woensdag 16 november 2016
ANDERSDENKENDEN IN HET IRAKESE RECHT
Ik probeer in onderstaand blog een overzicht te geven van de juridische positie van andersdenkenden in het door de officiële regering van Irak beheerste deel van het land. Daarbij baseer ik me op de in het Engels beschikbare wetsteksten en op rapportages van derde landen en mensenrechtenorganisaties.
Volgens artikel 2 van de Iraakse Grondwet vormt de Islam de basis van het Irakese recht. Hierin wordt onder meer gesteld dat: “no law shall be made that contradicts the established provisions of Islam”. De islam wordt, zoals ook uit de preambule bij de grondwet blijkt, beschouwd als de belangrijkste bron van het Irakese recht. Al de wetgeving, ook de grondwet zelf moet uitgelegd worden vanuit het perspectief van de islam en de sharia. De grondwet beveelt het Irakese hooggerechtshof daarnaast ook om in zijn uitspraken de regels van de islam in acht te nemen. Bovendien moeten de rechters van het hooggerechtshof niet zo zeer rechtsgeleerden zijn, maar op grond van artikel 93 Grondwet vooral deskundig in de sharia zijn. Deze hoogste rechters van het land zijn derhalve vooral religieuze geleerden en niet of nauwelijks juristen. De overheersende rol die aan de islam wordt toegekend heeft, onder andere, tot gevolg dat naast de overheid ook allerlei religieuze instellingen over een bepaalde mate van wetgevende- en rechtsprekende bevoegdheid beschikken. Dit geldt vooral, maar niet uitsluitend, op het gebied van religie en het personen- en familierecht. Deze religieuze instellingen blijken, niet geheel onverwacht, zeer intolerant tegenover andersdenkenden te zijn.
Dit belooft niet veel goeds voor minderheden en andersdenkenden. De Irakese grondwet kent weliswaar formeel de ‘vrijheid’ van godsdienst en geweten (artikel 39 tot en met 41 Grondwet). In de praktijk valt dat echter nogal tegen. Er zijn een groot aantal wetten waarin deze vrijheden worden ingeperkt en bij de uitleg van alle wetten ook de grondwet moet binnen de kaders van de islam worden gebleven. De in de grondwet geregelde vrijheid van godsdienst en geweten kent in Irakese juridische praktijk dus zo goed als geen enkele werkelijke bescherming.
Er is de laatste jaren geen sprake van een verbetering van de situatie. In tegendeel er worden steeds meer wetten aangenomen waarbij de rechten van religieuze minderheden en ongodsdienstigen worden ingeperkt. Atheïsten en mensen die niet de staatsreligie aanhangen hebben in toenemende mate geen toegang meer tot overheidsfuncties. Daarnaast is volgens een recente aanpassing van het Irakese recht ieder kind dat op Iraakse bodem geboren wordt en waarvan minimaal één van de ouders islamitisch is of zich later bekeerd heeft zelf ook islamitisch. De National Card Law waarin dit geregeld wordt stelt in Artikel 26, paragraaf 2: “children shall follow the religion of the converted parent to Islam”. Ieder kind is verplicht islamitisch onderwijs te volgen. Dit ongeacht de godsdienst van de ouders. Pas bij het bereiken van de volwassenheid (18 jaar) ontstaat er een (theoretische) godsdienstvrijheid. Maar afvalligheid is verboden en strafbaar. Kinderen die islamitisch onderwijs hebben gevolgd (alle kinderen ander onderwijs is er niet) worden geacht islamitisch te zijn. Ieder kind dat na zijn achttiende verjaardag de ‘afwijkende’ religie van zijn ouders wil aannemen is hierdoor dus strafbaar voor het Irakese recht.
De basis van die strafbaarheid ligt in artikel 372 van het Irakese wetboek van strafrecht. Volgens dit artikel is godslastering strafbaar. Het artikel stelt:
“The following persons are punishable by a period of detention not exceeding 3 years or by a fine not exceeding 300 dinars:
(1) Any person who attacks the creed of a religious minority or pours scorn on its religious practices. (2) Any person who wilfully disrupts a religious ceremony, festival or meeting of a religious minority or who wilfully prevents or obstructs the performance of such ritual.
(3) Any person who wrecks, destroys, defaces or desecrates a building set aside for the ceremonies of a religious minority or symbol or anything that is sacred to it.
(4) Any person who prints or publishes a book sacred to a religious minority and deliberately misspells the texts so that the meaning of the text is altered or who makes light of its tenets or teachings.
(5) Any person who publicly insults a symbol or a person who constitutes an object of sanctification, worship or reverence to a religious minority.
(6) Any person who publicly imitates a religious ceremony or celebration with intent to deceive.”
Dit artikel lijkt op het eerste gezicht vooral de religieuze rechten van minderheden te beschermen, maar wordt in de praktijk juist gebruikt om godslastering en afvalligheid van de gangbare religie te bestraffen. Op grond van artikel 2 van de grondwet wordt artikel 372 in het licht van de regels van de islam en de sharia uitgelegd. Hoewel het zo dus niet letterlijk in de wet is opgenomen betekent dit dat afvalligheid in de praktijk onder het begrip godslastering zoals omschreven in dit artikel valt. Iedereen die besluit een ander geloof aan te nemen is dus strafbaar op grond van dit artikel. Het zal niet verbazen dat ook het uitdragen van atheïsme of het openlijk atheïstisch zijn als godslasterig wordt aangemerkt. In de religieus juridische wereld wordt zelfs gepropageerd dat artikel 2 grondwet in samenhang met de preambule met zich mee zou moeten brengen dat afvalligheid, godslastering en dus ook atheïsme niet met maximaal drie jaar gevangenisstraf zoals het artikel stelt, maar met de dood zou moeten worden bestraft.
In theorie zou het volgens de Irakese wet wellicht nog steeds mogelijk zijn om als atheïst onder de radar te blijven en vervolging te vermijden, door niet openlijk atheïstisch te zijn. Het is echter zo goed als onmogelijk om in een zo met religie doordrenkt land op een discrete onopvallende manier atheïst te zijn. Iedere uiting die op de één of andere manier strijdig lijkt met de islam wordt als strafbare blasfemie aangemerkt en wordt ook daadwerkelijk vervolgd.
Omdat er formeel en theoretisch sprake is van godsdienstvrijheid in Irak is de Nederlandse regering en ook de rechtspraak echter van oordeel dat het zijn van atheïst of het hebben van een afwijkende religie geen reden is om de vluchtelingenstatus te krijgen. Ze baseren zich daarbij op de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hoofdstuk vier van het ambtsbericht over Irak gaat over andere religies en bijzonder groeperingen, maar zegt eigenlijk maar weinig over religies en niets over atheïsme in het door de Iraakse overheid beheerste deel van het land (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/ambtsberichten/2015/10/13/ambtsbericht-veiligheidssituatie-in-irak-2015-10-13). Dit ambtsbericht negeert daarmee volledig het feit dat de Iraakse grondwet en het Irakese strafrecht in de praktijk heel anders worden toegepast dan een letterlijke lezing van de wetsteksten zou doen vermoeden. Volgens het ambtsbericht zijn de delen van Irak die onder controle van de Irakese regering staan en zeker Bagdad en directe omgeving dan ook veilig. Alleen door IS beheerste gebieden zijn in de ogen van het bericht onveilig (artikel 15c Definitierichtlijn gebieden), maar zolang er in de ogen van de Nederlandse regering veilige gebieden bestaan waar een vluchteling eventueel naar toe kan, hebben vluchtelingen volgens hen niets te vrezen.
Deze ambtsberichten zijn leidend, ondanks dat er talloze getuigenverklaringen en rapporten over mishandeling en bestraffing van andersdenkenden beschikbaar zijn. Uit deze rapporten blijkt dat het officiële standpunt van de Irakese regering en de letterlijke tekst van de wetgeving geen goed beeld geven van de situatie van andersdenkenden in het land. De letterlijke wetsteksten worden zo ‘opgerekt’ dat de daaruit voortkomende maatschappelijke en juridische praktijk onherkenbaar is geworden voor iemand die zich tot die teksten beperkt. De Nederlandse ambtsberichten miskennen deze situatie en baseren zich zo goed als volledig op de officiële standpunten en teksten. Dat deze standpunten niet met de werkelijkheid overeenkomst blijkt bijvoorbeeld uit:
· Het Library of Congress rapport (http://www.loc.gov/law/help/apostasy/#iraq);
· Het IHEU Freedom of Thought Rapport van 2015 p. 338 e.v.(http://freethoughtreport.com/download-the-report/);
· Het rapport van de Immigration and refugee board van Canada (https://www.justice.gov/eoir/file/902671/download) en
· Het jaarrapport van Amnesty International (https://www.amnesty.org/en/countries/middle-east-and-north-africa/iraq/report-iraq/).
Volgens het IHEU rapport is Irak zelfs één van de slechtste landen ter wereld voor een atheïst om te wonen, en daarbij wordt uitdrukkelijk niet alleen op de door IS beheerste delen van het land gedoeld. De Irakese rechtspraktijk abstraheert op groteske manier aan de wetstekst. De letterlijke tekst lijkt zelfs totaal onbelangrijk te zijn en wordt zo goed als genegeerd als dat nodig is om religieuze regels te laten prevaleren. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt geabstraheerd aan de materiële feitelijkheid. Zolang het formeel en op papier klopt is alles in orde. De certificaten en stoffenboekhouding van een chemisch bedrijf zijn op orde, dat er een opslagtank ontploft is van ondergeschikt belang. De wetgeving en officiële standpunten van de Irakese regering voldoen aan onze Westerse waarden, dat een atheïst martelingen en gevangenisstraf te wachten staat is van ondergeschikt belang.
zaterdag 5 november 2016
HUME OVER GOED EN KWAAD:
De Engelse filosoof Hume (1711-1776) heeft een paar
interessante, maar behoorlijk ingewikkelde, gedachten over ethiek en recht. In het
artikeltje dat u voor u hebt probeer ik daar, in de eerste plaats voor mezelf,
wat helderheid in te brengen.
Het meest verrassende van Hume’s beroemde scepticisme is
zijn theorie van het ‘ik’, zijn concept van de menselijke geest. Hume vraagt
zich af wat nu eigenlijk die ‘ik’ is, waarvan Descartes in zijn ‘cogito ergo
sum’ met zo veel overtuiging stelt dat het de grond van al onze kennis is. Wanneer
hij een kijkje neemt in zijn eigen geest, treft hij er allerlei afzonderlijke
dingen aan: zintuigelijke indrukken, ideeën en redeneringen die relaties tussen
die indrukken en ideeën leggen. Dergelijke redeneringen gaan uitsluiten over
wat hij feitelijkheden noemt. Hij treft er echter niets aan dat lijkt op het ‘ik’
waarvan Descartes het bestaan zo zelfverzekerd bevestigt. Als er niet een
mentale ‘substantie’ bestaat, bestaat er niets waaraan dat ‘ik’ gelijk is. Er blijft
niets anders over dan indrukken, ideeën en redeneringen over die indrukken en
ideeën. Als ik me afvraag wat dat ‘ik’ dan is, dan is het enige bevredigende
antwoord dat dat ‘ik’ niet bestaat uit deze of gene indruk of idee, maar uit de
totaliteit van al mijn indrukken, ideeën en redeneringen. De menselijke geest
is volgens Hume dan ook een bundel van zintuigelijke indrukken en ideeën die
hij percepties noemt. Daarmee wordt het ‘ik’ iets vloeiends en niet iets dat
vastligt en onveranderlijk is.
Daarmee komt niet alleen de Cartesiaanse epistemologie en
metafysica op losse schroeven te staan, ook in de ethiek ontstaan problemen.
Hume betwijfelt of het wel mogelijk is om tot een objectieve theorie van de
moraal te komen. Hij betoogt dat morele oordelen niet kunnen worden afgeleid
uit het denkende ‘ik’, van onze rede. Die rede houdt zich, zoals we hierboven
zagen, immers alleen bezig met percepties. De rede doet dus alleen uitspraken
over feitelijkheden. Uit dergelijke feitelijke uitspraken kan nooit een moreel
oordeel afgeleid worden. Dit leidt tot de ‘Wet van Hume’: de stelling dat een ‘moeten’
nooit kan worden afgeleid van een ‘zijn’. De rede is niet in staat menselijke
doelen te evalueren. Hij kan niet aangeven wat je wel en niet zou horen te
doen. De rede kan slechts aangeven hoe een gegeven doel het best kan worden
bereikt. Deze wet van Hume lijkt elk beroep op morele kennis in gevaar te brengen.
Elke ethiek zou wel eens niet meer kunnen zijn dan een stelsel van subjectieve
grillen, waartegen geen enkel redelijk argument effectief kan worden
ingebracht.
Alsof dit nog niet erg genoeg is ontkent Hume ook nog eens
dat er zoiets zou kunnen zijn als een praktische rede. Om praktisch te zijn
moet de rede niet alleen gericht zijn op praktische zaken maar ook praktische
conclusies voortbrengen. Zoals Aristoteles in de ‘Ethica Nicomachea’, stelt
zijn praktische conclusies geen gedachten maar handelingen. Wanneer praktisch
gebruikt moet de rede dus handelingen voortbrengen, en wanneer theoretisch
gebruikt moet ze gedachten voortbrengen. Maar hoe kan dat?
Handelingen worden voortgebracht door motieven, door doelen,
maar zoals we net zagen, kan de rede alleen een handeling nooit van een doel
voorzien. De rede geeft alleen aan hoe je een doel zou kunnen bereiken. Als de
rede een motief voor handelen kon bieden zou dat handelen bepaalt worden door
de redenering die daaraan vooraf gaat. Maar de relatie tussen deze redenering
en de handeling zou noodzakelijk moeten zijn. En dat is in strijd met de
aanname dat de handeling volgt op de redenering en ervan verschilt. Alles wat
de rede kan doen is een beeld geven van de middelen om al gegeven doelen te
bereiken. Ze kan ons niet overhalen om die doelen te kiezen of juist af te
wijzen. De rede beperkt zich immers tot relaties tussen feiten en ideeën. Welke
gevolgtrekkingen we ook maken over hoe de dingen zijn, een motief om te
handelen kunnen we er nooit uit destilleren.
Volgens Hume betekent dit dat de rede de slaaf is van de
hartstochten en dat zij dit ook hoort te zijn. Tegenwoordig zouden we zeggen
dat alle praktische redenen een relatie hebben met een voorafgaand verlangen,
en dat dit dan ook de enige oorsprong is van hun overtuigingskracht. Dit betekent
ook dat geen enkele redenering kwaadwillende mensen tot een andere handelswijze
kan overhalen dan die waartoe ze zich aangetrokken voelen. De sceptische Hume veronderstelt
dat er niets in het menselijk hart heerst behalve de eigen emoties, en dat we
allemaal onze eigen doeleinden nastreven en ons verzetten tegen alles en iedereen
die ons daarin dwarsbomen. Moraliteit is in die visie louter fictie waarmee we
diegenen die tussen ons en ons doel staan proberen te misleiden.
Toen hij hiermee de gebruikelijke moraalfilosofie tot de
grond toe had afgebroken, kwam Hume in navolging van Aristoteles en de
stoïcijnen met een nieuw uitgebalanceerd en ingetogen beeld van het goede
leven. Moraliteit wordt daarbij gezien als een karaktereigenschap, een manier
waarop gewoonlijk op gebeurtenissen in de wereld wordt gereageerd. Die karaktereigenschap
is een deugd als de gebeurtenis een plezierig gevoel van goedkeuring oproept en
een ondeugd als het een onplezierig gevoel van afkeuring met zich meebrengt. Een
karaktereigenschap is zo de neiging om bij bepaalde gebeurtenissen en
handelingen bepaalde emoties te voelen. Het moreel beoordelen van een handeling
wordt gereduceerd tot het beoordelen van de veroorzakende karaktereigenschap
(ofwel het motief van de handelende persoon). Een moreel oordeel is dus een
soort gevoel, een moreel sentiment.
Hume gaat er daarbij vanuit dat onder alle mensen een
fundamentele uniformiteit van morele sentimenten bestaat. Hij denkt dat mensen van
nature de neiging hebben om sympathie te voelen voor hun medemensen. Dit leidt
ertoe dat mensen zich overal en in elke historische periode geroepen hebben
gevoeld om bepaalde zaken te omarmen en andere af te wijzen. In grote lijnen
vinden mensen allemaal dezelfde dingen ‘goed’ en dezelfde dingen ‘slecht’. Lokale
en historische variaties veranderen volgens Hume niet dat de kern van de
menselijke waarden hetzelfde blijft.
Onze sociale aard en welwillende houding tegenover andere
mensen maakt volgens Hume dat we met een morele blik naar de wereld kijken. Maar
dat betekent niet dat ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenschappen zijn die inherent zijn
aan de dingen. ‘Goed’ en ‘kwaad’ bestaat niet onafhankelijk van onze geneigdheid
bepaalde handelingen goed te keuren dan wel af te keuren. Het zijn geen feiten
van de buitenwereld, geen eigenschappen van objecten, maar gewaarwordingen in
de geest. Wanneer u een handeling of karakter als kwaad of kwaadaardig
bestempelt bedoelt u niets anders dan dat u een gevoel van afkeuring voelt.
Onze aard als sociale wezens maakt dat er gelegenheden
bestaan waarbij wij niet volledig in de greep zijn van onze emoties. Situaties waarin
we ons niet laten meeslepen door onze persoonlijke doelen en waarbij we de
menselijke wereld beschouwen vanuit een gezichtspunt van afzijdige niet
betrokken nieuwsgierigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer we een
verhaal, een tragedie of een historische roman lezen. Dit is ook het geval
wanneer anderen ons hun problemen voorleggen en om ons oordeel vragen. Zoals in
een rechtszaal. In dergelijke situaties worden onze emoties niet voor onszelf
gewekt, maar ten behoeve van een ander. Ze zijn dan minder fel en we worden
daardoor in zekere zin onpartijdiger.
Deze welwillende houding bezitten mensen van nature, en al
hun percepties van het sociale leven zijn ermee doordrongen. Als onze
persoonlijke doelstellingen er niet bij betrokken zijn en de feiten duidelijk
zijn zullen we het er doorgaans wel over eens worden wat als ‘goed’ en ‘kwaad’
moet worden aangemerkt. Het opzij zetten van ons eigenbelang brengt onze
welwillende aard als sociaal dier naar voren.
Volgens Hume ligt hier de bron van onze moraliteit. Als we
ons eigenbelang opzij zetten en onpartijdig over de wereld nadenken maakt onze gemeenschappelijke
menselijke natuur dat we meestal tot een gemeenschappelijke slotsom over ‘goed’
en ‘kwaad’ komen. De hieruit voortvloeiende emoties zijn weliswaar zwak in
vergelijking tot de emoties waarmee onze zelfzuchtige verlangens gepaard gaan,
maar zijn weldegelijk bestendig en onveranderlijk. Ze worden bovendien nog eens
versterkt als ze bekrachtigd worden door de mening van anderen. De morele
gevoelens van het collectief zijn veel krachtiger dan de eigen individuele moraliteit.
Vandaar dat het gemeenschapsleven ons beperkingen oplegt die belichaamd worden
door gewoonten en wetten.
Op die manier weet Hume na eerst de conventionele gedachten
over moraliteit tot de grond toe te hebben afgebrand een nieuw fundament te
leggen voor moraliteit, ethiek en recht.
Abonneren op:
Reacties (Atom)