maandag 5 december 2016

VERIFIEREN EN FALSIFIEREN: HET LOGISCH POSITIVISME



Nee, waarde lezer, dit wordt geen blog over de rechtstheoretische leer volgens welke het recht uitsluitend in de wet valt te vinden. De logisch positivisten zijn een groep filosofen, wetenschappers en kunstenaars die in het Wenen van het begin van de twintigste eeuw een filosofisch systeem ontwierpen waarbij alleen de dingen die zintuigelijk kunnen worden waargenomen als reëel worden beschouwd. Alleen zogenoemde ‘sense data’ zijn werkelijk. Dat wil zeggen alleen datgene wat in de onmiddellijke ervaring is gegeven is bestaand. Een zin als: ‘Dit is rood’ is echt, maar een zin als: ‘Dit is goed’ is geneuzel. Het idee dat alle kennis van de wereld is opgebouwd uit dergelijke elementaire empirische bouwstenen zou voorgoed een einde moeten maken aan alle speculatieve filosofie. De logisch positivisten wilden de filosofie voorgoed zuiveren van alle speculatieve, metafysische en religieuze prietpraat.

De Tweede Wereldoorlog was er de reden van dat deze betrekkelijk kleine groep, die ook wel de ‘Wiener Kreis’ werd genoemd, kon uitgroeien tot één van de belangrijkste filosofische stromingen van de twintigste eeuw. Het opkomend fascisme in de jaren dertig dwong deze geleerden en filosofen om Oostenrijk en Duitsland te ontvluchten. Ze kwamen terecht in gerenommeerde buitenlandse universiteiten en verspreidden zo hun filosofisch systeem over vooral de Angelsaksische wereld.

Het logisch positivisme is bekend geworden door zijn ‘verificatie beginsel’. Dit beginsel zegt dat uitspraken die over de werkelijkheid (lijken) te gaan alleen dan betekenis hebben als ze geverifieerd kunnen worden. Dat wil zeggen als we kunnen nagaan of ze waar of onwaar zijn. Als het principieel onmogelijk is om een uitspraak zoals ‘De ziel is onsterfelijk’ te verifiëren dan is een dergelijke uitspraak niet meer dan betekenisloos gewauwel. Als een uitspraak niet tot elementaire ervaringsgegevens kan worden teruggebracht (de sense data), en dus niet kan worden geverifieerd is het betekenisloze onzin. Met het verificatie beginsel wilden de logisch positivisten rigoureus schoon schip maken in de filosofie en wetenschappen. Alle onzin eruit alleen wat controleerbaar waar is mag blijven.

Naast uitspraken die over de wereld gaan en die dus waar of onwaar zijn op een grond van een bepaalde stand van zaken, bestaat er nog een andere soort betekenisvolle uitspraken. Namelijk uitspraken die waar of onwaar zijn op grond van de betekenis van de gebruikte termen of symbolen. Bijvoorbeeld de zin: ‘Alle vrijgezellen zijn ongetrouwd’. Deze zin is niet waar omdat we dat empirisch kunnen testen, maar omdat dat volgt uit de betekenis van de termen ‘vrijgezel’ en ‘ongetrouwd’. Een dergelijke uitspraak is per definitie waar. Dit soort uitspraken worden ‘analytisch’ genoemd. De eerdere uitspraken die iets over een toestand in de wereld zeggen worden ‘synthetisch’ genoemd. Het onderscheid is afkomstig van de Schotse filosoof Hume.

Analytische uitspraken zijn per definitie onafhankelijk van de ervaring waar, we weten van te voren, ‘a priori’, dat ze kloppen. De waarheid van synthetische uitspraken weten we alleen achteraf, ‘a posteriori’ door in de wereld te gaan kijken. Deze tweedeling, analytisch/a priori en synthetisch/a posteriori, die ook wel de vork van Hume wordt genoemd, ligt aan de basis van het logisch positivisme.

De achttiende-eeuwse Duitse filosoof Kant had een vork met drie tanden in gedachten. Volgens hem bestonden er ook synthetische ‘a priori’ uitspraken. Dat wil dus zeggen dat er volgens hem uitspraken over de wereld (synthetisch) bestaan die onafhankelijk van onze ervaring (a priori) toch onomstotelijk waar zijn. Het gaat daarbij om uitspraken die voorafgaan aan ervaring, uitspraken die noodzakelijk zijn om zelfs maar iets te kunnen ervaren. Bijvoorbeeld de uitspraak: ‘Alles wat gebeurt heeft een oorzaak’. Voor de logisch positivisten was dit vloeken in de kerk, maar een echt weerwoord tegen Kant hadden ze nou ook weer niet.

De doodssteek voor de logisch positivisten kwam echter van een andere Oostenrijker: Karl Popper. Popper had een aantal bijeenkomsten van de ‘Wiener Kreis’ bijgewoond, maar kon zich toch niet helemaal in hun systeem vinden. Hij kwam met een alternatief voor het ‘verificatie beginsel’ het ‘falsificatie beginsel. Volgens Popper is het kenmerk van echte wetenschappelijke kennis niet verifieerbaarheid, zoals de logisch positivisten meenden, maar falsifieerbaarheid of weerlegbaarheid. Als een uitspraak over de wereld niet kan botsten met de werkelijkheid dan levert die uitspraak ons geen echte kennis op. De feilbaarheid van onze kennis noodzaakt ons tot een kritische houding, aldus Popper, want de enige manier om vooruit te komen is door fouten in onze kennis op te sporen. Sinds Popper durft geen enkel zichzelf respecterend filosoof zich nog logisch positivist te noemen.

woensdag 16 november 2016

ANDERSDENKENDEN IN HET IRAKESE RECHT



Ik probeer in onderstaand blog een overzicht te geven van de juridische positie van andersdenkenden in het door de officiële regering van Irak beheerste deel van het land. Daarbij baseer ik me op de in het Engels beschikbare wetsteksten en op rapportages van derde landen en mensenrechtenorganisaties.

Volgens artikel 2 van de Iraakse Grondwet vormt de Islam de basis van het Irakese recht. Hierin wordt onder meer gesteld dat: “no law shall be made that contradicts the established provisions of Islam”. De islam wordt, zoals ook uit de preambule bij de grondwet blijkt, beschouwd als de belangrijkste bron van het Irakese recht. Al de wetgeving, ook de grondwet zelf moet uitgelegd worden vanuit het perspectief van de islam en de sharia. De grondwet beveelt het Irakese hooggerechtshof daarnaast ook om in zijn uitspraken de regels van de islam in acht te nemen. Bovendien moeten de rechters van het hooggerechtshof niet zo zeer rechtsgeleerden zijn, maar op grond van artikel 93 Grondwet vooral deskundig in de sharia zijn. Deze hoogste rechters van het land zijn derhalve vooral religieuze geleerden en niet of nauwelijks juristen. De overheersende rol die aan de islam wordt toegekend heeft, onder andere, tot gevolg dat naast de overheid ook allerlei religieuze instellingen over een bepaalde mate van wetgevende- en rechtsprekende bevoegdheid beschikken. Dit geldt vooral, maar niet uitsluitend, op het gebied van religie en het personen- en familierecht. Deze religieuze instellingen blijken, niet geheel onverwacht, zeer intolerant tegenover andersdenkenden te zijn.

Dit belooft niet veel goeds voor minderheden en andersdenkenden. De Irakese grondwet kent weliswaar formeel de ‘vrijheid’ van godsdienst en geweten (artikel 39 tot en met 41 Grondwet). In de praktijk valt dat echter nogal tegen. Er zijn een groot aantal wetten waarin deze vrijheden worden ingeperkt en bij de uitleg van alle wetten ook de grondwet moet binnen de kaders van de islam worden gebleven. De in de grondwet geregelde vrijheid van godsdienst en geweten kent in Irakese juridische praktijk dus zo goed als geen enkele werkelijke bescherming.

Er is de laatste jaren geen sprake van een verbetering van de situatie. In tegendeel er worden steeds meer wetten aangenomen waarbij de rechten van religieuze minderheden en ongodsdienstigen worden ingeperkt. Atheïsten en mensen die niet de staatsreligie aanhangen hebben in toenemende mate geen toegang meer tot overheidsfuncties. Daarnaast is volgens een recente aanpassing van het Irakese recht ieder kind dat op Iraakse bodem geboren wordt en waarvan minimaal één van de ouders islamitisch is of zich later bekeerd heeft zelf ook islamitisch. De National Card Law waarin dit geregeld wordt stelt in Artikel 26, paragraaf 2: “children shall follow the religion of the converted parent to Islam”. Ieder kind is verplicht islamitisch onderwijs te volgen. Dit ongeacht de godsdienst van de ouders. Pas bij het bereiken van de volwassenheid (18 jaar) ontstaat er een (theoretische) godsdienstvrijheid. Maar afvalligheid is verboden en strafbaar. Kinderen die islamitisch onderwijs hebben gevolgd (alle kinderen ander onderwijs is er niet) worden geacht islamitisch te zijn. Ieder kind dat na zijn achttiende verjaardag de ‘afwijkende’ religie van zijn ouders wil aannemen is hierdoor dus strafbaar voor het Irakese recht.

De basis van die strafbaarheid ligt in artikel 372 van het Irakese wetboek van strafrecht. Volgens dit artikel is godslastering strafbaar. Het artikel stelt:

“The following persons are punishable by a period of detention not exceeding 3 years or by a fine not exceeding 300 dinars:
(1) Any person who attacks the creed of a religious minority or pours scorn on its religious practices. (2) Any person who wilfully disrupts a religious ceremony, festival or meeting of a religious minority or who wilfully prevents or obstructs the performance of such ritual.
(3) Any person who wrecks, destroys, defaces or desecrates a building set aside for the ceremonies of a religious minority or symbol or anything that is sacred to it.
(4) Any person who prints or publishes a book sacred to a religious minority and deliberately misspells the texts so that the meaning of the text is altered or who makes light of its tenets or teachings.
(5) Any person who publicly insults a symbol or a person who constitutes an object of sanctification, worship or reverence to a religious minority.
(6) Any person who publicly imitates a religious ceremony or celebration with intent to deceive.”

Dit artikel lijkt op het eerste gezicht vooral de religieuze rechten van minderheden te beschermen, maar wordt in de praktijk juist gebruikt om godslastering en afvalligheid van de gangbare religie te bestraffen. Op grond van artikel 2 van de grondwet wordt artikel 372 in het licht van de regels van de islam en de sharia uitgelegd. Hoewel het zo dus niet letterlijk in de wet is opgenomen betekent dit dat afvalligheid in de praktijk onder het begrip godslastering zoals omschreven in dit artikel valt. Iedereen die besluit een ander geloof aan te nemen is dus strafbaar op grond van dit artikel. Het zal niet verbazen dat ook het uitdragen van atheïsme of het openlijk atheïstisch zijn als godslasterig wordt aangemerkt. In de religieus juridische wereld wordt zelfs gepropageerd dat artikel 2 grondwet in samenhang met de preambule met zich mee zou moeten brengen dat afvalligheid, godslastering en dus ook atheïsme niet met maximaal drie jaar gevangenisstraf zoals het artikel stelt, maar met de dood zou moeten worden bestraft.

In theorie zou het volgens de Irakese wet wellicht nog steeds mogelijk zijn om als atheïst onder de radar te blijven en vervolging te vermijden, door niet openlijk atheïstisch te zijn. Het is echter zo goed als onmogelijk om in een zo met religie doordrenkt land op een discrete onopvallende manier atheïst te zijn. Iedere uiting die op de één of andere manier strijdig lijkt met de islam wordt als strafbare blasfemie aangemerkt en wordt ook daadwerkelijk vervolgd.

Omdat er formeel en theoretisch sprake is van godsdienstvrijheid in Irak is de Nederlandse regering en ook de rechtspraak echter van oordeel dat het zijn van atheïst of het hebben van een afwijkende religie geen reden is om de vluchtelingenstatus te krijgen. Ze baseren zich daarbij op de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hoofdstuk vier van het ambtsbericht over Irak gaat over andere religies en bijzonder groeperingen, maar zegt eigenlijk maar weinig over religies en niets over atheïsme in het door de Iraakse overheid beheerste deel van het land (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/ambtsberichten/2015/10/13/ambtsbericht-veiligheidssituatie-in-irak-2015-10-13). Dit ambtsbericht negeert daarmee volledig het feit dat de Iraakse grondwet en het Irakese strafrecht in de praktijk heel anders worden toegepast dan een letterlijke lezing van de wetsteksten zou doen vermoeden. Volgens het ambtsbericht zijn de delen van Irak die onder controle van de Irakese regering staan en zeker Bagdad en directe omgeving dan ook veilig. Alleen door IS beheerste gebieden zijn in de ogen van het bericht onveilig (artikel 15c Definitierichtlijn gebieden), maar zolang er in de ogen van de Nederlandse regering veilige gebieden bestaan waar een vluchteling eventueel naar toe kan, hebben vluchtelingen volgens hen niets te vrezen.

Deze ambtsberichten zijn leidend, ondanks dat er talloze getuigenverklaringen en rapporten over mishandeling en bestraffing van andersdenkenden beschikbaar zijn. Uit deze rapporten blijkt dat het officiële standpunt van de Irakese regering en de letterlijke tekst van de wetgeving geen goed beeld geven van de situatie van andersdenkenden in het land. De letterlijke wetsteksten worden zo ‘opgerekt’ dat de daaruit voortkomende maatschappelijke en juridische praktijk onherkenbaar is geworden voor iemand die zich tot die teksten beperkt. De Nederlandse ambtsberichten miskennen deze situatie en baseren zich zo goed als volledig op de officiële standpunten en teksten. Dat deze standpunten niet met de werkelijkheid overeenkomst blijkt bijvoorbeeld uit:

· Het Library of Congress rapport (http://www.loc.gov/law/help/apostasy/#iraq);

· Het IHEU Freedom of Thought Rapport van 2015 p. 338 e.v.(http://freethoughtreport.com/download-the-report/);

· Het rapport van de Immigration and refugee board van Canada (https://www.justice.gov/eoir/file/902671/download) en

· Het jaarrapport van Amnesty International (https://www.amnesty.org/en/countries/middle-east-and-north-africa/iraq/report-iraq/).

Volgens het IHEU rapport is Irak zelfs één van de slechtste landen ter wereld voor een atheïst om te wonen, en daarbij wordt uitdrukkelijk niet alleen op de door IS beheerste delen van het land gedoeld. De Irakese rechtspraktijk abstraheert op groteske manier aan de wetstekst. De letterlijke tekst lijkt zelfs totaal onbelangrijk te zijn en wordt zo goed als genegeerd als dat nodig is om religieuze regels te laten prevaleren. In de Nederlandse rechtspraktijk wordt geabstraheerd aan de materiële feitelijkheid. Zolang het formeel en op papier klopt is alles in orde. De certificaten en stoffenboekhouding van een chemisch bedrijf zijn op orde, dat er een opslagtank ontploft is van ondergeschikt belang. De wetgeving en officiële standpunten van de Irakese regering voldoen aan onze Westerse waarden, dat een atheïst martelingen en gevangenisstraf te wachten staat is van ondergeschikt belang.

zaterdag 5 november 2016

HUME OVER GOED EN KWAAD:

De Engelse filosoof Hume (1711-1776) heeft een paar interessante, maar behoorlijk ingewikkelde, gedachten over ethiek en recht. In het artikeltje dat u voor u hebt probeer ik daar, in de eerste plaats voor mezelf, wat helderheid in te brengen.

Het meest verrassende van Hume’s beroemde scepticisme is zijn theorie van het ‘ik’, zijn concept van de menselijke geest. Hume vraagt zich af wat nu eigenlijk die ‘ik’ is, waarvan Descartes in zijn ‘cogito ergo sum’ met zo veel overtuiging stelt dat het de grond van al onze kennis is. Wanneer hij een kijkje neemt in zijn eigen geest, treft hij er allerlei afzonderlijke dingen aan: zintuigelijke indrukken, ideeën en redeneringen die relaties tussen die indrukken en ideeën leggen. Dergelijke redeneringen gaan uitsluiten over wat hij feitelijkheden noemt. Hij treft er echter niets aan dat lijkt op het ‘ik’ waarvan Descartes het bestaan zo zelfverzekerd bevestigt. Als er niet een mentale ‘substantie’ bestaat, bestaat er niets waaraan dat ‘ik’ gelijk is. Er blijft niets anders over dan indrukken, ideeën en redeneringen over die indrukken en ideeën. Als ik me afvraag wat dat ‘ik’ dan is, dan is het enige bevredigende antwoord dat dat ‘ik’ niet bestaat uit deze of gene indruk of idee, maar uit de totaliteit van al mijn indrukken, ideeën en redeneringen. De menselijke geest is volgens Hume dan ook een bundel van zintuigelijke indrukken en ideeën die hij percepties noemt. Daarmee wordt het ‘ik’ iets vloeiends en niet iets dat vastligt en onveranderlijk is.

Daarmee komt niet alleen de Cartesiaanse epistemologie en metafysica op losse schroeven te staan, ook in de ethiek ontstaan problemen. Hume betwijfelt of het wel mogelijk is om tot een objectieve theorie van de moraal te komen. Hij betoogt dat morele oordelen niet kunnen worden afgeleid uit het denkende ‘ik’, van onze rede. Die rede houdt zich, zoals we hierboven zagen, immers alleen bezig met percepties. De rede doet dus alleen uitspraken over feitelijkheden. Uit dergelijke feitelijke uitspraken kan nooit een moreel oordeel afgeleid worden. Dit leidt tot de ‘Wet van Hume’: de stelling dat een ‘moeten’ nooit kan worden afgeleid van een ‘zijn’. De rede is niet in staat menselijke doelen te evalueren. Hij kan niet aangeven wat je wel en niet zou horen te doen. De rede kan slechts aangeven hoe een gegeven doel het best kan worden bereikt. Deze wet van Hume lijkt elk beroep op morele kennis in gevaar te brengen. Elke ethiek zou wel eens niet meer kunnen zijn dan een stelsel van subjectieve grillen, waartegen geen enkel redelijk argument effectief kan worden ingebracht.
Alsof dit nog niet erg genoeg is ontkent Hume ook nog eens dat er zoiets zou kunnen zijn als een praktische rede. Om praktisch te zijn moet de rede niet alleen gericht zijn op praktische zaken maar ook praktische conclusies voortbrengen. Zoals Aristoteles in de ‘Ethica Nicomachea’, stelt zijn praktische conclusies geen gedachten maar handelingen. Wanneer praktisch gebruikt moet de rede dus handelingen voortbrengen, en wanneer theoretisch gebruikt moet ze gedachten voortbrengen. Maar hoe kan dat?

Handelingen worden voortgebracht door motieven, door doelen, maar zoals we net zagen, kan de rede alleen een handeling nooit van een doel voorzien. De rede geeft alleen aan hoe je een doel zou kunnen bereiken. Als de rede een motief voor handelen kon bieden zou dat handelen bepaalt worden door de redenering die daaraan vooraf gaat. Maar de relatie tussen deze redenering en de handeling zou noodzakelijk moeten zijn. En dat is in strijd met de aanname dat de handeling volgt op de redenering en ervan verschilt. Alles wat de rede kan doen is een beeld geven van de middelen om al gegeven doelen te bereiken. Ze kan ons niet overhalen om die doelen te kiezen of juist af te wijzen. De rede beperkt zich immers tot relaties tussen feiten en ideeën. Welke gevolgtrekkingen we ook maken over hoe de dingen zijn, een motief om te handelen kunnen we er nooit uit destilleren.

Volgens Hume betekent dit dat de rede de slaaf is van de hartstochten en dat zij dit ook hoort te zijn. Tegenwoordig zouden we zeggen dat alle praktische redenen een relatie hebben met een voorafgaand verlangen, en dat dit dan ook de enige oorsprong is van hun overtuigingskracht. Dit betekent ook dat geen enkele redenering kwaadwillende mensen tot een andere handelswijze kan overhalen dan die waartoe ze zich aangetrokken voelen. De sceptische Hume veronderstelt dat er niets in het menselijk hart heerst behalve de eigen emoties, en dat we allemaal onze eigen doeleinden nastreven en ons verzetten tegen alles en iedereen die ons daarin dwarsbomen. Moraliteit is in die visie louter fictie waarmee we diegenen die tussen ons en ons doel staan proberen te misleiden.

Toen hij hiermee de gebruikelijke moraalfilosofie tot de grond toe had afgebroken, kwam Hume in navolging van Aristoteles en de stoïcijnen met een nieuw uitgebalanceerd en ingetogen beeld van het goede leven. Moraliteit wordt daarbij gezien als een karaktereigenschap, een manier waarop gewoonlijk op gebeurtenissen in de wereld wordt gereageerd. Die karaktereigenschap is een deugd als de gebeurtenis een plezierig gevoel van goedkeuring oproept en een ondeugd als het een onplezierig gevoel van afkeuring met zich meebrengt. Een karaktereigenschap is zo de neiging om bij bepaalde gebeurtenissen en handelingen bepaalde emoties te voelen. Het moreel beoordelen van een handeling wordt gereduceerd tot het beoordelen van de veroorzakende karaktereigenschap (ofwel het motief van de handelende persoon). Een moreel oordeel is dus een soort gevoel, een moreel sentiment.

Hume gaat er daarbij vanuit dat onder alle mensen een fundamentele uniformiteit van morele sentimenten bestaat. Hij denkt dat mensen van nature de neiging hebben om sympathie te voelen voor hun medemensen. Dit leidt ertoe dat mensen zich overal en in elke historische periode geroepen hebben gevoeld om bepaalde zaken te omarmen en andere af te wijzen. In grote lijnen vinden mensen allemaal dezelfde dingen ‘goed’ en dezelfde dingen ‘slecht’. Lokale en historische variaties veranderen volgens Hume niet dat de kern van de menselijke waarden hetzelfde blijft.

Onze sociale aard en welwillende houding tegenover andere mensen maakt volgens Hume dat we met een morele blik naar de wereld kijken. Maar dat betekent niet dat ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenschappen zijn die inherent zijn aan de dingen. ‘Goed’ en ‘kwaad’ bestaat niet onafhankelijk van onze geneigdheid bepaalde handelingen goed te keuren dan wel af te keuren. Het zijn geen feiten van de buitenwereld, geen eigenschappen van objecten, maar gewaarwordingen in de geest. Wanneer u een handeling of karakter als kwaad of kwaadaardig bestempelt bedoelt u niets anders dan dat u een gevoel van afkeuring voelt.

Onze aard als sociale wezens maakt dat er gelegenheden bestaan waarbij wij niet volledig in de greep zijn van onze emoties. Situaties waarin we ons niet laten meeslepen door onze persoonlijke doelen en waarbij we de menselijke wereld beschouwen vanuit een gezichtspunt van afzijdige niet betrokken nieuwsgierigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer we een verhaal, een tragedie of een historische roman lezen. Dit is ook het geval wanneer anderen ons hun problemen voorleggen en om ons oordeel vragen. Zoals in een rechtszaal. In dergelijke situaties worden onze emoties niet voor onszelf gewekt, maar ten behoeve van een ander. Ze zijn dan minder fel en we worden daardoor in zekere zin onpartijdiger.

Deze welwillende houding bezitten mensen van nature, en al hun percepties van het sociale leven zijn ermee doordrongen. Als onze persoonlijke doelstellingen er niet bij betrokken zijn en de feiten duidelijk zijn zullen we het er doorgaans wel over eens worden wat als ‘goed’ en ‘kwaad’ moet worden aangemerkt. Het opzij zetten van ons eigenbelang brengt onze welwillende aard als sociaal dier naar voren.

Volgens Hume ligt hier de bron van onze moraliteit. Als we ons eigenbelang opzij zetten en onpartijdig over de wereld nadenken maakt onze gemeenschappelijke menselijke natuur dat we meestal tot een gemeenschappelijke slotsom over ‘goed’ en ‘kwaad’ komen. De hieruit voortvloeiende emoties zijn weliswaar zwak in vergelijking tot de emoties waarmee onze zelfzuchtige verlangens gepaard gaan, maar zijn weldegelijk bestendig en onveranderlijk. Ze worden bovendien nog eens versterkt als ze bekrachtigd worden door de mening van anderen. De morele gevoelens van het collectief zijn veel krachtiger dan de eigen individuele moraliteit. Vandaar dat het gemeenschapsleven ons beperkingen oplegt die belichaamd worden door gewoonten en wetten.


Op die manier weet Hume na eerst de conventionele gedachten over moraliteit tot de grond toe te hebben afgebrand een nieuw fundament te leggen voor moraliteit, ethiek en recht.

maandag 18 april 2016

HERZIENING VAN EEN ONHERROEPELIJKE UITSPRAAK

De uitspraak van een (bestuurs)rechter is onherroepelijk wanneer daartegen geen gewoon rechtsmiddel, zoals hoger beroep, meer openstaat of nog aanhangig is. Doorgaans betekent dit dat partijen geen andere keuze hebben dan de uitspraak te accepteren. Onder bijzondere omstandigheden kan een onherroepelijke uitspraak echter worden herzien. Artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat de bestuursrechter een onherroepelijk geworden uitspraak (op verzoek van één van de partijen) kan herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden voordat de rechter uitspraak deed;
b. bij de indiener van het verzoek voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden als zij bij de rechter bekend waren geweest.

Herziening is niet bedoeld om het debat dat tijdens de procedure gevoerd is te heropenen. Het beoogt slechts een laatste mogelijkheid te bieden om een uitspraak aan te tasten indien er na de uitspraak nieuwe feiten en omstandigheden van vóór de uitspraak aan het licht komen waardoor de uitspraak geen stand meer kan houden. Zo blijkt onder andere uit een door bestuursrechters gebruikte standaard overweging in zaken waarin een beroep op herziening wordt gedaan: "Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Het bijzondere rechtsmiddel herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist, naar aanleiding van die uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht, of naar voren hadden kunnen worden gebracht, opnieuw onderscheidenlijk alsnog naar voren te brengen en aldus het debat te heropenen nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.”

Bestuursrechters wijzen herzieningsverzoeken dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen toe. In het overgrote deel van de zaken waarin een beroep op herziening werd gedaan, oordeelde de rechter dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ten tijde van de uitspraak nog niet bekend waren.

woensdag 6 april 2016

BELANGHEBBENDHEID EN HINDER VAN ENIGE BETEKENIS

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Een van de eisen, die aan een belanghebbende wordt gesteld, is dat het belang objectief bepaalbaar is. Niet elke betrokkenheid die iemand ervaart, is voldoende om te spreken van een rechtstreeks betrokken eigen belang. Tot nu toe speelde de mate van hinder hierbij geen rol. Daar komt bij uitspraak 201504206/1/A4 van 16 maart jongstleden verandering in.

In deze uitspraak wijzigt de Afdeling haar rechtspraak over de kring van belanghebbenden bij ‘milieuomgevingsvergunningen’. De Afdeling ziet voortaan “uit een oogpunt van eenvormige toepassing van artikel 1:2 van de Awb” aanleiding om bij de bepaling van de belanghebbendheid bij milieuomgevingsvergunningen aan te sluiten bij de rechtspraak over de belanghebbendheid bij evenementenvergunningen voor popfestivals en besluiten omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan. In die rechtspraak had de Afdeling duidelijk gemaakt dat de betrokkene aannemelijk moet maken dat hij, naar objectieve maatstaven gemeten, hinder van enige betekenis ondervindt. De Afdeling meent thans, dat er geen reden is om een onderscheid te maken bij de bepaling van de kring van belanghebbenden indien het gaat om de gevolgen van het verlenen van een evenementenvergunning, de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een milieuomgevingsvergunning. Dit betekent, dat voor de belanghebbendheid bij een milieuomgevingsvergunning voortaan aannemelijk moet zijn, dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Daarmee wordt de kring van belanghebbenden bij een milieuomgevingsvergunning nog weer verder beperkt.

maandag 4 april 2016

PROVINCIALE VERORDENING RUIMTE OVERRULED BESTEMMINGSPLAN

Op basis van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad voor het grondgebied van haar gemeente één of meerdere bestemmingsplannen vast. In een bestemmingsplan worden regels omtrent het gebruik van de grond en de zich op de grond bevindende bouwwerken vastgelegd. Artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening verleent aan de provincie de bevoegdheid om invloed uit te oefenen op de inhoud van bestemmingsplannen. De provincie kan daartoe in een provinciale verordening regels stellen. Iedere provincie beschikt over een zogenoemde ‘verordening ruimte’, waarin die regels worden vastgelegd.

In de praktijk blijkt dat gemeenten regelmatig die regels van de provinciale ruimtelijke verordening over het hoofd zien, met als gevolg dat een bestemmingsplan wegens strijdigheid daarmee door de Afdeling Bestuursrechtspraak wordt vernietigd. De Afdeling is doorgaans streng bij de interpretatie van de provinciale Verordening Ruimte. Wat betekent dat gemeenteraden nauwkeurig zullen moeten omgaan met de eisen en voorwaarden die de provinciale verordening stelt. Doen zij dit niet, dan is de kans groot dat het bestemmingsplan als gevolg van een succesvol beroep door een belanghebbende door de Afdeling wordt vernietigd. Dit lot trof ook een bestemmingsplan van de gemeenteraad Hillegom, in de zaak waarover de Afdeling op 2 maart 2016 uitspraak deed (201503081/1/R4).


De casus in Hillegom

In Hillegom heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ‘3e Loosterweg 130 e.o.’ gewijzigd vastgesteld bij besluit van 19 februari 2016. Dit plan maakt het mogelijk om twee burgerwoningen te realiseren op een perceel ten noorden van dat perceel. Tegen deze wijziging wordt door omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. Omwonenden stellen dat de wijziging in strijd is met hetgeen is bepaald in de Verordening Ruimte 2010 van de provincie Zuid-Holland.

Feitelijk bevindt het perceel waarop de burgerwoningen gebouwd zullen worden zich namelijk buiten de bebouwingscontouren die worden aangegeven op een kaart die bij de Verordening Ruimte. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening Ruimte mogen bestemmingsplannen die zien op gronddelen die buiten de bebouwingscontouren liggen geen bestemmingen bevatten die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken. De verordening laat onder voorwaarden een uitzondering op dit uitgangspunt toe.

De gemeenteraad stelt in haar toelichting bij het bestemmingsplan dat aan deze voorwaarden voldaan is. Voor wat betreft één van de burgerwoningen verwijst zij naar artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de Verordening Ruimte. Daarin is bepaald dat bestaande stedelijke functies verplaatst kunnen worden naar een nieuwe locatie indien daarmee de ruimtelijke kwaliteit verbetert én de bebouwing en verharding van de oorspronkelijke locatie wordt verwijderd zonder toepassing van het principe ‘ruimte voor ruimte’. Voor de andere burgerwoning grondt zij de toelaatbaarheid van de wijziging op artikel 3, tweede lid, onder a van de Verordening Ruimte. Dit artikel bevat het ‘ruimte voor ruimte’ principe. Dit principe houdt kort gezegd in dat als voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen gesloopt worden, dan wel sierteelt gesaneerd wordt en ter compensatie op dezelfde plaats of in de directe omgeving een woning gebouwd mag worden.

De Afdeling honoreert het standpunt van de omwonenden. Zij meent dat met het plan een functiewijziging mogelijk wordt gemaakt: de bedrijfswoning wordt vervangen door een burgerwoning op een ander perceel. De Verordening Ruimte leent zich volgens de Afdeling niet voor het mogelijk maken van een dergelijke functiewijziging. De verplaatsing kan dus niet op artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de Verordening Ruimte gebaseerd worden. Voor zover de gemeenteraad zou oordelen dat door de sanering van het agrarische bedrijf niet meer als bedrijfswoning, maar als burgerwoning aangemerkt moet worden en dientengevolge ook als burgerwoning verplaatst wordt, gaat de Afdeling niet in dit standpunt mee. De planologische status van de bedrijfswoning verandert volgens de Afdeling niet enkel en alleen doordat sanering plaats heeft gevonden.

Op basis van het bovenstaande concludeert de Afdeling dat het bestemmingsplan in strijd is met de Verordening Ruimte. Het is immers onduidelijk welke van de twee burgerwoningen mogelijk wordt gemaakt door toepassing van artikel, derde lid, aanhef en onder f van deze verordening. De bestreden plandelen hangen daarom ook dusdanig samen dat de Afdeling het gehele plan vernietigt.

maandag 25 januari 2016

DE 'OSLO PRINCIPLES'



De ‘Oslo Principles’ (hier voor de Principles en hier voor het commentaar) zijn begin 2015 opgesteld door een groep juridische experts, met de bedoeling de juridische verplichtingen van staten en bedrijven met betrekking tot klimaatverandering vast te stellen. De Nederlandse advocaat-generaal en hoogleraar aansprakelijkheidsrecht Jaap Spier nam samen met de Duitse filosoof Thomas Pogge van de Amerikaanse Yale University het initiatief voor dit document dat voluit, de ‘Oslo Principles on Global Climate Obligations’ wordt genoemd. Het stuk is vernoemd naar de Noorse hoofdstad waar de groep het raamwerk formuleerde. Dertien juristen en wetenschappers uit negen landen mengen zich zo in het internationale klimaatdebat. Onder hen rechters van het hooggerechtshof van Brazilië en van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De groep heeft op deze manier een handleiding opgesteld voor juristen die overheden via de rechter tot een meer effectieve klimaatpolitiek willen verplichten.

Het stuk begint met een formulering van het voorzorgbeginsel binnen het kader van de klimaatverandering en eist dat:
‘1. GHG (greenhouse gas, AGC) emissions be reduced to the extent and at a pace necessary to protect against the threats of climate change that can still be avoided; and
2. The level of reductions of GHG emissions required to achieve this, should be based on any credible and realistic worst-case scenario accepted by a substantial number of eminent climate change experts.’

In het zesde Principle wordt vervolgens verwacht dat zowel staten als ondernemingen: ‘take measures, based op Principle 1, to ensure that the global average surface temperature increase never exceeds pre-industrial temperature by more than 2 degrees Celsius.’ Het achtste Principl’ geeft zelf een gebod om af te zien van nieuwe activiteiten die een aanzienlijke toename van de productie van broeikasgassen veroorzaken. Volgens het elfde Principle bestaat er ongeacht de mate waarin aan de totale uitstoot van broeikasgassen wordt bijgedragen aansprakelijkheid voor de klimaatverandering. Dus ook kleine producenten zijn verantwoordelijk voor hun bijdrage aan de uitstoot.

Opvallend hierbij is dat de Principles zich niet alleen tot staten maar ook tot ondernemingen richten. De opstellers baseren zich hierbij op, onder andere, de ‘IFC Environmental, Health and Safety General Guidelines’, de ‘IFC Performance Standards on Environmental and Social Sustainability’ maar ook op de ‘OECD Guidelines for Multi-national Enterprises’. Hieruit blijkt dat de juridische verantwoordelijkheid van ondernemingen voor de klimaatverandering ongemerkt eigenlijk al deel uit maakt van het geldende recht. De zorgplicht van het eerste Principle kan zo indirect worden beschouwd als een ‘required standard of conduct’ van de ‘Principles of European tort law’. Deze Principles spreken voor gevaarzetting in artikel 4:103 als ‘required standard of conduct’ over: ‘A duty to act positively to protect others from damage may exist if law so provides, or if the actor creates or controls a dangerous situation, or when there is a special relationship between parties or when the seriousness of the harm on the one side and the ease of avoiding the damage on the other side point toward such a duty.’ Er bestaat dus een zorgplicht voor ieder bedrijf dat een gevaarlijke situatie schept of waarvan verwacht mag worden dat het een gevaarlijke situatie beheerst. Daar komt nog eens bij dat veel grote ondernemingen zich tegenwoordig in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen committeren aan mensenrechten en duurzame ontwikkeling.

Voor zowel staten als bedrijven lijkt er dus een juridisch afdwingbare verantwoordelijkheid te bestaan om al het redelijke te doen om de klimaatverandering te mitigeren. Hoewel hun waarde nog moet blijken, kunnen de Principes wereldwijd op een warme belangstelling rekenen. Met het oog op verschillende (juridische) ontwikkelingen op het gebied van klimaatverandering, waaronder de Urgenda-zaak en de Klimaattop in Parijs, zullen we in de toekomst zeker nog meer van de Oslo Principles horen.