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt
meegeteld;
- het houden van meer dan 340
stuks vrouwelijk jongvee, behorend tot de diercategorie A.3, genoemd in de
regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, of
indien het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en
overig melkvee meer dan 340 stuks bedraagt;
- het houden van meer dan 100
paarden, behorend tot de diercategorieën K1 tot en met K4, genoemd in de
regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij,
waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet
wordt meegeteld;
- het houden van meer dan 50
landbouwhuisdieren, behorend tot de diercategorieën genoemd in de regeling
op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij of dieren die op
vergelijkbare wijze worden gehouden, anders dan bedoeld in de onderdelen e
tot en met j en anders dan een gpbv-installatie die betrekking heeft op
het aantal dierplaatsen, tenzij de inrichting een kinderboerderij betreft;
- het houden van pelsdieren;
- het slachten van meer dan
10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week;
- het verwerken van dierlijke
bijproducten tot eiwit, olie, vet, gelatine, collageen, dicalciumfosfaat,
bloedproducten of farmaceutische producten;
- het vervaardigen of verven van
bont, het ontharen of looien van huiden, of het verven of finishen van
leer met uitzondering van het finishen van leer, samenhangend met
drukprocessen;
- de verwerking van dierlijke
bijproducten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de
EG-verordening dierlijke bijproducten, voor zover het betreft categorie 1-
en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel
9 van die verordening;
- de verwijdering van dierlijke
bijproducten en afgeleide producten, bedoeld in artikel 24, eerste lid,
onder b en c, van de EG-verordening dierlijke bijproducten.
Zeugen, mestvarkens
en pluimvee
Voor het houden
van zeugen, mestvarkens en pluimvee gelden de aantallen genoemd in de
IPPC-richtlijn als drempel voor vergunningplicht (750 voor zeugen,2.000 voor
mestvarkens en 40.000 voor pluimvee). IPPC-bedrijven zijn vergunningplichtig op
grond van artikel 2.1, lid 2 Bor. Daarom zijn voor zeugen, mestvarkens en
pluimvee geen aantallen opgenomen in categorie 8.3. Op 1 november 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu het zogenaamde Ondernemingsdossier ingevoerd. Het Ondernemingsdossier moet de gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheidsinstellingen eenvoudiger maken. In het dossier slaan bedrijven eenmalig de gegevens op die bijvoorbeeld nodig zijn voor een vergunning, melding of toezicht. Vervolgens machtigen zij verschillende overheden om deze gegevens in te zien. Moet er een vergunning worden aangevraagd of een maatregel worden getroffen, dan geeft het Ondernemingsdossier tijdig een waarschuwing, daarna kan digitaal een aanvraag of melding worden gedaan. Zo wordt voorkomen dat ondernemers meerdere keren dezelfde informatie moeten aanleveren. Elke ondernemer heeft zijn eigen Ondernemingsdossier en bepaalt welke overheden hij toegang geeft tot zijn Ondernemingsdossier.
JURISPRUDENTIE
ABRvS 17 oktober 2012, nr. 201111825/1/A3.(Uitgeest)Verpachter horecapanden belanghebbende
Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot verlening van een evenementenvergunning aan het dorpshuis. Hij voert hiertoe aan dat hij eigenaar is van diverse horecapanden, alle in de buurt van het dorpshuis. Hij heeft die horecapanden verpacht. Zijn inkomsten worden mede bepaald door de omzet van de horecabedrijven. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr. 200903773/1/R1 is de eigenaar van een pand belanghebbende indien zijn eigendomsbelangen worden geraakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door verlening van de evenementenvergunning aan het dorpshuis concurrentie met horecabedrijven ontstaat die gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van de horecapanden die [appellant] in eigendom heeft. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
ABRvS 24 oktober 2012 ,201202056/1/A1. (Breda)
Detailhandelvereniging belanghebbende
De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr. 201008612/1/R3 overwogen dat RPB ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Steenakker, Stadionstraat e.o.". Daartoe werd door haar overwogen dat RPB blijkens artikel 2 van haar statuten, zoals die waren vastgelegd ten tijde daar van belang als ook ten tijde hier van belang, ten doel heeft de bevordering van het behoud en de versterking van Breda als plaatselijk en regionaal koopcentrum, alsmede de bevordering van de totstandkoming, reconstructie en instandhouding van winkelvoorzieningen in Breda, dat niet in geschil is dat RPB voorts feitelijke werkzaamheden verricht en dat deze werkzaamheden passen binnen haar statutaire doelstellingen, zodat RPB belanghebbende is bij de vaststelling van het voorliggende plan.
Detailhandelvereniging belanghebbende
De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr. 201008612/1/R3 overwogen dat RPB ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Steenakker, Stadionstraat e.o.". Daartoe werd door haar overwogen dat RPB blijkens artikel 2 van haar statuten, zoals die waren vastgelegd ten tijde daar van belang als ook ten tijde hier van belang, ten doel heeft de bevordering van het behoud en de versterking van Breda als plaatselijk en regionaal koopcentrum, alsmede de bevordering van de totstandkoming, reconstructie en instandhouding van winkelvoorzieningen in Breda, dat niet in geschil is dat RPB voorts feitelijke werkzaamheden verricht en dat deze werkzaamheden passen binnen haar statutaire doelstellingen, zodat RPB belanghebbende is bij de vaststelling van het voorliggende plan.