JURIDISCH NIEUWS
De ‘Grote Kamer’ in
het bestuursrecht
Op 29 januari 2014 kwam de eerste uitspraak af van de grote kamer (ECLI:NL:RVS:2014:188). Die uitspraak is om meerdere redenen bijzonder. De grote kamer is een kamer van vijf rechters, die alleen bijeen kan worden geroepen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de CRvB en het CBb; niet door de rechtbanken of de belastingkamers van de hoven. De grote kamer (art 8:10a Awb) is vooral bedoeld om rechtseenheid te bewerkstelligen tussen de hoogste bestuursrechters. Hoewel de Hoge Raad geen gebruik kan maken van de grote kamer, doet de Hoge Raad wel mee. Dit blijkt uit het feit dat een rechter van de Hoge Raad onderdeel uitmaakte van de kamer, naast rechters van ABRvS, CRvB en CBb.
De uitspraak is ook bijzonder omdat daarbij voor het eerst kon worden geprofiteerd van een conclusie (art. 8:12a Awb). Op 23 oktober 2013 nam staatsraad advocaat-generaal Widdershoven de eerste conclusie (ECLI:NL:RVS:2013:1586). Inmiddels zijn er in drie zaken conclusies uitgebracht.
De uitspraak van 29 januari 2014 heeft betrekking op schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Over de lengte van de redelijke termijn in niet punitieve zaken liep de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters uiteen (4 of 5 jaar?). Omdat de minister heeft laten weten dat er geen wettelijke regeling komt, waren de bestuursrechters genoodzaakt zelf rechtseenheid te scheppen. De knoop is doorgehakt op vier jaar. Dat is nu de maximaal redelijke termijn voor een procedure in het bestuursrecht, zowel in boetezaken als in niet punitieve zaken. Duurt de procedure langer, dan bestaat in beginsel recht op schadevergoeding. In de uitspraak is ook besloten dat de periode gemoeid met het stellen en beantwoorden van prejudiciele vragen niet meetelt bij de duur van de redelijke termijn. De kop is er af; het wachten is op de volgende grote kamerzaak.
Op 29 januari 2014 kwam de eerste uitspraak af van de grote kamer (ECLI:NL:RVS:2014:188). Die uitspraak is om meerdere redenen bijzonder. De grote kamer is een kamer van vijf rechters, die alleen bijeen kan worden geroepen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de CRvB en het CBb; niet door de rechtbanken of de belastingkamers van de hoven. De grote kamer (art 8:10a Awb) is vooral bedoeld om rechtseenheid te bewerkstelligen tussen de hoogste bestuursrechters. Hoewel de Hoge Raad geen gebruik kan maken van de grote kamer, doet de Hoge Raad wel mee. Dit blijkt uit het feit dat een rechter van de Hoge Raad onderdeel uitmaakte van de kamer, naast rechters van ABRvS, CRvB en CBb.
De uitspraak is ook bijzonder omdat daarbij voor het eerst kon worden geprofiteerd van een conclusie (art. 8:12a Awb). Op 23 oktober 2013 nam staatsraad advocaat-generaal Widdershoven de eerste conclusie (ECLI:NL:RVS:2013:1586). Inmiddels zijn er in drie zaken conclusies uitgebracht.
De uitspraak van 29 januari 2014 heeft betrekking op schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Over de lengte van de redelijke termijn in niet punitieve zaken liep de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters uiteen (4 of 5 jaar?). Omdat de minister heeft laten weten dat er geen wettelijke regeling komt, waren de bestuursrechters genoodzaakt zelf rechtseenheid te scheppen. De knoop is doorgehakt op vier jaar. Dat is nu de maximaal redelijke termijn voor een procedure in het bestuursrecht, zowel in boetezaken als in niet punitieve zaken. Duurt de procedure langer, dan bestaat in beginsel recht op schadevergoeding. In de uitspraak is ook besloten dat de periode gemoeid met het stellen en beantwoorden van prejudiciele vragen niet meetelt bij de duur van de redelijke termijn. De kop is er af; het wachten is op de volgende grote kamerzaak.
De judiciële lus
Sinds 1 januari 2013 kent de Algemene wet bestuursrecht de judiciële lus (artikel 8:113, lid 2). In twee uitspraken van 23 oktober (ECLI:NL:RVS:2013:1659) en 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2273) heeft de ABRvS die lus voor het eerst toegepast.
Bij de judiciële lus gaat het om de situatie dat de hogerberoepsrechter in een einduitspraak zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden bestuursbesluit vernietigt. Het bestuur is aan zet om een nieuw besluit te nemen. Normaal gesproken moet een belanghebbende die zich niet in dat nieuwe besluit kan vinden daartegen eerst weer beroep instellen bij de rechtbank. Nieuw is dat de hogerberoepsrechter kan bepalen dat een belanghebbende tegen het nieuwe besluit ‘slechts’ beroep kan instellen bij de hogerberoepsrechter. Dit wordt ook wel ‘spronghogerberoep’ genoemd. We kunnen het beter ‘sprongberoep’ noemen, het gaat immers niet om een vorm van hoger beroep, maar om een vorm van beroep in eerste en enige aanleg bij de hogerberoepsrechter. Of het ‘beroep’ of ‘hoger beroep’ betreft is relevant, onder andere voor de (on)mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen en de hoogte van het te betalen griffierecht.
Bestuursorganen moeten opletten dat ze een aangepaste rechtsmiddelenclausule onder het nieuwe besluit opnemen. Bij een te herstellen gebrek in het bestuursbesluit zal een belangrijke vraag worden: bestuurlijke lus of judiciële lus? Bij de bestuurlijke lus doet de bestuursrechter een tussenuitspraak. De zaak blijft aanhangig bij en onder regie van de bestuursrechter. Een nieuw besluit kan worden meegenomen in de lopende procedure, zonder dat hiervoor griffierecht moet worden betaald. Voor procespartijen heeft de bestuurlijke lus belangrijke voordelen ten opzichte van de judiciële lus. Voor de bestuursrechter ligt dat anders. Mijn tip: bespreek voor- en nadelen van de beide opties met de rechter op zitting. Mijn verwachting: de bestuurlijke lus zal het “winnen” van de judiciële lus.
Sinds 1 januari 2013 kent de Algemene wet bestuursrecht de judiciële lus (artikel 8:113, lid 2). In twee uitspraken van 23 oktober (ECLI:NL:RVS:2013:1659) en 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2273) heeft de ABRvS die lus voor het eerst toegepast.
Bij de judiciële lus gaat het om de situatie dat de hogerberoepsrechter in een einduitspraak zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden bestuursbesluit vernietigt. Het bestuur is aan zet om een nieuw besluit te nemen. Normaal gesproken moet een belanghebbende die zich niet in dat nieuwe besluit kan vinden daartegen eerst weer beroep instellen bij de rechtbank. Nieuw is dat de hogerberoepsrechter kan bepalen dat een belanghebbende tegen het nieuwe besluit ‘slechts’ beroep kan instellen bij de hogerberoepsrechter. Dit wordt ook wel ‘spronghogerberoep’ genoemd. We kunnen het beter ‘sprongberoep’ noemen, het gaat immers niet om een vorm van hoger beroep, maar om een vorm van beroep in eerste en enige aanleg bij de hogerberoepsrechter. Of het ‘beroep’ of ‘hoger beroep’ betreft is relevant, onder andere voor de (on)mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen en de hoogte van het te betalen griffierecht.
Bestuursorganen moeten opletten dat ze een aangepaste rechtsmiddelenclausule onder het nieuwe besluit opnemen. Bij een te herstellen gebrek in het bestuursbesluit zal een belangrijke vraag worden: bestuurlijke lus of judiciële lus? Bij de bestuurlijke lus doet de bestuursrechter een tussenuitspraak. De zaak blijft aanhangig bij en onder regie van de bestuursrechter. Een nieuw besluit kan worden meegenomen in de lopende procedure, zonder dat hiervoor griffierecht moet worden betaald. Voor procespartijen heeft de bestuurlijke lus belangrijke voordelen ten opzichte van de judiciële lus. Voor de bestuursrechter ligt dat anders. Mijn tip: bespreek voor- en nadelen van de beide opties met de rechter op zitting. Mijn verwachting: de bestuurlijke lus zal het “winnen” van de judiciële lus.
Verordening Invasieve
Uitheemse soorten
In april heeft het Europees Parlement de Verordening Invasieve Uitheemse soorten vastgesteld. Invasieve uitheemse soorten zijn planten, dieren en micro-organismen die door menselijk toedoen in een nieuw gebied terechtkomen, zich daar kunnen vestigen en verspreiden en schade kunnen veroorzaken aan bijvoorbeeld de inheemse flora en fauna of de volksgezondheid. Op grond van de verordening stelt de Europese Commissie een lijst vast van soorten die aangepakt moeten worden. Te verwachten is dat die lijst meer dan 50 soorten zal omvatten. Voor al die soorten zal Nederland maatregelen moeten nemen in de sfeer van invoer- en bezitspreventie, voorkómen van verspreiding in de natuur en verwijdering van aanwezige exemplaren.
In april heeft het Europees Parlement de Verordening Invasieve Uitheemse soorten vastgesteld. Invasieve uitheemse soorten zijn planten, dieren en micro-organismen die door menselijk toedoen in een nieuw gebied terechtkomen, zich daar kunnen vestigen en verspreiden en schade kunnen veroorzaken aan bijvoorbeeld de inheemse flora en fauna of de volksgezondheid. Op grond van de verordening stelt de Europese Commissie een lijst vast van soorten die aangepakt moeten worden. Te verwachten is dat die lijst meer dan 50 soorten zal omvatten. Voor al die soorten zal Nederland maatregelen moeten nemen in de sfeer van invoer- en bezitspreventie, voorkómen van verspreiding in de natuur en verwijdering van aanwezige exemplaren.
Nieuwe Natuurwet naar Tweede
Kamer
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft op 18 juni 2014 een gewijzigde Wet Natuurbescherming naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze nieuwe Natuurwet krijgen de provincies de wettelijke plicht hun natuurbeleid vast te leggen. Daarnaast kunnen de provincies zelf gebieden aanwijzen die belangrijk zijn voor de natuur in die provincie
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft op 18 juni 2014 een gewijzigde Wet Natuurbescherming naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze nieuwe Natuurwet krijgen de provincies de wettelijke plicht hun natuurbeleid vast te leggen. Daarnaast kunnen de provincies zelf gebieden aanwijzen die belangrijk zijn voor de natuur in die provincie
.
Toetsversie van de
Omgevingswet
Begin 2013 is de toetsversie van de Omgevingswet gepubliceerd met bijbehorende
memorie van toelichting. Deze toetsversie geeft een goede eerste indruk van de
richting waarin het Omgevingsrecht evolueert. Tientallen omgevingswetten, zoals
de Wabo, de Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet, de Natuurbeschermingswet 1998,
de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder zullen een
plaats krijgen in deze wet. Andere wetten, zoals de Wet ammoniak en veehouderij
en de Wet geurhinder en veehouderij zullen worden ingetrokken.De
Omgevingswet is wellicht de meest omvangrijke naoorlogse bundelingsoperatie.
Hoewel de wet pas in 2017 of 2018 in het Staatsblad wordt verwacht, is het
belang voor de praktijk nu al groot. Overheden kunnen alvast anticiperen op
nieuwe ontwikkelingen zoals het omgevingsplan dat de plaats van het
bestemmingsplan zal innemen. Bedrijven en burgers zullen te maken krijgen met
een omgevingsvergunning, waarin ook de watervergunning en de
natuurbeschermingsvergunning zijn opgenomen.
JURISPRUDENTIE
Salderingssysteem van de provincie Gelderland naar de
prullenbak verwezen
De Raad van State heeft vijftien vergunningen vernietigd (AbRvS 201309550/2/R2 van 28 maart 2014) die de provincie Gelderland had verleend voor uitbreidingsplannen van veehouderijen. Door nog eens 109 verleende Natuurbeschermingswetvergunningen wordt waarschijnlijk ook een streep gezet. De stikstofuitstoot is niet goed beoordeeld. De provincie Gelderland ontwikkelde een eigen salderingssysteem, waarbij de provincie bijhield welke bedrijven door stoppen of verkleinen emissieruimte inleveren. Nieuwe aanvragen konden daartegen worden weggestreept. Die werkwijze is nu door de Raad van State naar de prullenmand verwezen. Als een bedrijfsuitbreiding potentieel schadelijke gevolgen heeft voor natuur en milieu, moet de provincie een zogenoemde ‘passende beoordeling’ maken. De provincie moet onderzoeken hoe het daadwerkelijk zit met de uitstoot van ammoniak. Eenvoudig wegstrepen van oude vergunningen tegen nieuwe aanvragen, volstaat dus niet.
De Raad van State heeft vijftien vergunningen vernietigd (AbRvS 201309550/2/R2 van 28 maart 2014) die de provincie Gelderland had verleend voor uitbreidingsplannen van veehouderijen. Door nog eens 109 verleende Natuurbeschermingswetvergunningen wordt waarschijnlijk ook een streep gezet. De stikstofuitstoot is niet goed beoordeeld. De provincie Gelderland ontwikkelde een eigen salderingssysteem, waarbij de provincie bijhield welke bedrijven door stoppen of verkleinen emissieruimte inleveren. Nieuwe aanvragen konden daartegen worden weggestreept. Die werkwijze is nu door de Raad van State naar de prullenmand verwezen. Als een bedrijfsuitbreiding potentieel schadelijke gevolgen heeft voor natuur en milieu, moet de provincie een zogenoemde ‘passende beoordeling’ maken. De provincie moet onderzoeken hoe het daadwerkelijk zit met de uitstoot van ammoniak. Eenvoudig wegstrepen van oude vergunningen tegen nieuwe aanvragen, volstaat dus niet.
Kostenverhaal
bij bestuursdwang (ABRvS 12 februari 2014, JM 2014/76 en ABRvS 11
januari 2012, 201104374/1/H1)
Bij een bestuursdwangbeschikking mag het college van burgemeester en wethouders op kosten van de overtreder de noodzakelijke maatregelen treffen om de overtreding ongedaan te maken. Als bij het opleggen van de last wordt aangegeven dat dit op kosten van die overtreder gebeurt (artikel 5:25, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen die kosten worden verhaald. Daartoe moet dan wel eerst een aparte (kostenverhaals)beschikking worden genomen om de hoogte van die kosten vast te stellen (artikel 5:25, zesde lid, Awb).
Wanneer die kostenverhaalsbeschikking door de overtreder wordt bestreden moet gespecificeerd worden aangegeven hoeveel uur, tegen welk uurtarief en welke werkzaamheden zijn verricht voor het gefactureerde bedrag. Het gaat om de werkelijk gemaakte kosten.
Alleen de kosten die worden gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn kunnen worden verhaald (artikel 5:25, derde lid, Awb). Wanneer er geen begunstigingstermijn is gegund (bijvoorbeeld bij spoedeisende bestuursdwang) is kostenverhaal niet mogelijk. De Afdeling wijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis van artikel 5:25, derde lid Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101). Hierin staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan.
Bij een bestuursdwangbeschikking mag het college van burgemeester en wethouders op kosten van de overtreder de noodzakelijke maatregelen treffen om de overtreding ongedaan te maken. Als bij het opleggen van de last wordt aangegeven dat dit op kosten van die overtreder gebeurt (artikel 5:25, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen die kosten worden verhaald. Daartoe moet dan wel eerst een aparte (kostenverhaals)beschikking worden genomen om de hoogte van die kosten vast te stellen (artikel 5:25, zesde lid, Awb).
Wanneer die kostenverhaalsbeschikking door de overtreder wordt bestreden moet gespecificeerd worden aangegeven hoeveel uur, tegen welk uurtarief en welke werkzaamheden zijn verricht voor het gefactureerde bedrag. Het gaat om de werkelijk gemaakte kosten.
Alleen de kosten die worden gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn kunnen worden verhaald (artikel 5:25, derde lid, Awb). Wanneer er geen begunstigingstermijn is gegund (bijvoorbeeld bij spoedeisende bestuursdwang) is kostenverhaal niet mogelijk. De Afdeling wijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis van artikel 5:25, derde lid Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101). Hierin staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan.
NATUUR EN MILIEUNIEUWS
Visstand Waddenzee sterk gedaald
Volgens de Waddenvereniging blijkt uit cijfers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) dat de visstand in de Waddenzee de afgelopen vijftig jaar flink is achteruitgegaan. Van Schol tot Tong en van Paling tot Harder is het aantal vissen in de zee ''nog maar een fractie van wat het in de jaren zestig was''. De oorzaak van de daling is niet duidelijk. Het zou door overbevissing, het warmere zeewater of het afsluiten van het IJsselmeer kunnen komen, maar ook bijvoorbeeld door het opzuigen en elders opspuiten van zand.
Volgens de Waddenvereniging blijkt uit cijfers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) dat de visstand in de Waddenzee de afgelopen vijftig jaar flink is achteruitgegaan. Van Schol tot Tong en van Paling tot Harder is het aantal vissen in de zee ''nog maar een fractie van wat het in de jaren zestig was''. De oorzaak van de daling is niet duidelijk. Het zou door overbevissing, het warmere zeewater of het afsluiten van het IJsselmeer kunnen komen, maar ook bijvoorbeeld door het opzuigen en elders opspuiten van zand.
IPPC rapport
De samenvatting voor beleidsmakers (SPM) van het IPPC rapport zal straks in Parijs, waar in 2015 een nieuw klimaatakkoord moet worden gesloten, een heel belangrijke rol gaan spelen. Wat hier zwart-op-wit staat, kan daar niet meer ter discussie worden gesteld. Volgens de auteurs is het nog steeds mogelijk om, tegen relatief geringe kosten, gevaarlijke opwarming te voorkomen. Zonder maatregelen groeit de consumptie naar verwachting wereldwijd met 1,6 tot 3 procent per jaar. Als er werk wordt gemaakt van een ambitieus mitigatieprogramma (een CO2-reductie van 40 tot 70 procent in het midden van de eeuw en een vrijwel koolstof-neutrale energieopwekking rond 2100) zou dat een daling van de consumptiegroei met 0,06 procentpunten betekenen.
Maar dat is meteen het probleem. Want ondanks het reductiebeleid in een groot aantal landen, en ondanks een kleine dip in de CO2-uitstoot door de economische crisis, blijkt de uitstoot van broeikasgassen onverminderd door te gaan. De afgelopen tien jaar steeg die met 2,2 procent, wat een snellere stijging is dat in de decennia daarvoor.
Bij ongewijzigd beleid zal de concentratie van broeikasgassen, die in 2011 nog ongeveer 430 ppm bedroeg (CO2-eq, dus met de overige broeikasgassen, omgerekend naar CO2), in 2030 uitkomen boven de 450 ppm en doorstijgen naar 750-1300 ppm aan het eind van de eeuw. Dat zou kunnen leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur met 3 tot 5 graden Celsius
De samenvatting voor beleidsmakers (SPM) van het IPPC rapport zal straks in Parijs, waar in 2015 een nieuw klimaatakkoord moet worden gesloten, een heel belangrijke rol gaan spelen. Wat hier zwart-op-wit staat, kan daar niet meer ter discussie worden gesteld. Volgens de auteurs is het nog steeds mogelijk om, tegen relatief geringe kosten, gevaarlijke opwarming te voorkomen. Zonder maatregelen groeit de consumptie naar verwachting wereldwijd met 1,6 tot 3 procent per jaar. Als er werk wordt gemaakt van een ambitieus mitigatieprogramma (een CO2-reductie van 40 tot 70 procent in het midden van de eeuw en een vrijwel koolstof-neutrale energieopwekking rond 2100) zou dat een daling van de consumptiegroei met 0,06 procentpunten betekenen.
Maar dat is meteen het probleem. Want ondanks het reductiebeleid in een groot aantal landen, en ondanks een kleine dip in de CO2-uitstoot door de economische crisis, blijkt de uitstoot van broeikasgassen onverminderd door te gaan. De afgelopen tien jaar steeg die met 2,2 procent, wat een snellere stijging is dat in de decennia daarvoor.
Bij ongewijzigd beleid zal de concentratie van broeikasgassen, die in 2011 nog ongeveer 430 ppm bedroeg (CO2-eq, dus met de overige broeikasgassen, omgerekend naar CO2), in 2030 uitkomen boven de 450 ppm en doorstijgen naar 750-1300 ppm aan het eind van de eeuw. Dat zou kunnen leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur met 3 tot 5 graden Celsius
.
Australië droogt uit
Onderzoekers van de Universiteit van Melbourne melden dat de toenemende droogte in Australië een menselijke oorsprong heeft. Aan de hand van een computermodel stelden de wetenschappers vast dat de toename van broeikasgassen er voor zorgt dat westenwinden rond de Zuidpool vochtige lucht wegzuigt van het Australische continent. Op termijn zullen hierdoor steeds vaker droogtes voorkomen in het zuidwesten van dit land.
Onderzoekers van de Universiteit van Melbourne melden dat de toenemende droogte in Australië een menselijke oorsprong heeft. Aan de hand van een computermodel stelden de wetenschappers vast dat de toename van broeikasgassen er voor zorgt dat westenwinden rond de Zuidpool vochtige lucht wegzuigt van het Australische continent. Op termijn zullen hierdoor steeds vaker droogtes voorkomen in het zuidwesten van dit land.
En Antarctica smelt
De gletsjers op West-Antarctica lijken niet meer te stoppen met smelten. Ze zullen blijven smelten en uiteindelijk verdwijnen. Bovendien blijkt dat die gletsjers veel sneller smelten dan onderzoekers voorheen dachten. Ieder jaar komt net zoveel smeltwater van die gletsjers af als van heel Groenland. De zeespiegel stijgt met 1,2 meter als de gletsjers volledig smelten. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers, verbonden aan NASA en de universiteit van Californië, in het vakblad Geophysical Research Letters.
De gletsjers op West-Antarctica lijken niet meer te stoppen met smelten. Ze zullen blijven smelten en uiteindelijk verdwijnen. Bovendien blijkt dat die gletsjers veel sneller smelten dan onderzoekers voorheen dachten. Ieder jaar komt net zoveel smeltwater van die gletsjers af als van heel Groenland. De zeespiegel stijgt met 1,2 meter als de gletsjers volledig smelten. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers, verbonden aan NASA en de universiteit van Californië, in het vakblad Geophysical Research Letters.