maandag 18 april 2016

HERZIENING VAN EEN ONHERROEPELIJKE UITSPRAAK

De uitspraak van een (bestuurs)rechter is onherroepelijk wanneer daartegen geen gewoon rechtsmiddel, zoals hoger beroep, meer openstaat of nog aanhangig is. Doorgaans betekent dit dat partijen geen andere keuze hebben dan de uitspraak te accepteren. Onder bijzondere omstandigheden kan een onherroepelijke uitspraak echter worden herzien. Artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak (op verzoek van één van de partijen) kan herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden voordat de rechter uitspraak deed;
b. bij de indiener van het verzoek voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden als zij bij de rechter bekend waren geweest.

Herziening is niet bedoeld om het debat dat tijdens de procedure gevoerd is te heropenen. Het beoogt slechts een laatste mogelijkheid te bieden om een uitspraak aan te tasten indien er na de uitspraak nieuwe feiten en omstandigheden van vóór de uitspraak aan het licht komen waardoor de uitspraak geen stand meer kan houden. Zo blijkt onder andere uit een door bestuursrechters gebruikte standaard overweging in zaken waarin een beroep op herziening wordt gedaan: "Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist, naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht, of naar voren hadden kunnen worden gebracht, opnieuw onderscheidenlijk alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.”

Bestuursrechters wijzen herzieningsverzoeken dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen toe. In het overgrote deel van de zaken waarin een beroep op herziening werd gedaan, oordeelde de rechter dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ten tijde van de uitspraak nog niet bekend waren.

woensdag 6 april 2016

BELANGHEBBENDHEID EN HINDER VAN ENIGE BETEKENIS

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Een van de eisen, die aan een belanghebbende wordt gesteld, is dat het belang objectief bepaalbaar is. Niet elke betrokkenheid die iemand ervaart, is voldoende om te spreken van een rechtstreeks betrokken eigen belang. Tot nu toe speelde de mate van hinder hierbij geen rol. Daar komt bij uitspraak 201504206/1/A4 van 16 maart jongstleden verandering in.

In deze uitspraak wijzigt de Afdeling haar rechtspraak over de kring van belanghebbenden bij ‘milieuomgevingsvergunningen’. De Afdeling ziet voortaan “uit een oogpunt van eenvormige toepassing van artikel 1:2 van de Awb” aanleiding om bij de bepaling van de belanghebbendheid bij milieuomgevingsvergunningen aan te sluiten bij de rechtspraak over de belanghebbendheid bij evenementenvergunningen voor popfestivals en besluiten omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan. In die rechtspraak had de Afdeling duidelijk gemaakt dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, hinder van enige betekenis ondervindt. De Afdeling meent thans, dat er geen reden is om een onderscheid te maken bij de bepaling van de kring van belanghebbenden indien het gaat om de gevolgen van het verlenen van een evenementenvergunning, de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een milieuomgevingsvergunning. Dit betekent, dat voor de belanghebbendheid bij een milieuomgevingsvergunning voortaan aannemelijk moet zijn, dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Daarmee wordt de kring van belanghebbenden bij een milieuomgevingsvergunning nog weer verder beperkt.

maandag 4 april 2016

PROVINCIALE VERORDENING RUIMTE OVERRULED BESTEMMINGSPLAN

Op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van haar gemeente één of meerdere bestemmingsplannen vast. In een bestemmingsplan worden regels omtrent het gebruik van de grond en de zich op de grond bevindende bouwwerken vastgelegd. Artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening verleent aan de provincie de bevoegdheid om invloed uit te oefenen op de inhoud van bestemmingsplannen. De provincie kan daartoe in een provinciale verordening regels stellen. Iedere provincie beschikt over een zogenoemde ‘verordening ruimte’, waarin die regels worden vastgelegd.

In de praktijk blijkt dat gemeenten regelmatig die regels van de provinciale ruimtelijke verordening over het hoofd zien, met als gevolg dat een bestemmingsplan wegens strijdigheid daarmee door de Afdeling Bestuursrechtspraak wordt vernietigd. De Afdeling is doorgaans streng bij de interpretatie van de provinciale Verordening Ruimte. Wat betekent dat gemeenteraden nauwkeurig zullen moeten omgaan met de eisen en voorwaarden die de provinciale verordening stelt. Doen zij dit niet, dan is de kans groot dat het bestemmingsplan als gevolg van een succesvol beroep door een belanghebbende door de Afdeling wordt vernietigd. Dit lot trof ook een bestemmingsplan van de gemeenteraad Hillegom, in de zaak waarover de Afdeling op 2 maart 2016 uitspraak deed (201503081/1/R4).


De casus in Hillegom

In Hillegom heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘3e Loosterweg 130 e.o.’ gewijzigd vastgesteld bij besluit van 19 februari 2016. Dit plan maakt het mogelijk om twee burgerwoningen te realiseren op een perceel ten noorden van dat perceel. Tegen deze wijziging wordt door omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. Omwonenden stellen dat de wijziging in strijd is met hetgeen is bepaald in de Verordening Ruimte 2010 van de provincie Zuid-Holland.

Feitelijk bevindt het perceel waarop de burgerwoningen gebouwd zullen worden zich namelijk buiten de bebouwingscontouren die worden aangegeven op een kaart die bij de Verordening Ruimte. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening Ruimte mogen bestemmingsplannen die zien op gronddelen die buiten de bebouwingscontouren liggen geen bestemmingen bevatten die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken. De verordening laat onder voorwaarden een uitzondering op dit uitgangspunt toe.

De gemeenteraad stelt in haar toelichting bij het bestemmingsplan dat aan deze voorwaarden voldaan is. Voor wat betreft één van de burgerwoningen verwijst zij naar artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de Verordening Ruimte. Daarin is bepaald dat bestaande stedelijke functies verplaatst kunnen worden naar een nieuwe locatie indien daarmee de ruimtelijke kwaliteit verbetert én de bebouwing en verharding van de oorspronkelijke locatie wordt verwijderd zonder toepassing van het principe ‘ruimte voor ruimte’. Voor de andere burgerwoning grondt zij de toelaatbaarheid van de wijziging op artikel 3, tweede lid, onder a van de Verordening Ruimte. Dit artikel bevat het ‘ruimte voor ruimte’ principe. Dit principe houdt kort gezegd in dat als voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen gesloopt worden, dan wel sierteelt gesaneerd wordt en ter compensatie op dezelfde plaats of in de directe omgeving een woning gebouwd mag worden.

De Afdeling honoreert het standpunt van de omwonenden. Zij meent dat met het plan een functiewijziging mogelijk wordt gemaakt: de bedrijfswoning wordt vervangen door een burgerwoning op een ander perceel. De Verordening Ruimte leent zich volgens de Afdeling niet voor het mogelijk maken van een dergelijke functiewijziging. De verplaatsing kan dus niet op artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de Verordening Ruimte gebaseerd worden. Voor zover de gemeenteraad zou oordelen dat door de sanering van het agrarische bedrijf niet meer als bedrijfswoning, maar als burgerwoning aangemerkt moet worden en dientengevolge ook als burgerwoning verplaatst wordt, gaat de Afdeling niet in dit standpunt mee. De planologische status van de bedrijfswoning verandert volgens de Afdeling niet enkel en alleen doordat sanering plaats heeft gevonden.

Op basis van het bovenstaande concludeert de Afdeling dat het bestemmingsplan in strijd is met de Verordening Ruimte. Het is immers onduidelijk welke van de twee burgerwoningen mogelijk wordt gemaakt door toepassing van artikel, derde lid, aanhef en onder f van deze verordening. De bestreden plandelen hangen daarom ook dusdanig samen dat de Afdeling het gehele plan vernietigt.