maandag 19 oktober 2015

De intrekking van een milieuvergunning werkt zowel voor de Nbw als de Wro

In uitspraak nr. 201408103 van 14 oktober 2015 oordeelt de Afdeling dat het is toegestaan om de intrekking van een milieuvergunning zowel in het kader van de ruimtelijke ordening als in het kader van de natuurbeschermingswetgeving te gebruiken.

In de uitspraak wordt een beroepschrift tegen een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbescherimingswet 1998 behandeld. Volgens het beroep zou er, in het kader van externe saldering, geen directe samenhang bestaan tussen deze vergunning en de ingetrokken milieuvergnning. De milieuvergunning is niet ingetrokken ten behoeve van het bedrijf van vergunninghouder, maar op grond van de Beleidsregeling 'Rood voor rood'.

De Afdeling overweegt hierover echter dat  de omstandigheid dat het intrekkingsverzoek mede verban hield met deelname aan en regeling warbij een bepaalde compensatie is of zal worden genoten bij de sloop van de bedrijfsbebouwing, niet maakt dat de beĆ«indiging van de milieuvergunningplichtige activiteiten die plaatsvonden binnen die bedrijfsgebouwen, niet direct samenhangt met de uitbreiding van het bedrijf van vergunninghouder. Dit betekent dus dat de intrekking van een milieuvergunning zowel mag worden gebruikt in het kader van de ruimtelijke ordening ls in het kader van de Natuurbeschermingswet. Dat neemt natuurlijk niet weg dat sinds 1 juli 2015 met de inwerkingtreding van de Programmatische Aanpak Stikstof in de Natuurbeschermingswet een expliciet verbod op extern salderen is opgenomen. Voor toekomstige gevallen heeft deze uitspraak dus niet zo heel veel nut meer.


maandag 12 oktober 2015

VERKEERD BESTEMMINGSPLAN OP WWW.RUIMTELIJKEPLANNEN.NL LEIDT TOT STRIJD MET HET RECHTSZEKERHEIDSBEGINSEL

In tussenuitspraak nr. 201500345/1/R3 van 30 september 2015 overweegt de Afdeling dat na vaststelling van het betreffende bestemmingsplan een rechtsonzekere situatie is ontstaan doordat op www.ruimtelijkeplannen.nl een versie van het bestemmingsplan beschikbaar is gesteld die niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan zoals de raad dat blijkens het vaststellingsbesluit heeft vastgesteld. De stellingen van de raad dat op de gemeentelijke website de juiste versie beschikbaar was en dat uit de raadsstukken en de publicatie in de Staatscourant blijkt op welke wijze het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, maken dat niet anders. Ingevolge artikel 1.2.1a, onder b, van het Bro, gelezen in samenhang met artikel 1.2.1, tweede lid, van het Bro is de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl, immers leidend. De Afdeling stelt vast dat hangende de thans lopende procedure in deze zaak op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl, weliswaar de juiste versie van artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder a, van de planregels is geplaatst, waarmee die versie in overeenstemming is gebracht met de versie van het plan die blijkens het raadsbesluit is vastgesteld en op de gemeentelijke website kon worden ingezien, maar dat ten onrechte geen publicatie heeft plaatsgevonden van het plaatsen van de juiste versie op www.ruimtelijkeplannen.nl. Nu een kennisgeving dat en met ingang van welke datum de juiste versie van het bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl beschikbaar is gesteld ontbreekt, is de raad er dan ook niet in geslaagd de hiervoor omschreven rechtsonzekere situatie weg te nemen. Gelet hierop is het vaststellingsbesluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De gemeenteraad van Nijmegen krijgt 20 weken de tijd om het gebrek, samen met nog een paar andere gebreken, op grond van artikel 8:51d van de Awb te herstellen.

maandag 5 oktober 2015

URGENDA NADER BEKEKEN

Zoals hier al eerder gemeld deed de Haagse rechtbank op 24 juni 2015 (C/09/456689/HAZA 13-1396) een bijzondere uitspraak. Een uitspraak die de wereld over is gegaan en die meer dan alleen Nederlandse betekenis heeft. Het loont dus zeker de moeite om hier eens wat meer aandacht aan te besteden.
De Stichting Urgenda, een samentrekking van 'urgente agenda' is een burgerplatform dat zich bezighoudt met klimaatverandering en duurzame ontwikkeling. Urgenda had een civiele procedure aangespannen tegen de Nederlandse Staat waarin zij eist dat deze meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen om zo te voorkomen dat de aarde met meer dan twee graden Celsius opwarmt.Volgens de stichting voert de Staat geen adequaat klimaatbeleid. Door te streven naar een reductie van de CO2 uitstoot ten opzichte van 1990 met 20% handelt de Staat onrechtmatige en schendt zijn zorgplicht ten opzichte van de Nederlandse bevolking.
De landsadvocaat stelt daartegenover dat er voor de Staat geen uit het nationale of internationale recht af te leiden rechtsplicht bestaat om ook echt de noodzakelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om de reductiedoelstellingen te halen. Het is niet aan de rechter om in de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid te treden.
In de uitspraak gaat de Haagse rechtbank eerst uitvoerig in op de feiten over klimaatverandering. Uit rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC), het United Nations Environment Programme (UNEP), het KNMI, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en andere instanties blijkt onomstotelijk dat er een ernstig door vooral de industriĆ«le landen veroorzaakt klimaatprobleem bestaat. Vervolgens schetst de rechtbank het juridisch kader: het VN-Klimaatverdrag met het Kyoto-protocol, het Europese Unie-recht, waaronder de artikelen 191 en 193 VWEU, de nationale implementatiewetgeving en de grondwettelijke zorgplicht van artikel 21 van de Grondwet.
Op grond van de eerder aangehaalde onderzoeksrapporten concludeert de rechtbank vervolgens dat uit de stand van de klimaatwetenschap blijkt dat voor het voorkomen van gevaarlijke klimaatverandering een reductiedoelstelling van 25- tot 40% in 2020 en van 85- tot 95% in 2050 noodzakelijk is. Tevens concludeert de rechtbank dat Nederland op grond van het huidige klimaatbeleid op z'n best zou uitkomen op een reductie van 17% in 2020.
De centrale rechtsvraag was nu of de Nederlandse Staat daarmee zijn zorgplicht voor het welzijn van zijn burgers, daaronder ook begrepen toekomstige generaties, schendt. De rechtbank komt eerst tot het oordeel dat artikel 21 Grondwet, het no harm-beginsel, het VN Klimaatverdrag met daarbij het Kyoto Protocol en het Europese recht geen directe werking hebben, zodat ze geen rechtsplichten van de Staat jegens Urgenda bevatten. Dat neemt niet weg, aldus de rechtbank, dat al deze regelingen in samenhang met artikel 2 (het recht op leven) en artikel 8 (het recht op een ongestoord gezinsleven) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens relevant zijn om te kunnen beoordelen of de Staat zijn algemene zorgplicht schendt doordat hij onvoldoende maatregelen treft om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.
Om dat te bepalen verwijst de rechtbank naar de beginselen van bescherming van het klimaatsysteem voor huidige en toekomstige generaties uit het internationale klimaatrecht en uit het Europees recht naar het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het voorzorgsbeginsel en het preventiebeginsel. Weliswaar komt volgens de rechtbank ook aan deze beginselen geen directe werking toe, maar zij vormen wel het kader voor en de wijze van de bevoegdheidsuitoefening door de Staat en daarmee ook voor de vraag of de Staat onrechtmatig handelt tegenover Urgenda. Het enkele feit dat de Nederlandse bijdrage slechts 0,5% van de wereldwijde uitstoot bedraagt, doet er niet aan af dat klimaatverandering zowel een mondiaal als een Nederlands probleem is. Een probleem waartegen de Staat verplicht is voorzorgsmaatregelen te treffen.
De rechtbank oordeelt dat uit al het wetenschappelijk onderzoek volgt dat een reductiedoelstelling van 25% de absolute ondergrens vormt om een onrechtmatige gevaarzetting door de Staat te kunnen vermijden. Met het huidige beleid ontstaat een teveel aan broeikasgas tussen nu en 2020 dat aan de Staat kan worden toegerekend en daarmee handelt de Staat tegenover Urgenda onzorgvuldig en onrechtmatig.
De rechtbank overweegt uitvoerig of de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid of het stelsel van de machtenscheiding (de trias politica) in de weg staan aan een toewijzing van de vordering. De rechtbank meent echter dat daar voldoende rekening mee is gehouden nu Urgenda zich richt op de uit wetenschappelijk onderzoek voortvloeiende absolute ondergrens van een reductie met 25%. De rechtbank beveelt de Staat dan ook om het gezamenlijk volume van de jaarlijkse Nederlandse emissies van broeikasgassen zodanig te beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2020 met ten minste 25% zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 1990.