Vanaf 29 december mag vuurwerk verkocht worden, en tot voor kort mocht het dan alleen op de laatste dag van het jaar vanaf tien uur ’s ochtends tot twee uur ’s nachts afgestoken worden. Het vroeg kunnen afsteken van dit vuurwerk wordt tegenwoordig niet langer acceptabel geacht. Daarom beperkt het nieuwe Vuurwerkbesluit de afsteektijden tot de periode tussen zes uur ’s avonds en twee uur ’s nachts. Door het begin van de afsteektijd terug te brengen van tien uur ‘s ochtends naar zes uur ’s avonds, moet oudejaarsdag overdag weer een normale dag worden waarop mensen ongehinderd de straat op kunnen. Sommige gemeenten stellen zelfs vuurwerkvrije zones in rond verzorgingstehuizen en kinderboerderijen waar ook op oudejaarsnacht niets meer mag worden afgestoken.
maandag 15 december 2014
VUURWERK
Het is in Nederland traditie om rond de jaarwisseling consumentenvuurwerk af te steken. De wijze waarop aan deze traditie uitvoering wordt gegeven leidt in toenemende mate tot overlast en onveiligheid. Volgens de vuurwerkbranche wordt die overlast vooral veroorzaakt door het afsteken van illegaal vuurwerk. De praktijk wijst iets anders uit, ook het voortijdig en onoordeelkundig afsteken van legaal vuurwerk is behoorlijk hinderlijk en gevaarlijk. Ook al worden alle voorzorgsmaatregelen in acht genomen het afsteken van vuurwerk is en blijft een riskante onderneming. De traditie heeft de laatste jaren dan ook een toenemende roep vanuit de samenleving te weeg gebracht om de overlast terug te dringen. Een algeheel verbod lijkt nog niet aan de orde. Daarvoor lijkt de traditie te diep geworteld.
Of dit allemaal ook echt gaat werken valt te betwijfelen. Veel gemeenten vrezen dat deze maatregelen niet gehandhaafd kunnen worden, omdat gemeenten, noch politie de middelen hebben om het besluit te handhaven. Versterking van het aantal politiemensen valt niet te verwachten nu op oudejaarsavond toch al al het beschikbare personeel wordt ingezet. Het is dan ook naïef om te denken dat alleen het veranderen van de regels tot een werkelijke verbetering van de veiligheid zal leiden.
dinsdag 25 november 2014
Waar mogen de geluidgrenswaarden worden gemeten?
In uitspraak nr. 201305023/1/A4 van 19 november 2014, komt de vraag aan de orde of er een keuzevrijheid bestaat bij het bepalen van de plaats waar het geluid van een inrichting moet worden gemeten. De Afdeling is van oordeel dat het standpunt van verweerder dat het in het belang van de bescherming van het milieu voldoende is dat bij woningen van derden aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan niet onredelijk is. Allereerst omdat artikel 8.11 derde lid Wm niet dwingend voorschrijft waar het geluid moet worden gemeten. Bovendien heeft verweerder beleidsvrijheid bij de beslissing ex artikel 8.23 Wm de voorwaarden en beperkingen waaronder een vergunning is verleend te wijzigen, aan te vullen of intrekken.
maandag 24 november 2014
NATUURBESCHERMING IN DE OMGEVINGSVERGUNNING
De nieuwe Natuurbeschermingswet is nog niet eens door het parlement aanvaard maar het is nu al duidelijk dat deze wet na een kort zelfstandig bestaan in de Omgevingswet zal worden geïntegreerd. Dat het natuurbeschermingsrecht nog niet in het wetsvoorstel voor een Omgevingswet is opgenomen, betekent niet dat er niets is opgenomen. Het wetsvoorstel bevat nu al een aantal bepalingen over de natuurbescherming. De toekomstige Omgevingswet gaat over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en deze fysieke leefomgeving omvat (ook) natuur (artikel 1.2 lid 2, onder h). Hieronder wordt een schets gegeven van het natuurbeschermingsrecht dat nu al in het wetsvoorstel is opgenomen.
Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000 gebied
Onder de volgende voorwaarden is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000- en Flora- en fauna-activiteit vereist: Uit de definities van bijlage 1 van de Omgevingswet blijkt dat er sprake moet zijn van een activiteit waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming een ontheffingen- of vergunningenregime geldt. En er moet sprake zijn van een samenloop van een Natura 2000- of flora- en fauna-activiteit met één of meer ‘andere’ omgevingsvergunningplichtige activiteiten. Als er niet zo'n samenloop is (bijvoorbeeld in het geval van een bouwvergunningsvrije activiteit) dan is voor die Natura 2000-activiteit of een flora- en fauna-activiteit geen omgevingsvergunning, maar een afzonderlijke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist (artikel 5.1, lid 3, Omgevingswet).
Het beheerplan
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden zal in de Omgevingswet worden verankerd in de artikelen 3.7 en 3.8. Met de beheerplannen worden de doelstellingen voor instandhouding van habitats en soorten in Natura 2000-gebieden uitgewerkt. De Minister van Economische Zaken zal verantwoordelijk blijven voor het vaststellen van de aanwijzingsbesluiten per Natura 2000-gebied. De procedure voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden is vooralsnog in de Wet natuurbescherming opgenomen en zal nog worden overgeheveld naar de Omgevingswet. In een aanwijzingsbesluit wordt aangegeven hoe elk gebied moet bijdragen aan het bereiken van de landelijke doelstellingen. Vervolgens moeten gedeputeerde staten beheerplannen vaststellen (artikel 3.7 Omgevingswet). In de beheerplannen wordt per gebied uitgewerkt hoe deze doelen uit het aanwijzingsbesluit worden gerealiseerd. Het beheerplan kan (zoals nu ook het geval is) het karakter van een vrijstelling hebben: activiteiten, waarvan in het beheerplan is aangegeven dat zij in overeenstemming zijn met de instandhoudingsdoelstellingen vallen niet langer onder de vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Aan het beheerplan is een uitvoeringsplicht gekoppeld (artikel 3.17, lid 3).
Het Natuurnetwerk Nederland
Ook voor de Ecologische Hoofdstructuur die voortaan Natuurnetwerk Nederland moet gaan heten is iets in de Omgevingswet geregeld. Het netwerk zal moeten worden beschermd door het omgevingsplan (de opvolger van het bestemmingsplan geregeld in artikel 1.2, lid 2, Omgevingswet), de provinciale omgevingsverordening (artikel 2.6 Omgevingswet), de omgevingsvergunning en door eventuele instructieregels (afdeling 2.5 van de Omgevingswet) van de provincie en het Rijk.
De instructieregels
Om rijks- of provinciale belangen te kunnen beschermen, bevat de Omgevingswet de mogelijkheid voor het Rijk en de provincie om instructieregels vast te stellen. Het Rijk is zelfs verplicht om inhoudelijke instructieregels vast te stellen over de vast te stellen programma’s van decentrale overheden met betrekking tot de natuurbescherming, in het bijzonder ter uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn (artikel 2.26, lid 3, onder b en h). Daarnaast wordt de natuurbescherming ook als een voorbeeld van een provinciaal belang genoemd. Voor de bescherming van Natuurnetwerk Nederland kan de provincie zowel instructieregels (artikel 2.22) als beoordelingsregels voor aanvragen om omgevingsvergunningen (artikel 5.18, lid 2) geven. Provinciale staten kunnen in de omgevingsverordening beschermende instructieregels opnemen die beperkingen bevatten over de bevoegdheid van de gemeenteraad om het omgevingsplan vast te stellen, bijvoorbeeld dat het omgevingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die het natuurnetwerk aantasten. Ten slotte bevat de Omgevingswet de verplichting om beoordelingsregels voor de aanvraag om een Natura 2000-activiteit en flora- en fauna-activiteit vast te stellen (artikel 5.28 jo. 5.17). De beoordelingsregels vormen het toetsingskader om aanvragen te verlenen of weigeren. Deze regels zullen de regels zijn die gelden bij ‘losse’ aanvragen voor deze activiteiten op grond van de Wet natuurbescherming en nu nog de Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet. Voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor ‘afwijkactiviteiten’ (dat zijn activiteiten die afwijken van het omgevingsplan) kan de provinciale omgevingsverordening ook beoordelingsregels bevatten.
De omgevingsvisie
In de toekomstige Wet natuurbescherming is een verplichting opgenomen voor de Minister van Economische Zaken om een natuurvisie op te stellen. De Omgevingswet kent een zogenoemde omgevingsvisie. Het is de bedoeling dat onderdelen van de natuurvisie die van belang zijn voor de kwaliteit en het beheer van de fysieke leefomgeving onderdeel gaan uitmaken van de omgevingsvisie.
De programmatische aanpak stikstof (PAS)
De Omgevingswet kent een generieke regeling voor de zogenaamde programmatische aanpak. De programmatische aanpak is bedoeld om nieuwe (economische) activiteiten die tegen milieugrenzen aanlopen toch mogelijk te maken. De potentiële reikwijdte van dit vooral uit economische overwegingen in het leven geroepen instrument zal dus worden verbreedt tot de gehele fysieke leefomgeving. Op dit moment kent het natuurbeschermingsrecht al de programmatische aanpak stikstof (PAS).
Tot slot
Dit verhaal staat voor een belangrijk deel nog op losse schroeven. Veel is nog niet bekend. De nieuwe Natuurbeschermingswet is nog niet door het parlement aangenomen en pas op het moment dat deze in werking treedt zal begonnen worden met het integreren daarvan in de Omgevingswet. Een Omgevingswet waarvan ook nog niet alles vast staat. Zo moet er nog een hoop worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur die nog niet bestaat. Kortom een hoop onduidelijkheid, maar ik vond het toch de moeite waard om al eens een paar dingen op een (voorlopig) rijtje te zetten.
donderdag 13 november 2014
CHINA EN DE V.S. GEVEN HET STARTSCHOT VOOR DE KLIMAATONDERHANDELINGEN
Een paar weken geleden kwam het vijfde IPCC-rapport uit. De conclusie was duidelijk: er zullen radicale stappen gezet moeten worden om toekomstige generaties niet op te zadelen met de gevolgen van extreem weer, verhoogde zeespiegel, extreme droogte en voedseltekorten. In december 2015 komen de regeringsleiders bij elkaar in Parijs om te onderhandelen over een nieuw klimaatakkoord dat de opvolger van het Kyoto Protocol moet gaan worden.
Onlangs kwamen China en de V.S. met gezamenlijke toezeggingen voor het terugdringen van hun CO2-uitstoot. De toezeggingen zijn niet ambitieus genoeg om de gemiddelde globale temperatuurstijging beneden de 2°C te houden, maar het is een eerste stap. Een eerste stap richting Parijs. Het startschot is gegeven.
Onlangs kwamen China en de V.S. met gezamenlijke toezeggingen voor het terugdringen van hun CO2-uitstoot. De toezeggingen zijn niet ambitieus genoeg om de gemiddelde globale temperatuurstijging beneden de 2°C te houden, maar het is een eerste stap. Een eerste stap richting Parijs. Het startschot is gegeven.
China en de VS hebben de eerste stap genomen. De EU lijkt behoorlijke achter te blijven. Tijdens de onderhandelingen over de Europese doelstellingen voor 2030 werd namelijk duidelijk dat de Europese Raad haar werkwijze van de afgelopen jaren overboord gezet heeft. Regeringsleiders hebben de macht weer naar zich toegetrokken en stippelen de lijnen van het klimaatbeleid tot in detail uit. De onderhandelingen gingen dan ook meer over economische en nationale belangen dan over het klimaat. Nederland keek tevreden toe hoe alle aspiratie op het gebied van CO2-reductie en energiebesparing werden weg onderhandeld. De toch al niet echt ambitieuze voorstellen van de Europese Commissie en het Europees Parlement werden naar de prullenbak verwezen.
De V.S. en China lijken het leiderschap in het klimaatdebat van de EU te hebben overgenomen. De twee grootste tegenstanders van CO2-reductie en energiebesparing moeten voortaan de klimaatonderhandelingen leiden. Dat is geen al te prettig vooruitzicht.
De V.S. en China lijken het leiderschap in het klimaatdebat van de EU te hebben overgenomen. De twee grootste tegenstanders van CO2-reductie en energiebesparing moeten voortaan de klimaatonderhandelingen leiden. Dat is geen al te prettig vooruitzicht.
donderdag 30 oktober 2014
Uitleg van het niet krachtens publiekrecht ingestelde bestuursorgaan 201304908/1/A2 van 17 september 2014
Het begrip bestuursorgaan in één van de kernbegrippen in het bestuursrecht. In het bestuursrecht staat alleen rechtsbescherming open tegen door bestuursorganen genomen besluiten(in de zin van artikel 1:3 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Alleen bestuursorganen kunnen besluiten nemen. De wijze waarop het begrip "bestuursorgaan" wordt uitgelegd is dus relevant voor het gehele bestuursrecht, ook voor alle bijzondere onderdelen van het bestuursrecht zoals het omgevingsrecht.
Een bestuursorgaan is volgens de definitie van artikel 1:1 lid 1 Awb een: "orgaan van een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld", of "een persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed". Dat wil zeggen dat zij bindende besluiten moeten kunnen nemen waarmee zij eenzijdig rechten of verplichtingen voor anderen in het leven kunnen roepen of bindend zulke rechten of verplichtingen kunnen vaststellen. Het gaat dan om het verlenen van subsidies of bijvoorbeeld het afgeven van diploma's. Een bekend voorbeeld is de APK-keurmeester die op het moment dat hij auto's APK keurt en een keuringsbewijs afgeeft als bestuursorgaan kan worden aangemerkt (maar dan ook alleen maar daar voor
).
Het bestuur van een private rechtspersoon, of een orgaan van een private rechtspersoon kan soms worden belast met de uitoefening van publiekrechtelijke taken. Die taken hoeven niet in of bij wet aan zo'n private rechtspersoon opgedragen te zijn. Ook een orgaan van een stichting kan in sommige gevallen als bestuursorgaan aangemerkt worden.
De vraag die bij de grote kamer voorlag was of de “Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio” zo’n soort bestuursorgaan is. De stichting is opgericht door Luchthaven Schiphol en de provincie Noord‑Holland en heeft tot doel de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving in de Schipholregio te versterken.
De Stichting had een financiële vergoeding geweigerd aan een inwoner uit Kudelstaart. De inwoner had de tegemoetkoming gevraagd omdat hij overlast ondervindt door vliegtuigen (geluidsoverlast en vervuiling). Die financiële bijdrage werd echter geweigerd omdat de stichting meende dat de inwoner niet kon worden aangemerkt als "schrijnend geval". Alleen "individuele schrijnende gevallen" komen namelijk in aanmerking voor een tegemoetkoming. Tegen deze weigering heeft de bewoner van de Kudelstaart bezwaar gemaakt, dat bezwaar werd vervolgens door de stichting ongegrond verklaard. Bij het hier tegen ingestelde beroep verklaarde de rechtbank zich onbevoegd. De rechtbank meende namelijk dat de stichting geen bestuursorgaan is en dat daarom geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming mogelijk was. Tegen die uitspraak van de rechtbank heeft vervolgens de stichting hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De stichting meent namelijk zelf dat zij wel degelijk als bestuursorgaan moet worden aangemerkt.
Op 23 juni 2014 werd de zeer lezenswaardige conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven bekend gemaakt. In haar uitspraak oordeel de grote kamer van de Raad van State overeenkomstig deze conclusie dat de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio geen bestuursorgaan is. De Afdeling stelt daarbij dat bepalend is voor de vraag of een privaatrechtelijke rechtspersoon als een bestuursorgaan moet worden aangemerkt:
Het bestuur van een private rechtspersoon, of een orgaan van een private rechtspersoon kan soms worden belast met de uitoefening van publiekrechtelijke taken. Die taken hoeven niet in of bij wet aan zo'n private rechtspersoon opgedragen te zijn. Ook een orgaan van een stichting kan in sommige gevallen als bestuursorgaan aangemerkt worden.
De vraag die bij de grote kamer voorlag was of de “Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio” zo’n soort bestuursorgaan is. De stichting is opgericht door Luchthaven Schiphol en de provincie Noord‑Holland en heeft tot doel de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving in de Schipholregio te versterken.
De Stichting had een financiële vergoeding geweigerd aan een inwoner uit Kudelstaart. De inwoner had de tegemoetkoming gevraagd omdat hij overlast ondervindt door vliegtuigen (geluidsoverlast en vervuiling). Die financiële bijdrage werd echter geweigerd omdat de stichting meende dat de inwoner niet kon worden aangemerkt als "schrijnend geval". Alleen "individuele schrijnende gevallen" komen namelijk in aanmerking voor een tegemoetkoming. Tegen deze weigering heeft de bewoner van de Kudelstaart bezwaar gemaakt, dat bezwaar werd vervolgens door de stichting ongegrond verklaard. Bij het hier tegen ingestelde beroep verklaarde de rechtbank zich onbevoegd. De rechtbank meende namelijk dat de stichting geen bestuursorgaan is en dat daarom geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming mogelijk was. Tegen die uitspraak van de rechtbank heeft vervolgens de stichting hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De stichting meent namelijk zelf dat zij wel degelijk als bestuursorgaan moet worden aangemerkt.
Op 23 juni 2014 werd de zeer lezenswaardige conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven bekend gemaakt. In haar uitspraak oordeel de grote kamer van de Raad van State overeenkomstig deze conclusie dat de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio geen bestuursorgaan is. De Afdeling stelt daarbij dat bepalend is voor de vraag of een privaatrechtelijke rechtspersoon als een bestuursorgaan moet worden aangemerkt:
- Of de overheid de uitoefening van de taak van de rechtspersoon betaalt (financiële band).
- Of de overheid de inhoud van de uitoefening van die taak bepaalt (inhoudelijke band).
maandag 14 juli 2014
NIEUWSBRIEF OMGEVINGSRECHT JULI 2014
JURIDISCH NIEUWS
De ‘Grote Kamer’ in
het bestuursrecht
Op 29 januari 2014 kwam de eerste uitspraak af van de grote kamer (ECLI:NL:RVS:2014:188). Die uitspraak is om meerdere redenen bijzonder. De grote kamer is een kamer van vijf rechters, die alleen bijeen kan worden geroepen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de CRvB en het CBb; niet door de rechtbanken of de belastingkamers van de hoven. De grote kamer (art 8:10a Awb) is vooral bedoeld om rechtseenheid te bewerkstelligen tussen de hoogste bestuursrechters. Hoewel de Hoge Raad geen gebruik kan maken van de grote kamer, doet de Hoge Raad wel mee. Dit blijkt uit het feit dat een rechter van de Hoge Raad onderdeel uitmaakte van de kamer, naast rechters van ABRvS, CRvB en CBb.
De uitspraak is ook bijzonder omdat daarbij voor het eerst kon worden geprofiteerd van een conclusie (art. 8:12a Awb). Op 23 oktober 2013 nam staatsraad advocaat-generaal Widdershoven de eerste conclusie (ECLI:NL:RVS:2013:1586). Inmiddels zijn er in drie zaken conclusies uitgebracht.
De uitspraak van 29 januari 2014 heeft betrekking op schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Over de lengte van de redelijke termijn in niet punitieve zaken liep de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters uiteen (4 of 5 jaar?). Omdat de minister heeft laten weten dat er geen wettelijke regeling komt, waren de bestuursrechters genoodzaakt zelf rechtseenheid te scheppen. De knoop is doorgehakt op vier jaar. Dat is nu de maximaal redelijke termijn voor een procedure in het bestuursrecht, zowel in boetezaken als in niet punitieve zaken. Duurt de procedure langer, dan bestaat in beginsel recht op schadevergoeding. In de uitspraak is ook besloten dat de periode gemoeid met het stellen en beantwoorden van prejudiciele vragen niet meetelt bij de duur van de redelijke termijn. De kop is er af; het wachten is op de volgende grote kamerzaak.
Op 29 januari 2014 kwam de eerste uitspraak af van de grote kamer (ECLI:NL:RVS:2014:188). Die uitspraak is om meerdere redenen bijzonder. De grote kamer is een kamer van vijf rechters, die alleen bijeen kan worden geroepen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de CRvB en het CBb; niet door de rechtbanken of de belastingkamers van de hoven. De grote kamer (art 8:10a Awb) is vooral bedoeld om rechtseenheid te bewerkstelligen tussen de hoogste bestuursrechters. Hoewel de Hoge Raad geen gebruik kan maken van de grote kamer, doet de Hoge Raad wel mee. Dit blijkt uit het feit dat een rechter van de Hoge Raad onderdeel uitmaakte van de kamer, naast rechters van ABRvS, CRvB en CBb.
De uitspraak is ook bijzonder omdat daarbij voor het eerst kon worden geprofiteerd van een conclusie (art. 8:12a Awb). Op 23 oktober 2013 nam staatsraad advocaat-generaal Widdershoven de eerste conclusie (ECLI:NL:RVS:2013:1586). Inmiddels zijn er in drie zaken conclusies uitgebracht.
De uitspraak van 29 januari 2014 heeft betrekking op schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Over de lengte van de redelijke termijn in niet punitieve zaken liep de rechtspraak van de hoogste bestuursrechters uiteen (4 of 5 jaar?). Omdat de minister heeft laten weten dat er geen wettelijke regeling komt, waren de bestuursrechters genoodzaakt zelf rechtseenheid te scheppen. De knoop is doorgehakt op vier jaar. Dat is nu de maximaal redelijke termijn voor een procedure in het bestuursrecht, zowel in boetezaken als in niet punitieve zaken. Duurt de procedure langer, dan bestaat in beginsel recht op schadevergoeding. In de uitspraak is ook besloten dat de periode gemoeid met het stellen en beantwoorden van prejudiciele vragen niet meetelt bij de duur van de redelijke termijn. De kop is er af; het wachten is op de volgende grote kamerzaak.
De judiciële lus
Sinds 1 januari 2013 kent de Algemene wet bestuursrecht de judiciële lus (artikel 8:113, lid 2). In twee uitspraken van 23 oktober (ECLI:NL:RVS:2013:1659) en 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2273) heeft de ABRvS die lus voor het eerst toegepast.
Bij de judiciële lus gaat het om de situatie dat de hogerberoepsrechter in een einduitspraak zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden bestuursbesluit vernietigt. Het bestuur is aan zet om een nieuw besluit te nemen. Normaal gesproken moet een belanghebbende die zich niet in dat nieuwe besluit kan vinden daartegen eerst weer beroep instellen bij de rechtbank. Nieuw is dat de hogerberoepsrechter kan bepalen dat een belanghebbende tegen het nieuwe besluit ‘slechts’ beroep kan instellen bij de hogerberoepsrechter. Dit wordt ook wel ‘spronghogerberoep’ genoemd. We kunnen het beter ‘sprongberoep’ noemen, het gaat immers niet om een vorm van hoger beroep, maar om een vorm van beroep in eerste en enige aanleg bij de hogerberoepsrechter. Of het ‘beroep’ of ‘hoger beroep’ betreft is relevant, onder andere voor de (on)mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen en de hoogte van het te betalen griffierecht.
Bestuursorganen moeten opletten dat ze een aangepaste rechtsmiddelenclausule onder het nieuwe besluit opnemen. Bij een te herstellen gebrek in het bestuursbesluit zal een belangrijke vraag worden: bestuurlijke lus of judiciële lus? Bij de bestuurlijke lus doet de bestuursrechter een tussenuitspraak. De zaak blijft aanhangig bij en onder regie van de bestuursrechter. Een nieuw besluit kan worden meegenomen in de lopende procedure, zonder dat hiervoor griffierecht moet worden betaald. Voor procespartijen heeft de bestuurlijke lus belangrijke voordelen ten opzichte van de judiciële lus. Voor de bestuursrechter ligt dat anders. Mijn tip: bespreek voor- en nadelen van de beide opties met de rechter op zitting. Mijn verwachting: de bestuurlijke lus zal het “winnen” van de judiciële lus.
Sinds 1 januari 2013 kent de Algemene wet bestuursrecht de judiciële lus (artikel 8:113, lid 2). In twee uitspraken van 23 oktober (ECLI:NL:RVS:2013:1659) en 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2273) heeft de ABRvS die lus voor het eerst toegepast.
Bij de judiciële lus gaat het om de situatie dat de hogerberoepsrechter in een einduitspraak zowel de uitspraak van de rechtbank als het bestreden bestuursbesluit vernietigt. Het bestuur is aan zet om een nieuw besluit te nemen. Normaal gesproken moet een belanghebbende die zich niet in dat nieuwe besluit kan vinden daartegen eerst weer beroep instellen bij de rechtbank. Nieuw is dat de hogerberoepsrechter kan bepalen dat een belanghebbende tegen het nieuwe besluit ‘slechts’ beroep kan instellen bij de hogerberoepsrechter. Dit wordt ook wel ‘spronghogerberoep’ genoemd. We kunnen het beter ‘sprongberoep’ noemen, het gaat immers niet om een vorm van hoger beroep, maar om een vorm van beroep in eerste en enige aanleg bij de hogerberoepsrechter. Of het ‘beroep’ of ‘hoger beroep’ betreft is relevant, onder andere voor de (on)mogelijkheid incidenteel hoger beroep in te stellen en de hoogte van het te betalen griffierecht.
Bestuursorganen moeten opletten dat ze een aangepaste rechtsmiddelenclausule onder het nieuwe besluit opnemen. Bij een te herstellen gebrek in het bestuursbesluit zal een belangrijke vraag worden: bestuurlijke lus of judiciële lus? Bij de bestuurlijke lus doet de bestuursrechter een tussenuitspraak. De zaak blijft aanhangig bij en onder regie van de bestuursrechter. Een nieuw besluit kan worden meegenomen in de lopende procedure, zonder dat hiervoor griffierecht moet worden betaald. Voor procespartijen heeft de bestuurlijke lus belangrijke voordelen ten opzichte van de judiciële lus. Voor de bestuursrechter ligt dat anders. Mijn tip: bespreek voor- en nadelen van de beide opties met de rechter op zitting. Mijn verwachting: de bestuurlijke lus zal het “winnen” van de judiciële lus.
Verordening Invasieve
Uitheemse soorten
In april heeft het Europees Parlement de Verordening Invasieve Uitheemse soorten vastgesteld. Invasieve uitheemse soorten zijn planten, dieren en micro-organismen die door menselijk toedoen in een nieuw gebied terechtkomen, zich daar kunnen vestigen en verspreiden en schade kunnen veroorzaken aan bijvoorbeeld de inheemse flora en fauna of de volksgezondheid. Op grond van de verordening stelt de Europese Commissie een lijst vast van soorten die aangepakt moeten worden. Te verwachten is dat die lijst meer dan 50 soorten zal omvatten. Voor al die soorten zal Nederland maatregelen moeten nemen in de sfeer van invoer- en bezitspreventie, voorkómen van verspreiding in de natuur en verwijdering van aanwezige exemplaren.
In april heeft het Europees Parlement de Verordening Invasieve Uitheemse soorten vastgesteld. Invasieve uitheemse soorten zijn planten, dieren en micro-organismen die door menselijk toedoen in een nieuw gebied terechtkomen, zich daar kunnen vestigen en verspreiden en schade kunnen veroorzaken aan bijvoorbeeld de inheemse flora en fauna of de volksgezondheid. Op grond van de verordening stelt de Europese Commissie een lijst vast van soorten die aangepakt moeten worden. Te verwachten is dat die lijst meer dan 50 soorten zal omvatten. Voor al die soorten zal Nederland maatregelen moeten nemen in de sfeer van invoer- en bezitspreventie, voorkómen van verspreiding in de natuur en verwijdering van aanwezige exemplaren.
Nieuwe Natuurwet naar Tweede
Kamer
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft op 18 juni 2014 een gewijzigde Wet Natuurbescherming naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze nieuwe Natuurwet krijgen de provincies de wettelijke plicht hun natuurbeleid vast te leggen. Daarnaast kunnen de provincies zelf gebieden aanwijzen die belangrijk zijn voor de natuur in die provincie
Staatssecretaris Dijksma van Economische Zaken heeft op 18 juni 2014 een gewijzigde Wet Natuurbescherming naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze nieuwe Natuurwet krijgen de provincies de wettelijke plicht hun natuurbeleid vast te leggen. Daarnaast kunnen de provincies zelf gebieden aanwijzen die belangrijk zijn voor de natuur in die provincie
.
Toetsversie van de
Omgevingswet
Begin 2013 is de toetsversie van de Omgevingswet gepubliceerd met bijbehorende
memorie van toelichting. Deze toetsversie geeft een goede eerste indruk van de
richting waarin het Omgevingsrecht evolueert. Tientallen omgevingswetten, zoals
de Wabo, de Wet ruimtelijke ordening, de Waterwet, de Natuurbeschermingswet 1998,
de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder zullen een
plaats krijgen in deze wet. Andere wetten, zoals de Wet ammoniak en veehouderij
en de Wet geurhinder en veehouderij zullen worden ingetrokken.De
Omgevingswet is wellicht de meest omvangrijke naoorlogse bundelingsoperatie.
Hoewel de wet pas in 2017 of 2018 in het Staatsblad wordt verwacht, is het
belang voor de praktijk nu al groot. Overheden kunnen alvast anticiperen op
nieuwe ontwikkelingen zoals het omgevingsplan dat de plaats van het
bestemmingsplan zal innemen. Bedrijven en burgers zullen te maken krijgen met
een omgevingsvergunning, waarin ook de watervergunning en de
natuurbeschermingsvergunning zijn opgenomen.
JURISPRUDENTIE
Salderingssysteem van de provincie Gelderland naar de
prullenbak verwezen
De Raad van State heeft vijftien vergunningen vernietigd (AbRvS 201309550/2/R2 van 28 maart 2014) die de provincie Gelderland had verleend voor uitbreidingsplannen van veehouderijen. Door nog eens 109 verleende Natuurbeschermingswetvergunningen wordt waarschijnlijk ook een streep gezet. De stikstofuitstoot is niet goed beoordeeld. De provincie Gelderland ontwikkelde een eigen salderingssysteem, waarbij de provincie bijhield welke bedrijven door stoppen of verkleinen emissieruimte inleveren. Nieuwe aanvragen konden daartegen worden weggestreept. Die werkwijze is nu door de Raad van State naar de prullenmand verwezen. Als een bedrijfsuitbreiding potentieel schadelijke gevolgen heeft voor natuur en milieu, moet de provincie een zogenoemde ‘passende beoordeling’ maken. De provincie moet onderzoeken hoe het daadwerkelijk zit met de uitstoot van ammoniak. Eenvoudig wegstrepen van oude vergunningen tegen nieuwe aanvragen, volstaat dus niet.
De Raad van State heeft vijftien vergunningen vernietigd (AbRvS 201309550/2/R2 van 28 maart 2014) die de provincie Gelderland had verleend voor uitbreidingsplannen van veehouderijen. Door nog eens 109 verleende Natuurbeschermingswetvergunningen wordt waarschijnlijk ook een streep gezet. De stikstofuitstoot is niet goed beoordeeld. De provincie Gelderland ontwikkelde een eigen salderingssysteem, waarbij de provincie bijhield welke bedrijven door stoppen of verkleinen emissieruimte inleveren. Nieuwe aanvragen konden daartegen worden weggestreept. Die werkwijze is nu door de Raad van State naar de prullenmand verwezen. Als een bedrijfsuitbreiding potentieel schadelijke gevolgen heeft voor natuur en milieu, moet de provincie een zogenoemde ‘passende beoordeling’ maken. De provincie moet onderzoeken hoe het daadwerkelijk zit met de uitstoot van ammoniak. Eenvoudig wegstrepen van oude vergunningen tegen nieuwe aanvragen, volstaat dus niet.
Kostenverhaal
bij bestuursdwang (ABRvS 12 februari 2014, JM 2014/76 en ABRvS 11
januari 2012, 201104374/1/H1)
Bij een bestuursdwangbeschikking mag het college van burgemeester en wethouders op kosten van de overtreder de noodzakelijke maatregelen treffen om de overtreding ongedaan te maken. Als bij het opleggen van de last wordt aangegeven dat dit op kosten van die overtreder gebeurt (artikel 5:25, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen die kosten worden verhaald. Daartoe moet dan wel eerst een aparte (kostenverhaals)beschikking worden genomen om de hoogte van die kosten vast te stellen (artikel 5:25, zesde lid, Awb).
Wanneer die kostenverhaalsbeschikking door de overtreder wordt bestreden moet gespecificeerd worden aangegeven hoeveel uur, tegen welk uurtarief en welke werkzaamheden zijn verricht voor het gefactureerde bedrag. Het gaat om de werkelijk gemaakte kosten.
Alleen de kosten die worden gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn kunnen worden verhaald (artikel 5:25, derde lid, Awb). Wanneer er geen begunstigingstermijn is gegund (bijvoorbeeld bij spoedeisende bestuursdwang) is kostenverhaal niet mogelijk. De Afdeling wijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis van artikel 5:25, derde lid Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101). Hierin staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan.
Bij een bestuursdwangbeschikking mag het college van burgemeester en wethouders op kosten van de overtreder de noodzakelijke maatregelen treffen om de overtreding ongedaan te maken. Als bij het opleggen van de last wordt aangegeven dat dit op kosten van die overtreder gebeurt (artikel 5:25, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kunnen die kosten worden verhaald. Daartoe moet dan wel eerst een aparte (kostenverhaals)beschikking worden genomen om de hoogte van die kosten vast te stellen (artikel 5:25, zesde lid, Awb).
Wanneer die kostenverhaalsbeschikking door de overtreder wordt bestreden moet gespecificeerd worden aangegeven hoeveel uur, tegen welk uurtarief en welke werkzaamheden zijn verricht voor het gefactureerde bedrag. Het gaat om de werkelijk gemaakte kosten.
Alleen de kosten die worden gemaakt na het verstrijken van de begunstigingstermijn kunnen worden verhaald (artikel 5:25, derde lid, Awb). Wanneer er geen begunstigingstermijn is gegund (bijvoorbeeld bij spoedeisende bestuursdwang) is kostenverhaal niet mogelijk. De Afdeling wijst hiervoor naar de wetsgeschiedenis van artikel 5:25, derde lid Awb (Kamerstukken II 1994/1995, 23 700, nr. 5, p. 101). Hierin staat dat in gevallen waarin geen termijn wordt gegund, de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, ook voor zover zij zijn gemaakt na het besluit tot toepassing van bestuursdwang, voor rekening komen van het bestuursorgaan.
NATUUR EN MILIEUNIEUWS
Visstand Waddenzee sterk gedaald
Volgens de Waddenvereniging blijkt uit cijfers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) dat de visstand in de Waddenzee de afgelopen vijftig jaar flink is achteruitgegaan. Van Schol tot Tong en van Paling tot Harder is het aantal vissen in de zee ''nog maar een fractie van wat het in de jaren zestig was''. De oorzaak van de daling is niet duidelijk. Het zou door overbevissing, het warmere zeewater of het afsluiten van het IJsselmeer kunnen komen, maar ook bijvoorbeeld door het opzuigen en elders opspuiten van zand.
Volgens de Waddenvereniging blijkt uit cijfers van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) dat de visstand in de Waddenzee de afgelopen vijftig jaar flink is achteruitgegaan. Van Schol tot Tong en van Paling tot Harder is het aantal vissen in de zee ''nog maar een fractie van wat het in de jaren zestig was''. De oorzaak van de daling is niet duidelijk. Het zou door overbevissing, het warmere zeewater of het afsluiten van het IJsselmeer kunnen komen, maar ook bijvoorbeeld door het opzuigen en elders opspuiten van zand.
IPPC rapport
De samenvatting voor beleidsmakers (SPM) van het IPPC rapport zal straks in Parijs, waar in 2015 een nieuw klimaatakkoord moet worden gesloten, een heel belangrijke rol gaan spelen. Wat hier zwart-op-wit staat, kan daar niet meer ter discussie worden gesteld. Volgens de auteurs is het nog steeds mogelijk om, tegen relatief geringe kosten, gevaarlijke opwarming te voorkomen. Zonder maatregelen groeit de consumptie naar verwachting wereldwijd met 1,6 tot 3 procent per jaar. Als er werk wordt gemaakt van een ambitieus mitigatieprogramma (een CO2-reductie van 40 tot 70 procent in het midden van de eeuw en een vrijwel koolstof-neutrale energieopwekking rond 2100) zou dat een daling van de consumptiegroei met 0,06 procentpunten betekenen.
Maar dat is meteen het probleem. Want ondanks het reductiebeleid in een groot aantal landen, en ondanks een kleine dip in de CO2-uitstoot door de economische crisis, blijkt de uitstoot van broeikasgassen onverminderd door te gaan. De afgelopen tien jaar steeg die met 2,2 procent, wat een snellere stijging is dat in de decennia daarvoor.
Bij ongewijzigd beleid zal de concentratie van broeikasgassen, die in 2011 nog ongeveer 430 ppm bedroeg (CO2-eq, dus met de overige broeikasgassen, omgerekend naar CO2), in 2030 uitkomen boven de 450 ppm en doorstijgen naar 750-1300 ppm aan het eind van de eeuw. Dat zou kunnen leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur met 3 tot 5 graden Celsius
De samenvatting voor beleidsmakers (SPM) van het IPPC rapport zal straks in Parijs, waar in 2015 een nieuw klimaatakkoord moet worden gesloten, een heel belangrijke rol gaan spelen. Wat hier zwart-op-wit staat, kan daar niet meer ter discussie worden gesteld. Volgens de auteurs is het nog steeds mogelijk om, tegen relatief geringe kosten, gevaarlijke opwarming te voorkomen. Zonder maatregelen groeit de consumptie naar verwachting wereldwijd met 1,6 tot 3 procent per jaar. Als er werk wordt gemaakt van een ambitieus mitigatieprogramma (een CO2-reductie van 40 tot 70 procent in het midden van de eeuw en een vrijwel koolstof-neutrale energieopwekking rond 2100) zou dat een daling van de consumptiegroei met 0,06 procentpunten betekenen.
Maar dat is meteen het probleem. Want ondanks het reductiebeleid in een groot aantal landen, en ondanks een kleine dip in de CO2-uitstoot door de economische crisis, blijkt de uitstoot van broeikasgassen onverminderd door te gaan. De afgelopen tien jaar steeg die met 2,2 procent, wat een snellere stijging is dat in de decennia daarvoor.
Bij ongewijzigd beleid zal de concentratie van broeikasgassen, die in 2011 nog ongeveer 430 ppm bedroeg (CO2-eq, dus met de overige broeikasgassen, omgerekend naar CO2), in 2030 uitkomen boven de 450 ppm en doorstijgen naar 750-1300 ppm aan het eind van de eeuw. Dat zou kunnen leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur met 3 tot 5 graden Celsius
.
Australië droogt uit
Onderzoekers van de Universiteit van Melbourne melden dat de toenemende droogte in Australië een menselijke oorsprong heeft. Aan de hand van een computermodel stelden de wetenschappers vast dat de toename van broeikasgassen er voor zorgt dat westenwinden rond de Zuidpool vochtige lucht wegzuigt van het Australische continent. Op termijn zullen hierdoor steeds vaker droogtes voorkomen in het zuidwesten van dit land.
Onderzoekers van de Universiteit van Melbourne melden dat de toenemende droogte in Australië een menselijke oorsprong heeft. Aan de hand van een computermodel stelden de wetenschappers vast dat de toename van broeikasgassen er voor zorgt dat westenwinden rond de Zuidpool vochtige lucht wegzuigt van het Australische continent. Op termijn zullen hierdoor steeds vaker droogtes voorkomen in het zuidwesten van dit land.
En Antarctica smelt
De gletsjers op West-Antarctica lijken niet meer te stoppen met smelten. Ze zullen blijven smelten en uiteindelijk verdwijnen. Bovendien blijkt dat die gletsjers veel sneller smelten dan onderzoekers voorheen dachten. Ieder jaar komt net zoveel smeltwater van die gletsjers af als van heel Groenland. De zeespiegel stijgt met 1,2 meter als de gletsjers volledig smelten. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers, verbonden aan NASA en de universiteit van Californië, in het vakblad Geophysical Research Letters.
De gletsjers op West-Antarctica lijken niet meer te stoppen met smelten. Ze zullen blijven smelten en uiteindelijk verdwijnen. Bovendien blijkt dat die gletsjers veel sneller smelten dan onderzoekers voorheen dachten. Ieder jaar komt net zoveel smeltwater van die gletsjers af als van heel Groenland. De zeespiegel stijgt met 1,2 meter als de gletsjers volledig smelten. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers, verbonden aan NASA en de universiteit van Californië, in het vakblad Geophysical Research Letters.
donderdag 3 april 2014
NIEUWSBRIEF MAART
JURIDISCH NIEUWS
Jaarverslag Raad van
State gepresenteerdHet jaarverslag van de Raad van State over 2013 is uitgebracht. Het verslag is online beschikbaar http://bit.ly/HVjUje. Het kabinet laat zich bij het maken van wetgeving soms enkel leiden door budgettaire overwegingen, waarschuwt de Raad van State. Ook gaat het er in het wetgevingsproces soms dusdanig rommelig aan toe dat wetgeving het karakter krijgt van een wegwerpartikel. Op een wet moet je kunnen rekenen, maar door de politieke dynamiek van de afgelopen jaren krijgt wetgeving een onevenwichtig karakter en worden budgettaire overwegingen gebruikt als primaire motivering voor ingrijpende voorstellen, aldus de Raad. Bezuinigingen zijn goed te verdedigen maar uit het oogpunt van de democratische rechtsstaat kunnen bepaalde beslissingen niet alléén uit budgettaire overwegingen worden gemotiveerd. Achtereenvolgende en soms aan elkaar tegengestelde wijzigingen volgen elkaar ook in snel tempo op. Onbestendigheid van wetgeving heeft gevolgen voor de doeltreffendheid ervan en leidt tot een fragmentarische aanpak.
De Raad van State wijst er nog eens op dat advisering over wetgeving en het uitvoeren van bestuursrechtspraak het beste samen onder haar paraplu kunnen blijven, iets wat flink ter discussie staat. Deze combinatie biedt vruchtbare mogelijkheden om de rechtsvorming te versterken.
Nationaal
natuurnetwerk (NNN) vastgelegd in provinciale structuurvisies
In een brief aan staatssecretaris Sharon Dijksma (EZ, PvdA) stellen de provincies dat het NNN grotendeels is vastgelegd in hun ruimtelijke structuurvisie. Het NNN moet zorgen voor een robuust en samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het realiseren hiervan is in het kader van de decentralisatie via het zogenaamde Natuurpact aan de provincies opgedragen. Aangezien de planning van de structuurvisies voor loopt op de totstandkoming van het Natuurpact zijn in meerdere provincies de grenzen van het NNN vooruitlopend op het Natuurpact al vastgesteld.
In het Natuurpact hebben de provincies en rijk zich gecommitteerd aan het nastreven van een robuust natuurnetwerk dat uiterlijk in 2027 gerealiseerd moet worden. In de brief aan de staatssecretaris wordt erop gewezen dat de provincies op deze manier in staat gesteld worden te voldoen aan de Europese verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water, Natura2000 en de Programmatische Aanpak Stikstof. Het perspectief op realisatie van alle internationale verplichtingen is een verbetering ten opzicht van de situatie van vóór het Natuurpact toen realisering van deze verplichtingen onmogelijk leek te zijn. Ook lijkt het erop dat het NNN groter van omvang zal zijn dan overeen was gekomen in het bestuursakkoord natuur van 2012.
In een brief aan staatssecretaris Sharon Dijksma (EZ, PvdA) stellen de provincies dat het NNN grotendeels is vastgelegd in hun ruimtelijke structuurvisie. Het NNN moet zorgen voor een robuust en samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het realiseren hiervan is in het kader van de decentralisatie via het zogenaamde Natuurpact aan de provincies opgedragen. Aangezien de planning van de structuurvisies voor loopt op de totstandkoming van het Natuurpact zijn in meerdere provincies de grenzen van het NNN vooruitlopend op het Natuurpact al vastgesteld.
In het Natuurpact hebben de provincies en rijk zich gecommitteerd aan het nastreven van een robuust natuurnetwerk dat uiterlijk in 2027 gerealiseerd moet worden. In de brief aan de staatssecretaris wordt erop gewezen dat de provincies op deze manier in staat gesteld worden te voldoen aan de Europese verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water, Natura2000 en de Programmatische Aanpak Stikstof. Het perspectief op realisatie van alle internationale verplichtingen is een verbetering ten opzicht van de situatie van vóór het Natuurpact toen realisering van deze verplichtingen onmogelijk leek te zijn. Ook lijkt het erop dat het NNN groter van omvang zal zijn dan overeen was gekomen in het bestuursakkoord natuur van 2012.
Provinciale staten van Gelderland hebben in januari 2012 de provinciale stikstofverordening vastgesteld waarbij een zogenoemde stikstofdepositiebank is opgericht. De depositiebank wordt gevuld met vrijgekomen 'stikstofrechten' van veehouderijen die zijn gestopt en waarvan de milieuvergunning is ingetrokken. In de stikstofverordening is bepaald dat de depositiebank alleen gevuld wordt met stikstofrechten die boven een bepaalde drempel liggen. Vrijgekomen stikstofrechten beneden die drempel worden niet meegenomen. Als een veehouderij in de buurt van een beschermd natuurgebied wil starten of uitbreiden, neemt de uitstoot van stikstof op het natuurgebied toe. Zij kan een deel van die vrijgekomen stikstofrechten uit de depositiebank opvragen, zolang per saldo niet meer stikstof in het beschermd natuurgebied terechtkomt.
De intensieve veehouderij uit Angerlo kwam niet in aanmerking voor stikstofrechten uit de officiële provinciale stikstofdepositiebank. Daarom heeft het provinciebestuur gebruik gemaakt van een 'niet geregelde' stikstofdepositiebank. Deze depositiebank is gevuld met stikstofrechten die op grond van de Gelderse stikstofverordening niet mogen worden opgenomen in de officiële stikstofdepositiebank. De Raad van State is echter van oordeel dat de stikstofverordening een 'uitputtende en exclusieve regeling' bevat. Zij laat het provinciebestuur geen ruimte om daarbuiten nog een andere stikstofdepositiebank aan te houden. Het college van gedeputeerde staten van Gelderland mag bij het verlenen van een natuurvergunning aan intensieve veehouderijen geen gebruik maken van twee verschillende provinciale stikstofdepositiebanken. De Gelderse stikstofregels staan slechts één stikstofdepositiebank toe.
ECLI:NL:RBZWB:2013:3874, 23 mei 2013
Een brief waarin duidelijk wordt gesteld dat bezwaar wordt gemaakt tegen een besluit en wordt aangegeven op grond waarvan bezwaar gemaakt wordt, moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Ook als de gronden van bezwaar zich mede richten op een verzoek tot peiljaarverlegging. Als de belanghebbende zijn bezwaar niet schriftelijk (of mondeling tijdens een hoorzitting) intrekt, kan de enkele mededeling van verweerder dat bij geen reactie van verzoeker zijn brief niet wordt aangemerkt als een bezwaar, er niet toe leiden dat het bezwaar als ingetrokken kan worden beschouwd.
Het aantal sterfgevallen door luchtvervuiling ligt wereldwijd fors hoger dan voorheen werd gedacht. Zo'n 7 miljoen sterfgevallen in 2012 houden verband met vervuilde lucht, maakte de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dinsdag bekend.
Het aantal van 7 miljoen slachtoffers is een verdubbeling van eerdere schattingen. ,,De risico's door luchtvervuiling zijn veel groter dan we voorheen dachten of begrepen, vooral met betrekking op hartziektes en beroertes'', waarschuwt het hoofd van de milieu- en publieke gezondheidsafdeling van de WHO.
Volgens NASA onderzoek is het einde van de beschaving zoals wij die kennen in zicht
Het Goddard Space Flight Center van NASA sponsorde een onderzoek naar de moderne industriële samenleving. De conclusie: de huidige beschaving loopt binnen een paar decennia op zijn einde. De combinatie van een niet-duurzaam gebruik van grondstoffen en een ongelijke verdeling van de welvaart zal ons fataal worden (hier meer).
De onderzoekers, onder leiding van wiskundige Safa Motesharrei van de Amerikaanse National Science Foundation, gebruiken het zogeheten HANDY-model. Interessant aan hun onderzoek, gepubliceerd in Ecological Economics, is dat ze weinig vertrouwen hebben in de mogelijkheid dat technologische hoogstandjes uiteindelijk uitkomst zullen bieden.
Technologische vernieuwingen leiden weliswaar tot efficiënter grondstofgebruik, maar meestal ook tot een toename van de consumptie, die de zuinigheid tenietdoet.
Bestaat de klimaatsveranderingspauze?
De aan de klimaatsverandering toegeschreven stijging van de temperatuur op Aarde lijkt de laatste jaren af te vlakken. Er wordt zelfs al gesproken over een klimaatveranderingspauze. Uit recent onderzoek komt nu naar voren dat dat waarschijnlijk tegenvalt. Sterke passaatwinden die sinds enkele decennia de Grote Oceaan teisteren, hebben de oceaan dusdanig omgewoeld dat warm oppervlaktewater is afgezonken naar diepere oceaanlagen. Koel water is daarvoor in de plaats gekomen, en dat koele oppervlaktewater is verantwoordelijk voor de huidige klimaatveranderingpauze. Dat beweert althans klimatoloog Matthew England van de universiteit van New South Wales, Sydney. Hij en zijn collega’s publiceerden onlangs een artikel over de invloed van passaatwinden in het vakblad Nature Climate Change.
Dat onderzoeksresultaat is vooral interessant omdat ook collega-klimaatonderzoekers vorig jaar al aantoonden dat de klimaatveranderingpauze het gevolg kan zijn van de aanwezigheid van koel oppervlaktewater in de Grote Oceaan. Dat onderzoek werd in september gepubliceerd in het vakblad Nature, door klimatologen Yu Kosaka en Shang-ping Xie van de Scripps Institution of Oceanography in Californië.
De theorie is nu dus dat de klimaatveranderingspauze het gevolg is van de aanwezigheid van koel oppervlaktewater in de Grote Oceaan, en dat dat koele oppervlaktewater zelf weer het gevolg is van sterke passaatwinden. Het ligt nu in de lijn der verwachting dat de temperatuurstijging als de wind gaat liggen of als ook de lagere zeelagen opgewarmd zijn een inhaalslag zal beginnen.
Opwekking groene stroom neemt afDe aan de klimaatsverandering toegeschreven stijging van de temperatuur op Aarde lijkt de laatste jaren af te vlakken. Er wordt zelfs al gesproken over een klimaatveranderingspauze. Uit recent onderzoek komt nu naar voren dat dat waarschijnlijk tegenvalt. Sterke passaatwinden die sinds enkele decennia de Grote Oceaan teisteren, hebben de oceaan dusdanig omgewoeld dat warm oppervlaktewater is afgezonken naar diepere oceaanlagen. Koel water is daarvoor in de plaats gekomen, en dat koele oppervlaktewater is verantwoordelijk voor de huidige klimaatveranderingpauze. Dat beweert althans klimatoloog Matthew England van de universiteit van New South Wales, Sydney. Hij en zijn collega’s publiceerden onlangs een artikel over de invloed van passaatwinden in het vakblad Nature Climate Change.
Dat onderzoeksresultaat is vooral interessant omdat ook collega-klimaatonderzoekers vorig jaar al aantoonden dat de klimaatveranderingpauze het gevolg kan zijn van de aanwezigheid van koel oppervlaktewater in de Grote Oceaan. Dat onderzoek werd in september gepubliceerd in het vakblad Nature, door klimatologen Yu Kosaka en Shang-ping Xie van de Scripps Institution of Oceanography in Californië.
De theorie is nu dus dat de klimaatveranderingspauze het gevolg is van de aanwezigheid van koel oppervlaktewater in de Grote Oceaan, en dat dat koele oppervlaktewater zelf weer het gevolg is van sterke passaatwinden. Het ligt nu in de lijn der verwachting dat de temperatuurstijging als de wind gaat liggen of als ook de lagere zeelagen opgewarmd zijn een inhaalslag zal beginnen.
Het Centraal Plan Bureau (CBS) rapporteert dat het opwekken van groene stroom in 2013 gedaald is met 0,4 procent ten opzichte van een jaar eerder. In het energieakkoord is vorig jaar zomer afgesproken om in 2020 14 procent van de energie duurzaam te produceren. Op deze manier ziet het er niet naar uit dat dat gehaald gaat worden.
Windturbines gaan langer mee dan gedacht
Onderzoekers van het Imperial College uit Londen hebben aangetoond dat windturbines langer productief blijven dan eerder gedacht: tot wel 25 jaar blijven de turbines voldoende energie leveren om economisch rendabel te zijn. De oudste windturbines uit het Verenigd Koninkrijk uit de jaren '90 van de vorige eeuw, produceren nog steeds driekwart van de originele energie-uitvoer na negentien jaar draaien. Dat is bijna twee keer zo veel als uit oudere, minder precieze studies bleek. Recenter gebouwde turbines presteren nog een stuk beter dan de oude modellen en hebben mogelijk een nog langere levensduur.
Onderzoekers van het Imperial College uit Londen hebben aangetoond dat windturbines langer productief blijven dan eerder gedacht: tot wel 25 jaar blijven de turbines voldoende energie leveren om economisch rendabel te zijn. De oudste windturbines uit het Verenigd Koninkrijk uit de jaren '90 van de vorige eeuw, produceren nog steeds driekwart van de originele energie-uitvoer na negentien jaar draaien. Dat is bijna twee keer zo veel als uit oudere, minder precieze studies bleek. Recenter gebouwde turbines presteren nog een stuk beter dan de oude modellen en hebben mogelijk een nog langere levensduur.
De wet 'Verruiming bevoegdheden vreemdelingentoezicht' van staatssecretaris Fred Teeven treedt binnenkort in werking. Deze toevoeging aan de Vreemdelingenwet maakt het mogelijk om woningen van vreemdelingen te doorzoeken wanneer zij hun identiteit niet meteen kunnen bewijzen. Normaal gesproken mogen huiszoekingen alleen plaatsvinden wanneer de rechter-commissaris hiervoor toestemming geeft. Een huiszoekingsbevel voor de doorzoeking is nu echter niet langer nodig.
Dit betekent dus dat een vreemdeling nog minder bescherming geniet dan de gemiddelde crimineel. De wet is tekenend voor een Nederland waarin mensen zonder papieren simpelweg geen bestaansrecht hebben. Wanneer je jezelf niet onmiddellijk kunt identificeren ben je vogelvrij. Dan wordt de klopjacht geopend en kun je zomaar een peloton agenten in je huiskamer hebben staan. Basale mensenrechten worden zo vertrapt door de laarzen van een ambtelijke controlemachine.
Het idee achter de wet is dat de uitzetting van illegalen zo sneller plaats kan vinden. Want hoe sneller je de identiteitsdocumenten hebt achterhaald, hoe sneller je iemand het land kan uitzetten. Het voorstel werd in april 2013 al aangenomen door de Tweede Kamer. Op 11 februari 2014 ging ook de Eerste Kamer akkoord. De nieuwe wet past ook uitstekend in de trend van een overheid die het steeds minder nauw neemt met privacy. Het doorzoeken van laden en kasten, het optillen van matrassen was vroeger alleen bestemd voor zware criminelen en dan ook nog alleen na rechterlijke toestemming. Nu mag het dus zonder wat voor toestemming dan ook bij mensen die van geen enkel strafbaar feit worden verdacht. Mobiele telefoons mogen worden afgeluisterd en bekeken. Ook mag een vreemdeling aan lichamelijk onderzoek worden onderworpen. Anussen vingeren in de hoop daar een paspoort te vinden, het is zo absurd dat je niet weet of je erom moet lachen of huilen.
Opslag van vingerafdrukken in strijd met het recht op privacy
De centrale opslag van vingerafdrukken als onderdeel van de nieuwe paspoortwet is in strijd met het recht op privacy van burgers. Dat oordeelde het Gerechtshof Den Haag op 18 februari 2014 in een zaak van Privacy First, dat opkomt voor privacybelangen, tegen de Nederlandse regering. Volgens het Hof is “de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die gevormd wordt door de centrale opslag van vingerafdrukken, niet gerechtvaardigd”. Ook acht het hof “de opslag van vingerafdrukken in een centraal register niet geschikt” voor het beoogde doel, namelijk het voorkomen van identiteitsfraude. Daarmee werd een uitspraak van de rechtbank in 2011 vernietigd. Toen werd Privacy First niet-ontvankelijk verklaard, omdat de organisatie geen eigen belang zou hebben bij de zaak.
maandag 17 februari 2014
Ontvankelijkheid in beroep van stichting die is opgericht na de zienswijzentermijn (12 februari 2014, NL:RVS:2014:417)
De Stichting Werkgroep
Nassaubuurt komt in beroep
tegen de vaststelling van een bestemmingsplan door de raad van de gemeente Den
Haag. De Stichting, is pas opgericht nadat de termijn voor het indienen van
zienswijzen al voorbij was. Volgens de gemeente is de stichting daarom niet-ontvankelijk?
De Afdeling acht
het echter aannemelijk dat verschillende bewoners van het gebied gevolgen
kunnen ondervinden van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte
ontwikkelingen. De Stichting Werkgroep Nassaubuurt brengt door het optreden in
rechte een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken
individuele belangen tot stand. Hiermee kan een effectieve rechtsbescherming
gediend zijn, zulks in vergelijking met het afzonderlijke optreden van
individuele natuurlijke personen die door dat besluit rechtstreeks in hun
belangen worden getroffen. In de door Stichting Werkgroep Nassaubuurt tot stand
gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2,
derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht.
Ter zitting bij de Afdeling heeft de Stichting Werkgroep Nassaubuurt
uiteengezet dat de stichting na het verstrijken van de zienswijzentermijn is
opgericht met als doel het voortzetten van de werkzaamheden van Werkgroep
Nassaubuurt. De Afdeling is van oordeel, dat hiermee sprake is van een zodanige
continuïteit tussen Werkgroep Nassaubuurt en Stichting Werkgroep Nassaubuurt
dat de zienswijze van Werkgroep Nassaubuurt in beroep mede heeft te gelden als
zienswijze van Stichting Werkgroep Nassaubuurt. Het beroep van de Stichting
Werkgroep Nassaubuurt is daarom ontvankelijk.
Abonneren op:
Reacties (Atom)