maandag 27 juli 2015

INDIVIDUELE BEHANDELING VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER

Huishoudelijk afvalwater wordt in de Wet milieubeheer gedefinieerd als ‘afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden’. Normaal gesproken komt dit water in het riool terecht. Daar waar echter geen riolering aanwezig is, dient het afvalwater alvorens het in de bodem of op het oppervlaktewater te lozen, gezuiverd te worden. Dit gebeurt met een zuiveringsvoorziening, die ook wel IBA wordt genoemd. IBA staat voor Individuele Behandeling van Afvalwater. De eisen waar zo’n installatie aan moet voldoen zijn verwoord in het gemeentelijke rioleringsplan en vinden hun wettelijke basis in artikel 10:33, tweede lid, Wet milieubeheer en artikel 3.16 van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

Het Activiteitenbesluit, het Besluit lozing afvalwater huishoudens en het Besluit lozen buiten inrichtingen zien allemaal op het lozen van huishoudelijk afvalwater dat niet in het riool terecht komt. De deregulering belooft dat alles er eenvoudiger op wordt. Vandaar dat er naast deze besluiten ook nog een handvol ministeriële regelingen en NEN-normen van stal worden gehaald.

Voor lozingen vanuit IBA’s van minder dan zes lozingseenheden gelden alleen middelvoorschriften. Deze middelvoorschriften staan in de bij de besluiten behorende ministeriële regelingen. De IBA’s moeten bijvoorbeeld voldoen aan de bepalingen uit de NEN-EN 12566-1. Voor lozingen groter dan zes lozingseenheden gelden lozingsgrenswaarden die weer uit een CWI-rapport komen. Het gebruik van een IBA is dan niet verplicht zolang maar aan de grenswaarden wordt voldaan.

IBA-systemen kunnen een Kiwa-certificaat krijgen. Bij certificering wordt de IBA ingedeeld in klasse I, II of III met bijbehorende emissie-eisen. Een IBA van een hogere klasse heeft een hoger zuiveringsrendement. Er zijn diverse IBA-systemen. Het meest bekende IBA-systeem is de septic tank. De septic tank is een tank waarin het afvalwater door bezinking, opdrijving en biologische afbraak wordt gezuiverd. Het zuiveringsrendement hangt onder meer af van de verblijftijd van het afvalwater in de tank. De ouderwetse septic tanks vallen uitsluitend in de laagste klasse. Andere systemen zijn bijvoorbeeld de bio rotor, het oxidatie bed, het helofytenfilter, et cetera.

In de ministeriële Regeling lozing afvalwater huishoudens, de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer en de Regeling lozen buiten inrichtingen zijn middelvoorschriften opgenomen voor septic tanks. Oude septic tanks die nog bij huizen aanwezig kunnen zijn, voldoen formeel niet aan de eisen uit deze regelingen. In het overgangsrecht is echter geregeld dat de bestaande voorzieningen voorlopig gehandhaafd mogen blijven.

In artikel 5 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens, artikel 1.8 van het Activiteitenbesluit en artikel 1.7 van het Besluit lozen buiten inrichtingen is vastgelegd dat ook kan worden volstaan met een gelijkwaardige voorziening. Het bevoegd gezag heeft hiermee de mogelijkheid om een gelijkwaardig alternatief voor de septic tank toe te staan.

Het is overigens vanuit de vangnetbepaling niet toegestaan om via een septic tank te lozen op de riolering. Het afvalwater afkomstig van een septic tank waarin anaerobe afbraak heeft plaatsgevonden, kan de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie nadelig beïnvloeden.

IBA-systemen zijn technische installaties die onderhouden moeten worden om goed te blijven functioneren. Het onderhoud bestaat uit het jaarlijks inspecteren en indien nodig repareren van onderdelen van de systemen om het zuiveringsproces zo goed mogelijk te laten verlopen. Bij dit proces ontstaat slib dat regelmatig moet worden afgezogen en afgevoerd naar bijvoorbeeld een centrale slibontwatering van een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De lozer die een IBA in eigendom heeft is in principe zelf verantwoordelijk voor het onderhoud. Het bevoegd gezag moet hier vanuit zijn zorgplicht wel op toezien.

Voor het onderhoud van IBA's in beheer van de gemeente is de gemeente verantwoordelijk. Deze IBA's hoeven niet noodzakelijkerwijs aan NEN-EN 12566-1 te voldoen. De voorwaarden voor deze IBA's worden, zoals aan het begin van dit blog gezegd, met het Besluit lozen buiten inrichtingen gerelateerd aan artikel 10:33, tweede lid, Wet milieubeheer. De voorwaarden waar deze voorzieningen aan moeten voldoen zijn dan ook in het gemeentelijk rioleringsplan opgenomen.

maandag 20 juli 2015

VOLKSGEZONDHEIDSRISICO’S VAN VEEHOUDERIJEN IN HET OMGEVINGSRECHT

Aan de intensieve veehouderij gerelateerde ziektes als Q-koorts en vogelgriep duiken met enige regelmaat in het nieuws op. De al maar toenemende intensieve veehouderij lijkt niet alleen slecht voor het milieu te zijn, maar ook gevaren voor de volksgezondheid met zich mee te brengen. Op basis van de Wet publieke gezondheid en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kunnen er maatregelen worden getroffen binnen intensieve veehouderijen die ingrijpen in dieraantallen, zoals het ruimen van dieren en het opleggen van een fokverbod. Deze maatregelen zijn echter enkel mogelijk op het moment dat er al een besmettelijke dierziekte is. Het voorkomen van ziektes en het daarom vanuit preventief oogpunt direct reguleren van dieraantallen lijkt wat moeilijker te liggen. Met een aanpassing van de Wet dieren wordt nu geprobeerd hier meer greep op te krijgen, maar biedt het omgevingsrecht nu al mogelijkheden om hier iets aan te doen?

In theorie kunnen volksgezondheidsrisico’s van veehouderijen ook met behulp van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden aangepakt. De gemeenteraad heeft mogelijkheden om de omvang van intensieve veehouderijen te beperken in bestemmingsplannen. Een dergelijke beperking dient echter wel in overeenstemming te zijn met een goede ruimtelijke ordening. Vanuit natuurbeschermingsrechtelijke motieven is het in dit kader volgens vaste jurisprudentie toegestaan om een maximaal aantal dieren op te nemen in een bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld: ABRvS 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9756). Ook het gevaar van een mogelijke besmetting door dierziektes is een in een bestemmingsplanprocedure mee te wegen belang. Primair vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten echter niet in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening plaats (ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3690). Als het opnemen van bijvoorbeeld afstandseisen al te motiveren zou zijn, lijken bestemmingsplannen niet direct de aangewezen weg te zijn om iets aan de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen te doen.

Ook aan omgevingsvergunningen kunnen voorschriften ter bescherming van de volksgezondheid worden verbonden. De Volksgezondheid dient gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en sub a van de Wet milieubeheer volledig te worden betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Het is in beginsel dan ook gewoon mogelijk om een omgevingsvergunning voor een intensieve veehouderij te weigeren op basis van mogelijke gevaren voor de volksgezondheid. Een omgevingsvergunning milieu kan echter niet worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken enkel op basis van de hoeveelheid dieren. Er bestaat immers niet zo iets als een kwantitatieve dierennorm. Wel kan het zo zijn dat, vanwege locatiespecifieke omstandigheden of vanwege de (milieu)emissies die het aantal dieren met zich meebrengen een vergunning (deels) dient te worden geweigerd, gewijzigd of te worden ingetrokken. Dit kan in beginsel ook op basis van gevaren voor de volksgezondheid. Deze gevaren dienen echter wel voldoende te worden onderbouwd. Maar het ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over deze risico’s maken het zo goed als onmogelijk om dit ook werkelijk te doen.

In het Activiteitenbesluit is niets geregeld over volksgezondheidsrisico’s. Om daar toch iets mee te kunnen doen zou je die risico’s onder de algemene zorgplichtbepaling moeten schuiven. Veehouderijen zouden dan op basis van die zorgplicht gedwongen moeten worden om maatregelen te nemen. Er zouden dan uit preventieoverwegingen maatwerkvoorschriften moeten worden voorgeschreven. Ik betwijfel echter ten zeerste of dit een haalbare kaart zou zijn.

Het voorkomen van dierziektes die ook een gevaar voor de mens kunnen opleveren lijkt in theorie op basis van de omgevingswetgeving te kunnen plaatsvinden. Maar om dat in de praktijk ook werkelijk te doen loop je tegen het ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aan. Het heeft er op het moment alle schijn van dat ook de regulering van dieraantallen op grond van de voorgestelde Wet dieren op dezelfde motiveringsproblemen zal stuiten als tot op heden het geval is bij de toepassing van planologische maatregelen. Aan de besluiten die op basis van het wetsvoorstel worden genomen zal immers ook een deugdelijke motivering ten grondslag moeten liggen.

zondag 12 juli 2015

HOE EN WAT WATERKWALITEIT: EEN SAMENVATTING

De eisen voor de waterkwaliteit vinden hun grondslag in de Europese Kaderrichtlijn water (hierna: KWR). Artikel 4 van deze richtlijn geeft de milieudoelstellingen van de Europese Unie voor het waterbeleid. Volgens deze doelstellingen moet uiterlijk dit jaar een goede toestand van alle oppervlaktewaterlichamen en alle grondwaterlichamen zijn bereikt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand. In artikel 2 en bijlage V van de richtlijn wordt vervolgens vastgelegd wat nu precies onder een ‘goede toestand’ moet worden begrepen. Nederland haalt die 'goede toestand' bij lange na niet, maar een creatieve implementatie en het gebruik van de nodige uitzonderingsmogelijkheden biedt soelaas.

De richtlijn kent een aantal uitzonderingsmogelijkheden op die ‘goede toestand’. Zo bestaat er voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen een minder stringent regime. Ook geeft de richtlijn de mogelijkheid om de termijn voor het bereiken van de doelstellingen op te rekken (artikel 4, vierde lid, KRW) of om minder strenge doelstellingen vast te stellen (artikel 4, vijfde lid, KRW).

De algemene doelstellingen van de richtlijn moeten door de lidstaten nader worden uitgewerkt in concrete kwaliteitsnormen. Voor de normen voor zogenoemde prioritaire stoffen (die de ‘goede chemische toestand’ weergeven) kent de richtlijn een apart regime. Deze normen zijn op Europees niveau vastgelegd en richtlijn 2008/105 van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van waterbeleid. De normen voor niet prioritaire stoffen en de criteria voor het bepalen van de ‘goede ecologische toestand’ worden op lidstaat niveau of per stroomgebied vastgesteld.

De kwaliteitsnormen voor het Nederlandse water staan opmerkelijk genoeg niet in de Waterwet, maar zijn opgenomen in het, op hoofdstuk vijf van de Wet milieubeheer gebaseerde (artikel 5.1 Wm), Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (hierna: Bkmw 2009). In de ministeriële regeling: Regeling monitoring kaderrichtlijn water worden, zoals de naam al zegt, de regels voor de wijze van meten van de waterkwaliteit weergegeven. Het stelt eisen aan het monitoringsprogramma dat door de verantwoordelijke ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken is vastgesteld.

In het Bkmw worden de waterkwaliteitseisen gekoppeld aan de bevoegdheid om zogenoemde waterplannen vast te stellen. Er is dus ook hier, net als bij de luchtkwaliteit, gekozen voor een planmatige aanpak en niet voor de, in het Europees recht weldegelijk vereiste, rechtstreekse toetsing aan de waterkwaliteitseisen. Ook hier gaat de economische bedrijvigheid weer eens voor de bescherming van het milieu. Het Nationaal waterplan (NWP), waarmee vormgegeven wordt aan die planmatige aanpak, wil een soort samenvatting geven van alle doelstellingen en maatregelen uit de andere waterplannen. In het NWP zijn ook de vier stroomgebied beheersplannen van de grote rivieren opgenomen. Daarnaast bestaan er voor rijkswateren nog het Beheerplan voor de rijkswateren en voor regionale wateren provinciale waterplannen en de beheerplannen van de waterschappen. Het valt zeer te betwijvelen of deze planmatige aanpak de Europese toetst kan doorstaan.

Het Bkmw geeft bovendien ook nog eens geen grenswaarden maar richtwaarden voor de waterkwaliteit. Dit betekent dat niet altijd en onder alle omstandigheden aan de norm hoeft te worden voldaan. Ook dit is in strijd met de Europese regelgeving. Ook de regering vond dit kennelijk iets te ver gaan en zij heeft geprobeerd er nog een mouw aan te passen. In artikel 5.2b Wm is voorzien in de mogelijkheid om in de amvb voor te schrijven dat Provinciale Staten in de provinciale milieuverordening echte milieugrenswaarden voor regionaal voorkomende watertypen voorschrijft. In het Bkmw is dit echter nog niet gebeurd, maar het houdt wel een theoretisch achterdeurtje open bij eventuele Europese perikelen.

maandag 6 juli 2015

HET SANEREN VAN EEN BESTAANDE BODEMVERONTREINIGING

Het grootste deel van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) gaat over de sanering van bestaande bodemverontreinigingen. Nieuwe verontreinigingen moeten op grond van de Wbb direct na het ontstaan volledig worden gesaneerd. Voor nieuwe gevallen van verontreiniging komen naast deze wet ook nog andere wetten om de hoek kijken zoals:

·        De Wabo en de Wm (de bescherming van de bodem valt onder de bescherming van het milieu zoals bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, Wm);
·        De Waterwet (naast de hierin geregelde sanering van waterbodems kunnen er in lozingsvergunningen voorschriften ter bescherming van de waterbodem worden opgenomen);
·        De Woningwet (op grond van artikel 8, tweede lid, van deze wet mag er niet op verontreinigde grond gebouwd worden);
·        De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (bij de toelating van bestrijdingsmiddelen moet ook op de bescherming van de bodem worden gelet).

Bij een bestaande bodemverontreiniging is het in de eerste plaats van belang om te bepalen of het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Volgens artikel 1 Wbb moet er dan een zodanige verontreiniging bestaan dat de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier of plant ernstig zijn of dreigen te worden aangetast. In de praktijk wordt dit ingevuld met zogenaamde interventiewaarden. Als die waarden worden overschreden is er in beginsel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Maar niet alleen de ernst van de verontreiniging is van belang ook de vraag of een spoedige sanering nodig is speelt een grote rol. Als een spoedige sanering niet nodig is heeft de eigenaar of gebruiker van de bodem de mogelijkheid om zelf het tijdstip van sanering te bepalen. Er kan dan bijvoorbeeld gewacht worden op een in de (verre) toekomst gelegen reconstructie van het betreffende terrein.
Komt het eenmaal zover dat er gesaneerd wordt dan kan dit alleen in overeenstemming met een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. Een dergelijk plan houdt nog maar zelden in dat de bodemverontreiniging ook echt wordt verwijderd. Er moet zogenaamd functiegericht gesaneerd worden. Dat betekent dat de bodem minimaal geschikt gemaakt moet worden voor de functie die hij na de sanering krijgt. Een bedrijventerrein zal dus veel minder ver gaand gesaneerd behoeven te worden dan een woning met (moes)tuin. Zelfs het min of meer isoleren van de verontreiniging met een laag schone grond, een zogenaamde leeflaag, wordt al als een toegestane sanering aanvaard. Zelfs als het gaat om een woning met tuin.

Als de sanering uiteindelijk is voltooit moet het bevoegd gezag nog instemmen met een evaluatieverslag. Als er, zoals doorgaans het geval is, na de sanering verontreiniging achterblijft geeft dit verslag aan wat voor gebruiksbeperkingen of beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit moet dan via een zogenaamd nazorgplan, dat ook de instemming van het bevoegd gezag behoeft, worden geregeld. De huidige en eventueel toekomstige eigenaar of gebruiker van de bodem moeten de beperkingen en maatregelen uit dat plan in acht nemen.