maandag 3 december 2012

NIEUWSBRIEF OMGEVINGSRECHT 1




JURIDISCH NIEUWS
Staatsraad Drupsteen op het congres van de Vereniging voor Milieurecht
Op 4 oktober 2012 vond het Jubileumcongres van de Vereniging voor Milieurecht plaats met het thema ‘De toekomst van het milieurecht: eenvoudig beter?’ Eén van de sprekers was staatsraad Drupsteen, die zeer kritisch was ten aanzien van al de grote wetgevingsprojecten die het milieurecht tegenwoordig te verwerken krijgt. De heer Drupsteen heeft geen antwoorden, maar vooral vragen. Wordt het omgevingsrecht wel duidelijker en gemakkelijker te begrijpen door een geïntegreerde Omgevingswet? Schiet het milieu daar wel iets mee op? Beleidsmakers zien vaak het nut van codificatie niet zo in, omdat ze vermoeden dat het antwoord op die laatste vraag negatief is. Juristen vinden het juist mooi: codificatie leidt immers tot meer duidelijkheid en dient daarmee de rechtszekerheid. Maar is dat ook in alle gevallen zo? Het Activiteitenbesluit kan gelden als afschrikwekkend voorbeeld. Dat zijn regels die niet gemakkelijk te begrijpen zijn en Drupsteen heeft de indruk dat de toepassing ook niet eenvoudiger is geworden. Wie een duurzaam omgevingsrecht wil, moet volgens Drupsteen niet alleen naar de wetgever kijken. De afgelopen jaren speelde het omgevingsrecht een bescheiden rol bij het verbeteren van het milieu en door integratie zal dat waarschijnlijk niet veranderen. Om duurzaamheid en een schoon milieu te realiseren is immers veel meer nodig dan wetgeving alleen. Juist op het punt van uitvoering en handhaving is de grootste winst te halen. Deregulering, veralgemenisering en flexibilisering van omgevingsrechtelijke regels lijken de handhaving tegenwoordig juist te bemoeilijken. De discussie zou niet primair moeten gaan over wel of niet integreren, maar over hoe er uiteindelijk een robuust niveau van bescherming kan worden gerealiseerd.

Het failliet van convenanten
Uit de, in opdracht van de Tweede Kamer, door CE Delft opgestelde evaluatie van het Nederlandse klimaatbeleid, blijkt dat de overheid tegenwoordig maar wat doet. Er wordt zo goed als niet gekeken naar de effectiviteit van de genomen maatregelen. Het blijkt dat de weinige dwingende maatregelen, heffingen en reguleringen, veel doeltreffender zijn dan afspraken met het bedrijfsleven. Opmerkelijk vinden de onderzoekers dat brandstofaccijnzen wel degelijk tot een daling van het verbruik leiden. ‘Het grote publiek heeft het beeld dat energiegebruik, brandstofgebruik en automobiliteit nauwelijks gevoelig zijn voor de prijs ervan’. Convenanten (het summum van polderpolitiek) werken nauwelijks. En ook subsidies zijn alleen effectief in de aanloopfase naar een nieuwe techniek. Ook overheidscampagnes om het gedrag van burgers te beïnvloeden hebben maar weinig effect.

Gezondheidsraad over risico’s in de omgeving van veehouderijen
De Gezondheidsraad zegt dat het onmogelijk is vast te stellen hoe ver huizen van een veehouderij moeten staan om 'veilig' te zijn. In Nederland kwam Q-koorts duidelijk vaker voor op korte afstand van geitenstallen. Ook longontsteking werd significant vaker gevonden bij omwonenden van veehouderijen, schrijft de raad in zijn rapport, maar wetenschappelijke conclusies zijn niet te trekken. De gegevensbasis is nog te smal voor conclusies. Het lijkt vooralsnog dan ook onwaarschijnlijk dat afstandseisen in regelgeving zal worden vastgelegd.
Het rapport van de onderzoekscommissie Otapan
Nog steeds kan Nederland milieuwetten overtreden omdat de uitvoering van nationale en internationale regels “onvoldoende gegarandeerd” is. Dat concludeert de onderzoekscommissie die onderzoek heeft gedaan naar het falen van de Rijksoverheid met het schip Otapan.
Het ontbreekt ambtenaren aan professionaliteit en integriteit, aldus de commissie. Er is geen cultuur van tegenspraak, waardoor ambtenaren die uit zijn op een goedkope oplossing hun gang kunnen gaan. Ook is er geen “balans” tussen beleid, uitvoering en toezicht. In het geval van de Otapan werkte de inspectie zelfs aan de uitvoering mee. De commissie komt met diverse aanbevelingen om de juridische deskundigheid binnen uitvoering en toezicht te verbeteren. Staatssecretaris Mansveld wijst in haar reactie op het feit dat de juridische deskundigheid binnen zowel het ministerie van IenM als binnen de ILT voldoende aanwezig is. Zij onderstreept dat het van belang is dat besluiten en acties tijdig en adequaat worden getoetst aan wet- en regelgeving en jurisprudentie en zal hiervoor aandacht blijven vragen.


NATUUR EN MILIEU NIEUWS


De klimaattop in Doha (Qatar)
Michel Jarraud van het Weeragentschap van de Verenigde Naties zegt dat klimaatverandering plaatsvindt voor onze ogen”. Extreme weeromstandigheden overal ter wereld zouden aanleiding moeten zijn voor daadkrachtige besluiten. Hij noemde als voorbeeld dat de hoeveelheid ijs in de Arctische Oceaan boven Canada in september is gekrompen tot een laagterecord. Ook zouden de eerste tien maanden van 2012 de op negen na warmste maanden zijn sinds het begin van de temperatuurmeting halverwege de negentiende eeuw.
De verwachtingen van de conferentie, die twee weken duurt, zijn echter niet hooggespannen. Het Kyoto-protocol, het enige internationale verdrag, loopt aan het eind van dit jaar af en de EU heeft weliswaar ingestemd met een verlenging, maar het heeft zijn betekenis verloren, nu de meeste landen er geen vervolg aan willen geven. Op de klimaattop van vorig jaar, in het Zuid-Afrikaanse Durban, is afgesproken dat de partijen het voor 2015 eens moeten zijn over een nieuw verdrag, dat dan in 2020 in werking zou moeten treden. De deelnemende staten lijken niet veel haast te hebben bij het maken van een nieuwe overeenkomst.
Lester Brown, oprichter van het Worldwatch Institute en het Earth Policy Institute en schrijver van een groot aantal boeken over klimaatverandering heeft geen begrip voor politici die zeggen dat ze willen wachten met klimaatbeleid tot de economische crisis is opgelost. ,,Dat is een merkwaardige redenering. Oude beschavingen, of het nou de Maya’s waren of de Sumeriërs, gingen ten onder toen ze hun leefomgeving uitputten. Voor ons is dat niet anders. De milieucrisis draagt bij aan de economische crisis. Of het nou gaat om de oprukkende woestijn in het noorden van China, of de orkaan Sandy in Amerika. De milieutrends zullen zo sterk worden dat we er niet meer omheen kunnen.”

Termen en definities

Voor wie zo langzamerhand door de bomen het bos niet meer kan zien hier een link van de bbc met een uitleg van de meest gebruikte termen op de klimaattop http://www.bbc.co.uk/news/science-environment-11833685.

Eindelijk betrouwbare cijfers over de stijging van de zeespiegel
Een internationaal team van meer dan 20 onderzoeksinstellingen, waaronder de TU Delft en de Universiteit van Utrecht, hebben hun krachten gebundeld om nu eindelijk eens betrouwbare schattingen over de stijging van de zeespiegel te maken. In een artikel in Science publiceren zij hun bevindingen (http://www.sciencemag.org/content/338/6111/1183). Tot nu toe bestond er een breed scala aan onderzoeken met ver uiteenlopende resultaten. Uit de resultaten blijkt dat de krimp van het poolijs de laatste jaren flink toe neemt. Vooral op Groenland is de afname groter dan aanvankelijk werd verwacht.
 

woensdag 28 november 2012

NIEUWSBRIEF NOVEMBER

VOOR VEEL INTENSIEVE VEEHOUDERIJEN VERVALT PER 1 JANUARI 2013 DE VERGUNNINGPLICHT

Op 14 september 2012 is besloten dat de voor de veehouderij belangrijke categorie 8.3 van bijlage 1 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt aangepast (Staatsblad 2012, nr 441, agrarische activiteiten in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer). Met dit besluit worden diverse agrarische besluiten onder het Activiteitenbesluit gebracht. Het betreft:
·         het Besluit landbouw,
·         het Besluit glastuinbouw,
·         het Besluit mestbassins,
·         het Lozingenbesluit bodembescherming en
·         het Besluit lozingen open teelt en veehouderij.

Daarnaast komen intensieve veehouderijen tot de IPPC-grens (40.000 stuks pluimvee, 2000 vleesvarkens of 750 zeugen) onder het Activiteitenbesluit te vallen.
Per 1 januari 2013 luidt categorie 8.3:
Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:

  1. het in de buitenlucht houden van honden of roofvogels of vogels van de families papegaaien, lori's, kaketoes, pelikanen, kraanvogels, pinguïns, parelhoenders, reigers en roerdompen en het geslacht pauwen;
  2. dierentuinen in de zin van artikel 1, onder a, van het Dierentuinenbesluit;
  3. het kweken van consumptievis;
  4. het kweken van ongewervelde dieren;
  5. het houden van meer dan 1.200 vleesrunderen, behorend tot de diercategorieën A4 tot en met A7, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
  6. het houden van meer dan 2.000 schapen, behorend tot de diercategorie B1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, of geiten, behorend tot de diercategorieën C1 tot en met C3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
  7. het houden van meer dan 3.750 gespeende biggen, behorend tot de diercategorie D.1.1, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij;
  8. het houden van meer dan 200 stuks melkrundvee, behorend tot de diercategorie A.1 en A.2, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, waarbij het aantal stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar niet wordt meegeteld;
  9. het houden van meer dan 340 stuks vrouwelijk jongvee, behorend tot de diercategorie A.3, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, of indien het totaal aantal gehouden stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en overig melkvee meer dan 340 stuks bedraagt;
  10. het houden van meer dan 100 paarden, behorend tot de diercategorieën K1 tot en met K4, genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij, waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld;
  11. het houden van meer dan 50 landbouwhuisdieren, behorend tot de diercategorieën genoemd in de regeling op grond van artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij of dieren die op vergelijkbare wijze worden gehouden, anders dan bedoeld in de onderdelen e tot en met j en anders dan een gpbv-installatie die betrekking heeft op het aantal dierplaatsen, tenzij de inrichting een kinderboerderij betreft;
  12. het houden van pelsdieren;
  13. het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week;
  14. het verwerken van dierlijke bijproducten tot eiwit, olie, vet, gelatine, collageen, dicalciumfosfaat, bloedproducten of farmaceutische producten;
  15. het vervaardigen of verven van bont, het ontharen of looien van huiden, of het verven of finishen van leer met uitzondering van het finishen van leer, samenhangend met drukprocessen;
  16. de verwerking van dierlijke bijproducten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder a, van de EG-verordening dierlijke bijproducten, voor zover het betreft categorie 1- en categorie 2-materiaal als bedoeld in artikel 8 respectievelijk artikel 9 van die verordening;
  17. de verwijdering van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder b en c, van de EG-verordening dierlijke bijproducten.

Zeugen, mestvarkens en pluimvee
Voor het houden van zeugen, mestvarkens en pluimvee gelden de aantallen genoemd in de IPPC-richtlijn als drempel voor vergunningplicht (750 voor zeugen,2.000 voor mestvarkens en 40.000 voor pluimvee). IPPC-bedrijven zijn vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, lid 2 Bor. Daarom zijn voor zeugen, mestvarkens en pluimvee geen aantallen opgenomen in categorie 8.3.

 HET ONDERNEMINGSDOSSIER
Op 1 november 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu het zogenaamde Ondernemingsdossier ingevoerd. Het
Ondernemingsdossier moet de gegevensuitwisseling tussen bedrijven en overheidsinstellingen eenvoudiger maken. In het dossier slaan bedrijven eenmalig de gegevens op die bijvoorbeeld nodig zijn voor een vergunning, melding of toezicht. Vervolgens machtigen zij verschillende overheden om deze gegevens in te zien. Moet er een vergunning worden aangevraagd of een maatregel worden getroffen, dan geeft het Ondernemingsdossier tijdig een waarschuwing, daarna kan digitaal een aanvraag of melding worden gedaan. Zo wordt voorkomen dat ondernemers meerdere keren dezelfde informatie moeten aanleveren. Elke ondernemer heeft zijn eigen Ondernemingsdossier en bepaalt welke overheden hij toegang geeft tot zijn Ondernemingsdossier.
Het Ondernemingsdossier is gekoppeld aan de AIM (de Activiteitenbesluit Internetmodule, een regelhulp voor het Activiteitenbesluit). Met de AIM kan een ondernemer per activiteit uit het Activiteitenbesluit een overzicht van de regels krijgen die relevant zijn voor zijn bedrijf. Met het dossier wil de overheid de administratieve lasten voor de betrokken ondernemers verminderen. De brancheorganisaties van de horeca, rubber- en kunststofindustrie en de recreatiesector (RECRON), hebben samen met gemeenten, provincies, het ministerie van Economische Zaken en Innovatie en rijksinspecties de handen ineengeslagen voor de realisatie van het Ondernemingsdossier. Het Ondernemingsdossier wordt inmiddels gebruikt door 157 ondernemingen, 33 gemeenten, 3 provincies en 2 rijksinspecties en groeit snel.

JURISPRUDENTIE
ABRvS 17 oktober 2012, nr. 201111825/1/A3.(Uitgeest)
Verpachter horecapanden belanghebbende
Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot verlening van een evenementenvergunning aan het dorpshuis. Hij voert hiertoe aan dat hij eigenaar is van diverse horecapanden, alle in de buurt van het dorpshuis. Hij heeft die horecapanden verpacht. Zijn inkomsten worden mede bepaald door de omzet van de horecabedrijven. Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 14 juli 2010 in zaak nr.
200903773/1/R1 is de eigenaar van een pand belanghebbende indien zijn eigendomsbelangen worden geraakt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat door verlening van de evenementenvergunning aan het dorpshuis concurrentie met horecabedrijven ontstaat die gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van de horecapanden die [appellant] in eigendom heeft. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

ABRvS 24 oktober 2012 ,201202056/1/A1. (Breda)
Detailhandelvereniging belanghebbende

De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 januari 2012 in zaak nr.
201008612/1/R3 overwogen dat RPB ontvankelijk is in haar beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Steenakker, Stadionstraat e.o.". Daartoe werd door haar overwogen dat RPB blijkens artikel 2 van haar statuten, zoals die waren vastgelegd ten tijde daar van belang als ook ten tijde hier van belang, ten doel heeft de bevordering van het behoud en de versterking van Breda als plaatselijk en regionaal koopcentrum, alsmede de bevordering van de totstandkoming, reconstructie en instandhouding van winkelvoorzieningen in Breda, dat niet in geschil is dat RPB voorts feitelijke werkzaamheden verricht en dat deze werkzaamheden passen binnen haar statutaire doelstellingen, zodat RPB belanghebbende is bij de vaststelling van het voorliggende plan.

 

dinsdag 23 oktober 2012

DE BIOCIDENVERORDENING


Onlangs is bekendgemaakt dat de opvolger van de Biocidenrichtlijn, de nieuwe Europese Biocidenverordening (Verordening (EU) nr. 528/2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden gepubliceerd in PbEU 2012, L 167) in werking is getreden. De Verordening zou efficiëntere bepalingen bevatten voor de toelating van producten en voor de eisen inzake productgerelateerde gegevens en de uitwisseling daarvan. Door het uitwisselen van gegevens verplicht te stellen en een flexibelere en meer geïntegreerde benadering te bevorderen, zorgen de nieuwe bepalingen er ook voor dat er minder dierproeven zullen plaatsvinden. Voor de indiening van aanvragen, de registratie van besluiten en de verspreiding van informatie onder het publiek wordt een speciaal platform gebruikt (het biocidenregister). De bescherming wordt ook uitgebreid: onder de nieuwe wetgeving vallen voortaan ook goederen en materialen die met biociden zijn behandeld, zoals meubelen en levensmiddelenverpakkingen. Het Europees Agentschap voor chemische stoffen krijgt een leidende rol bij het beheer van de Verordening. Dit agentschap (het ECHA) krijgt 100 extra personeelsleden toegewezen die zich zullen bezighouden met biociden gerelateerde activiteiten. De Verordening wordt met ingang van 1 september 2013 echt van toepassing.

woensdag 10 oktober 2012

DE OMGEVINGSWET IS VOORLOPIG NOG NIET KLAAR


Volgens het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zal het nog zeker tot 2018 duren voordat het gehele stelsel rondom de Omgevingswet klaar is. De wet beoogt onder meer de samenvoeging van vijftien wetten binnen het omgevingsrecht.

De Minister heeft aangekondigd de nieuwe wet eind dit jaar naar onder meer de Actal, het Planbureau voor de Leefomgeving, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen te sturen. Het nieuwe kabinet, waarvoor de formatie momenteel nog loopt, zal naar verwachting het wetsvoorstel in het voorjaar van 2013 aan de Raad van State toezenden, waarna de Tweede Kamer de wet in behandeling zal nemen. De wet zal volgens de misschien wel wat optimistische verwachtingen van de Minister in 2015 worden gepubliceerd in het Staatblad, maar vervolgens zullen de met de wet samenhangende regelgeving en Algemene Maatregelen van Bestuur nog moeten worden ingevoerd.

Al met al, zal het eerder genoemde en zeer ambitieuze tijdstip van inwerkingtreding medio 2014 niet meer haalbaar zijn. Hopelijk komt de extra tijd de kwaliteit en de bruikbaarheid van de Omgevingswet ten goede.

woensdag 26 september 2012


HERVORMING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VISSERIJBELEID
ZET DE VISQUOTA DE KOMENDE TIEN JAAR OP 0

Door overbevissing wordt steeds minder vis gevangen. Uit analyse van ongeveer 500.000 vissen, aan land gebracht in havens in Engeland en Wales, blijkt volgens Cefas (Engelse overheidsinstelling die zich bezig houdt met visserijonderzoek) dat de Noordzee nog 65.300 ton kabeljauw bevat die de geslachtsrijpe leeftijd van 3 jaar of ouder heeft. In het jaar 1971 ging het nog om 276.000 ton. De vangstquota voor kabeljauw in 2012 bedragen 32.000 ton. In de jaren zeventig ging het jaarlijks nog om ruim 360.000 ton.

Volgens een onderzoek van de ‘New Economic Foundation’ is het financieel en economisch zinvol om tien jaar lang te stoppen met vissen in de Noordzee en de Atlantische Oceaan (http://www.neweconomics.org/nocatchinvestment). Deze Engelse denktank heeft onderzocht dat het €10,65 miljard kost om alle Europese vissers tien jaar lang te compenseren voor een totaal visverbod. In die periode zouden alle visvoorraden zich weer hersteld hebben op het niveau van de jaren zeventig. Na afloop van het moratorium zou de EU het bedrag binnen vijf jaar weer hebben terugverdiend.

Het is duidelijk dat het Europese visserijbeleid dringend hervormd moet worden. De vangsten staan niet in verhouding tot de reproductiecapaciteit, waardoor individuele visbestanden worden uitgeput en het mariene ecosysteem wordt bedreigd. Drie op vier bestanden worden momenteel overbevist (82% van de bestanden in de Middellandse Zee en 63% van de bestanden in de Atlantische Oceaan).

Het is echter niet erg waarschijnlijk dat het onderzoek van de ‘New Economic Foundatien’ van invloed zal zijn op de nu in gang zijnde hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna: GVB). Het GVB wordt elke 10 jaar hervormd. Bij de ontwikkeling van het nieuwe beleid zijn de Europese Commissie, het Europees Parlement en de ministers van landbouw van alle lidstaten betrokken. Staatssecretaris Bleker (Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onderhandelt namens Nederland.

Op 13 juli 2011 kwam de Europese Commissie met voorstellen voor de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op 2 december 2011 presenteerde zij het nieuwe Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EMFF) voor de periode 2014-2020. Op het moment worden de hervormingsvoorstellen besproken in het Europees Parlement en de Raad. Het hervormde GVB zal in 2013 ingevoerd worden. Van een drastische hervorming die zicht biedt op behoorlijke visbestanden is geen sprake. Het blijft aanmodderen met de Europese visserij en ons gebakken visje zal hoe langer hoe meer uit de wateren van Derde Wereld landen afkomstig zijn.

vrijdag 31 augustus 2012


KOFFIEHUIS ZEELAND (ABRVS, nr. 201010089/1/T1/A4, 29 februari 2012)

Deze tussenuitspraak is interessant, omdat de Afdeling daarin – voor toekomstige gevallen – een procesregel formuleert over het inbrengen van nieuwe beroepsgronden. Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoel in art. 6:6 Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daar niet tegen verzet, is in het algemeen bepalend:
·         een afweging van de proceseconomie;
·         de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd;
·         de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en
·         de processuele belangen van de partijen over en weer.
Nu de nieuwe beroepsgrond eerst na het uitbrengen van het deskundigenbericht is ingediend, zodat de deskundige er in zijn deskundigenbericht niet op heeft kunnen ingaan, en niet aannemelijk is geworden dat deze beroepsgrond niet eerder had kunnen worden ingediend, brengt een afweging van de proceseconomie en de processuele belangen over en weer mee dat het indienen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. De Afdeling voegt hieraan nog toe dat zij voortaan het indienen van nieuwe beroepsgronden later dan drie weken nadat de Afdeling de StAB heeft verzocht een deskundigenbericht uit te brengen, in strijd met de goede procesorde zal achten.

maandag 27 augustus 2012


ADVIES RAAD VAN STATE OVER WETSVOORSTEL NATUURBESCHERMING

Op 29 juni 2012 heeft de Afdeling advisering van de Raad van State een advies uitgebracht over een wetsvoorstel houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). De regering heeft het wetsvoorstel op 22 augustus 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarmee is ook het advies van de Afdeling advisering openbaar geworden.

De Raad van State plaatst kritische kanttekeningen bij de uitgangspunten die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel zijn gehanteerd. Volgens de Raad is de natuurbescherming in de afgelopen decennia niet zodanig effectief gebleken dat de natuur in Nederland in een gunstige staat verkeert en de instandhouding van soorten en habitats is verzekerd. Integendeel er is bij gelijkblijvend beleid sprake van een verdere achteruitgang. Nu is al niet te voorkomen dat Nederland in de toekomst niet aan de internationale en Europese doelstellingen zal voldoen. De met het wetsvoorstel voorgestelde versobering van de wetgeving zal waarschijnlijk desastreuze gevolgen voor de Nederlandse natuur hebben.

De Afdeling advisering meent dat de keuze om in beginsel niet méér bescherming voor natuurgebieden en dier- en plantensoorten te realiseren dan het minimum dat Europese richtlijnen voorschrijven, meer nadrukkelijk als afzonderlijke beleidskeuze moet worden gemotiveerd. Daarbij moet ook worden ingegaan op de vraag in hoeverre maatregelen op het terrein van de ruimtelijke ordening een gelijkwaardige mate van bescherming kunnen realiseren voor die gebieden waarvoor als gevolg van het voorstel geen bescherming meer bestaat. Het is volgens de Raad maar zeer de vraag of het wetsvoorstel wel aan de Europeesrechtelijk minimum eisen kan voldoen. Zeker waar het gaat om de implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Tevens is het de vraag of de voorgestelde vermindering van vergunningen en ontheffingen en de voorgestelde vermindering van regels ten gunste van zogenoemde zorgplichten wenselijk zijn. De focus in het wetsvoorstel op het verminderen van regeldruk lijkt ten koste te gaan van de naleving en handhaving van de wettelijke voorschriften. Vermindering van vergunningen en ontheffingen of een bredere toepassing van zorgplichten is alleen verstandig als het toezicht op de naleving van wettelijke regels en de handhaving daarvan in voldoende mate kunnen worden gegarandeerd. En dat lijkt niet het geval te zijn. Bij de uitvoering en de handhaving van de wet zijn drie bestuurslagen betrokken, waarvan niet duidelijk is of deze allemaal voldoende voor hun taak zijn toegerust. Daarbij wijst de Afdeling advisering nadrukkelijk op de rol van gemeenten, die in de toelichting bij het wetsvoorstel niet wordt belicht. Ook is het de vraag of de verschillende bestuurslagen samen tot de noodzakelijke afstemming van de uitvoering en de handhaving kunnen komen.

woensdag 8 augustus 2012


EISEN WAARAN EEN INVORDERINGSBESLUIT VOOR EEN DWANGSOM MOET VOLDOEN
Bij uitspraak van 25 juli 2012 (nr. 201111954/1/A1) heeft de Afdeling de eisen waaraan een invorderingsbesluit moet voldoen nog eens duidelijk op een rijtje gezet. Aan een invorderingsbesluit moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich mee dat:
  1. De waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag.
  2. De bevindingen moeten op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten:
  3. De plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming.
  4. Een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze.
  5. Een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen.
  6. Dit geschrift dient voorts te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening.
Aan gebreken in het aan de invordering ten grondslag gelegde verslag zou eventueel voorbij kunnen worden gegaan als op grond van ander bewijsmateriaal, bijvoorbeeld foto's, onomstotelijk kan worden vastgesteld dat niet aan de last onder dwangsom wordt voldaan. Het lijkt me echter verstandiger om er voor te zorgen dat er geen gebreken kleven aan de invordering. De Afdeling heeft met deze uitspraak duidelijk aangegeven wat er van het bevoegd gezag verwacht wordt.

donderdag 2 augustus 2012


WONEN OP HET PLATTELAND WORDT STRAKS EEN STUKJE MAKKELIJKER

Het is een bekend probleem. Iemand uit de stad koopt een prachtig oud boerderijtje in het buitengebied. Zonder te beseffen dat deze pastorale idylle allerlei juridische problemen met zich meebrengt. Een voormalige agrarische bedrijfswoning als burgerwoning gebruikt kan geen legale status krijgen, omdat een dergelijke woning nou eenmaal beschermd moet worden tegen geluid en stank. De veehouderij om de hoek is er ook niet blij mee, omdat dit bedrijf nu wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Burgemeester en wethouders zouden eigenlijk handhavend moeten optreden, maar begrijpelijkerwijs zijn ze daar niet al te happig op. Politiek en sociaal is handhaving geen al te populaire maatregel. Kortom, een burgerwoning in het buitengebied brengt alleen maar problemen met zich mee.
Daar komt binnenkort verandering in. Onlangs ging de Tweede Kamer akkoord met het wetsvoorstel “Plattelandswoningen” (Kamerstukken II, 2011-2012, 33078). Het wetsvoorstel bepaalt dat dit soort woningen niet langer worden beschermd tegen milieugevolgen van het agrarische buurbedrijf. Dit voorkomt dat agrarische functies en niet-agrarische functies elkaar in de weg zitten bij geur- en geluidsregeltjes.

Kunnen Burgemeester en wethouders op deze wet anticiperen? Normaal gesproken is het vaste jurisprudentie dat niet op nog niet van kracht zijnde regelgeving mag worden geanticipeerd. Maar een uitspraak van 6 juni jongstleden (ABRvS 6 juni 2012, 201107360/1/A1) lijkt hiervoor toch een aanknopingspunt te geven.

In deze zaak wilden Burgemeester en wethouders in eerste instantie handhavend optreden tegen een illegale burgerwoning. Tijdens de zitting bij de Afdeling kwam echter ook het spiksplinternieuwe wetsvoorstel aan de orde. Er zou daarmee geredeneerd kunnen worden dat concreet zicht op legalisatie bestaan. Handhavend optreden is niet meer aan de orde als een overtreding op korte termijn kan worden gelegaliseerd. Betekent dit dat nu ook rekening moet worden gehouden met een wijziging van de regels? Zoals bijvoorbeeld een wetswijziging (zie in dit verband ook Vz. AGRvS 28 september 1992, AB 1993, 209).

In de uitspraak van 6 juni erkende de Afdeling dat het wetsvoorstel, wanneer eenmaal wet, een oplossing zou zijn voor deze zaak. De Afdeling verwees dit argument echter toch naar de prullenbak. Burgemeester en wethouders mochten  geen rekening houden met dit wetsvoorstel, simpelweg omdat het wetsvoorstel dateerde van ná het besluit op bezwaar. Betekent deze formulering dat je nu het wetsvoorstel inmiddels is aangenomen wel mag anticiperen op deze nieuwe wet voor “plattelandswoningen”? Bestaat er nu in de ogen van de Afdeling wel een basis voor ‘concreet zicht op legalisatie’?