donderdag 21 mei 2015

KAN JE EEN OMGEVINGSVERGUNNING AANVRAGEN OP ANDERMANS GROND?

Uit artikel 1:3, derde lid, Algemene wet bestuursrecht volgt dat alleen een belanghebbende een vergunningaanvraag kan indienen. Je zou verwachten dat iemand die niet zelf eigenaar van de grond is en al evenmin civielrechtelijk toestemming heeft gekregen van de eigenaar niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Toch ligt het wat genuanceerder.

In een uitspraak van 17 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:375) heeft de Afdeling namelijk overwogen dat het niet zo is dat indien de aanvrager geen eigenaar is van de grond waarop het bouwplan is voorzien, tussen de aanvrager en de eigenaar van de grond een rechtsverhouding met betrekking tot die grond moet bestaan om te kunnen aannemen dat de aanvrager belang heeft bij de aanvraag. Verder overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat de eigenaar van de grond, de gemeente, thans niet bereid is mee te werken aan de totstandkoming van een dergelijke rechtsverhouding en geen toestemming geeft voor het bouwplan er evenmin toe leidt dat degene die de aanvraag heeft ingediend niet als belanghebbende is aan te merken. Het is vanwege de nog lopende civiele procedure met betrekking tot de voorziene snackbar niet uitgesloten dat alsnog toestemming wordt verkregen, zodat niet op voorhand is uitgesloten dat op enig moment van de omgevingsvergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt.

Ook in de uitspraken van 22 juni 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ8826), 21 maart 2012, (ECLI:NL:RVS2012:BV9449), 11 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1563) en 12 juni 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:CA2859) leidt de omstandigheid dat degene van wie het verzoek om vergunning afkomstig is, geen eigenaar is van de grond waarop het bouwplan betrekking heeft er niet toe dat geen sprake is van een belanghebbende.

In de literatuur wordt hier nog wel eens de conclusie uit getrokken dat je zonder problemen op de grond van je buurman een bouwvergunning kunt aanvragen. Ongeacht of hij bereidt is om de grond uiteindelijk te verkopen of niet. Zolang het maar aannemelijk is dat er ooit een situatie zou kunnen ontstaan waarbij je de grond toch in eigendom zou kunnen krijgen. Ik denk dat je er als potentiële aanvrager toch verstandig aan doet om er voor te zorgen dat er een civielrechtelijke verhouding met de grondeigenaar bestaat. In het hier genoemde arrest van 17 juli 2013 bestond die verhouding weliswaar niet, maar was er wel sprake van een juridische procedure om de verkoop van de grond af te dwingen. En in de andere arresten was er telkens sprake van één of andere vorm van een civielrechtelijke verhouding met de grondeigenaar.

Het antwoord op bovengenoemde vraag is dus niet een volmondig ja, maar een wat weifelachtig soms wel soms niet. Het is gewoon verstandig om er voor te zorgen dat er een harde civielrechtelijke afspraak met de grondeigenaar ligt, voordat je een vergunningaanvraag indient.

maandag 4 mei 2015

UITSPRAAK OVER HET RELATIVITEITSVEREISTE

In zaak  nr.20140732)  van 29 april jongstledenheeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over de wijze waarop het relativiteitsvereiste moet worden toegepast ten aanzien van het aspect geur. Op grond van artikel 8:69a Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroep. Er moet een verband bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

In de onderhavige zaak ging het om een omgevingsvergunning voor het veranderen van een pluimveehouderij. Bij de woning van appellant wordt wekiswaar voldaan aan de geurnorm, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, sub b, Wet geurhinder en veehouderij, maar van een aantal andere woningen staat vast dat niet wordt voldaan aan de geurnorm, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, sub a, van deze wet.

De Afdeling overweegt dat de toepassing van artikel 3, vierde lid, verband houdt met de overschrijding van de voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom, in artikel 3, eerste lid, onder a, opgenomen norm van 3 odour units per kubieke meter lucht, welke strekt tot bescherming van het belang van de bewoners van de genoemde woningen aan de Bergerothweg bij beperking van de geuremissie. De overschreden norm en de in artikel 3, vierde lid, neergelegde regeling, die uitsluitend wegens die overschrijding behoort te worden toegepast, strekken aldus niet tot bescherming van voormeld belang van [appellant], maar tot bescherming van dat van de bewoners van de aan de Bergerothweg gelegen woningen en van het belang van de vergunningaanvrager bij het verkrijgen van de vergunning. De conclusie van de Afdeling is dan ook dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 8:69a van de Awb aan een mogelijke vernietiging van het besluit van 21 mei 2013 in de weg staat.

Het vorenstaande neemt volgens de Afdeling echter niet weg dat een belanghebbende die opkomt tegen een milieu-omgevingsvergunning zich kan beroepen op de voor zijn woning geldende geurnorm die weliswaar niet ter plaatse van zijn woning, maar wel ter plaatse van een woning van een derde, waar die norm eveneens geldt, wordt overschreden. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Maar dat betekent wel dat een succesvol hogerberoep mogelijk is bij een overschrijding van een geurnorm ten aanzien van een andere woning, zonder dat deze stuit op het relativiteitsvereiste. Het moet dan dus wel gaan om dezelfde geurnorm als de geurnorm die geldt voor de woning van de appellant zelf.