De Omgevingswet biedt gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk de mogelijkheid om programma’s vast te stellen. Met een programma worden de doelen die in een omgevingsvisie zijn vastgesteld geconcretiseerd. Een programma bevat voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan. Daarnaast bevat het de maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Een programma bindt alleen het vaststellend bestuursorgaan.
De Omgevingswet maakt onderscheid tussen verplichte en onverplichte programma’s. Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven omdat er EU-eisen van toepassing zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor geluid, stroomgebied- en overstromingsrisicobeheer, waterbeheer en natuurbeheer. Ook is een programma voorgeschreven als niet voldaan wordt of dreigt te worden aan een omgevings-waarde. Voor andere onderwerpen staat het een bestuursorgaan in beginsel vrij om programma’s op te stellen voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving.
De Omgevingswet bepaalt in het bijzonder dat het college van burgemeester en wethouders onverplicht een programma kan opstellen dat ziet op een gemeentelijk rioleringsprogramma. Dit is opvallend aangezien de gemeenteraad op dit moment een gemeentelijk rioleringsprogramma moet opstellen op grond van artikel 4.22 van de Wet milieubeheer.
In bepaalde situaties kan een programma worden opgesteld waarmee de toelaatbaarheid van specifieke activiteiten kan worden beoordeeld. Deze programma’s hebben een specifiek rechtsgevolg en worden aangeduid als programma’s met een programmatische aanpak. Een programma met een programmatische aanpak is bedoeld om in complexe situaties met veel nieuwe ontwikkelingen die beleidsdoelstellingen onder druk zetten, die beleidsdoelstellingen toch te kunnen blijven behalen. Door middel van de programmatische aanpak kunnen maatregelen en projecten in een gebied in samenhang worden geprogrammeerd. bestaande programma's zijn het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de programmatische aanpak stikstof (PAS).
maandag 2 februari 2015
ONTWERP BESLUIT EMISSIEARME HUISVESTINGSSYSTEMEN LANDBOUWHUISDIEREN
Vorig jaar is het ontwerp Besluit emissiearme huisvestingssystemen landbouwhuisdieren (hierna: het Besluit huisvesting landbouwhuisdieren) bekendgemaakt. Dit besluit zal het huidige Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij vervangen. Het is op zowel vergunningplichtige inrichtingen als op meldingsplichtige inrichtingen van toepassing. Het besluit is echter niet van toepassing op biologische veehouderijen, op zogenoemde vrijloopstallen en op de huisvesting van kleine aantallen landbouwhuisdieren. Hieronder een kort overzicht van een aantal van de veranderingen ten opzichte van het huidige Besluit huisvesting veehouderij:
- Er gelden niet meer alleen maximale emissiewaarden voor ammoniak, maar voor kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden ook voor fijnstof. De maximale emissiewaarden voor ammoniak zijn aangescherpt en er is voor een aantal diercategorieën waarvoor geen maximale emissiewaarde golden, nu wel een maximale waarde opgenomen. Dit is het gevolg van de in dit blog al vaak besproken Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De PAS houdt in een notendop in dat er maatregelen zullen worden getroffen, bestaande uit brongerichte maatregelen (reduceren van de ammoniakemissie bij de bron) en herstelmaatregelen (maatregelen in Natura 2000-gebieden ter versterking van de natuur), welke tot ontwikkelingsruimte voor economische activiteiten moeten leiden. Er is in dit kader een maatregelenpakket aangekondigd dat moet leiden tot een reductie van de ammoniakemissie. Een van deze maatregelen betreft het beperken van de stalemissies door aanscherping en uitbreiding van de maximale emissiewaarden.
- Een van de andere maatregelen voor de PAS betreft de invoering van voer- en managementmaatregelen. Daartoe wordt de Regeling ammoniak en veehouderij aangepast. Aan deze regeling moet een tweede bijlage worden toegevoegd, met daarin voer- en managementmaatregelen. Ook het beweiden van melkkoeien is als managementmaatregel opgenomen in deze nieuwe bijlage. Daardoor komt ook het onderscheid in beweiden en opstallen bij de emissiefactoren van de diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar te vervallen.
- Het aantal diercategorieën waarop het besluit van toepassing is, wordt uitgebreid ten opzichte van het Besluit huisvesting veehouderij. Daarnaast wordt niet langer gesproken over veehouderijen maar over landbouwhuisdieren. Reden daarvoor is dat de omschrijving van het begrijp veehouderij in het Besluit huisvesting veehouderij er in de praktijk toe leidde dat ook inrichtingen die in het maatschappelijk verkeer niet als veehouderij worden beschouwd onder de reikwijdte van het besluit vielen. Om dit te voorkomen, wordt de reikwijdte van het Besluit huisvesting landbouwhuisdieren beperkt tot huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren die worden gehouden voor de productie van vlees, eieren of melk.
- Anders dan in het Besluit huisvesting veehouderij worden in het ontwerp Besluit huisvesting landbouwhuisdieren geen maximale emissiewaarden opgenomen voor de additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag. De maximale emissiewaarde maakte het toepassen van een afgesloten mestloods, die op grond van de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij als BBT wordt aangemerkt, onmogelijk. Bovendien is het toepassen van BBT bij de opslag van mest inmiddels gereguleerd in het Activiteitenbesluit. Daarom wordt in het Besluit huisvesting landbouwhuisdieren geen maximale emissiewaarde meer opgenomen.
- Het zogenoemde intern salderen blijft gehandhaafd. Intern salderen houdt in dat een veehouder er bij de inwerkingtreding van het Besluit huisvesting veehouderij voor kon kiezen om een bestaande stal niet aan te passen, maar op een andere stal een verdergaande emissiereductie te realiseren dan was voorgeschreven, en zo per saldo over de gehele inrichting wel te voldoen aan de maximale emissiewaarden. De overgangstermijn voor bestaande stallen in het Besluit huisvesting veehouderij is inmiddels verstreken, zodat alle stallen, of alle inrichtingen per saldo, nu moeten voldoen aan het Besluit huisvesting veehouderij. Er geldt in het ontwerp geen eindtermijn voor intern salderen. Er is dus ook geen termijn waarbinnen de stallen afzonderlijk moeten gaan voldoen aan de maximale emissiewaarden. Dit is slechts anders voor bedrijven die in de huidige situatie met intern salderen voldoen aan de maximale emissiewaarden, maar bij inwerkingtreding van het Besluit huisvesting landbouwhuisdieren niet meer voldoen als gevolg van de actualisatie van de emissiefactoren.
Abonneren op:
Reacties (Atom)