woensdag 10 juli 2013

DE WIJZIGINGSBEVOEGDHEID VAN ARTIKEL 3.6 WRO


In artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening is de mogelijkheid opgenomen om in een bestemmingsplan het College van burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven een plan te wijzigen. Hierdoor kan de gemeenteraad niet meer oordelen over deze wijzigingen. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid planologisch aanvaardbaar is. Deze bepaling maakt het mogelijk dat belangrijke wijzigingen zonder toetsing door de gemeenteraad worden vastgesteld. Met het opnemen van wijzigingsbevoegdheden kunnen planologische ontwikkelingen aanmerkelijk worden vereenvoudigd. Voor omwonenden is deze bevoegdheid echter niet zonder gevaren.
Wijzigingsbevoegdheden kunnen verstrekkende gevolgen hebben, maar bij het vaststellen van een bestemmingsplan willen deze bepalingen nog weleens over het hoofd worden gezien. Begrijpelijk want de gevolgen van die bevoegdheid zijn op het moment van vaststelling niet te voorzien. Een kwaadwillend college (die bestaan natuurlijk niet, maar je weet het maar nooit) zou op die manier een onwelgevallig bouwproject kunnen wegmoffelen.

Een wijzigingsbevoegdheid moet wel door voldoende objectieve normen worden begrensd, daarbij moet tevens worden aangetoond dat binnen de planperiode gebruik zal worden gemaakt van die bevoegdheid én dat die bovendien ook financieel haalbaar is. Indien niet aan deze vereisten wordt voldaan kan een wijzigingsbevoegdheid met succes worden aangevochten en worden vernietigd. Zie in dit verband bijvoorbeeld uitspraak 201208056/1/R1 van 6 maart. Maar dat moet dan wel direct bij de vaststelling van het bestemmingsplan waarin zij is opgenomen gebeuren. Als dat niet gebeurt, kan een gemeente zich in een later stadium beroepen op de formele rechtskracht van die bevoegdheid en de daarbij opgenomen voorwaarden. De rechter zal de desbetreffende wijziging dan nog maar zeer terughoudend toetsen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten