woensdag 18 december 2013

GEEN BESTUURSRECHTELIJKE PROCESKOSTEN BIJ DE BURGERLIJKE RECHTER


De Hoge Raad heeft in uitspraak HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456 bepaald dat de burgerlijke rechter een eiser die vergoeding vordert van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar-of beroepsprocedure, in beginsel niet-ontvankelijk dient te verklaren. Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter is slechts plaats indien het gaat om een aanspraak die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter, dan wel artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan heeft kunnen voorleggen. Dit betekent dat de Hoge Raad de ruimte die de burgerlijke rechter heeft om geschillen over bestuursrechtelijke proceskostenvergoedingen te behandelen, zeer beperkt opvat. De Hoge Raad formuleert dit als volgt:

“Art. 8:75 lid 1 Awb verklaart de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en van het beroep bij de bestuursrechter. Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (...). De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar-of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Daarbij verdient opmerking dat de bestuursrechter op grond van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht “in bijzondere gevallen” een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die kosten kan toekennen, en dat daarvoor onder meer aanleiding kan bestaan indien het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd (...). Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art. 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen”.

Het oordeel van de Hoge Raad sluit daarmee aan bij de meer algemene regel dat voor de burgerlijke rechter als restrechter geen rol is weggelegd wanneer de bestuursrechter voldoende rechtsbescherming biedt. Zowel in de bestuurlijke voorprocedure als in (hoger) beroep, wordt in beginsel echter slechts een forfaitairevergoeding toegekend. Een vergoeding die bij lange na niet voldoende is om de werkelijke kosten te dekken. Het Besluit proceskosten bestuursrecht biedt in artikel 2 lid 3 weliswaar de mogelijkheid om in bijzondere gevallen van het forfaitaire regime af te wijken, maar daar wordt zo goed als nooit gebruik van gemaakt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten