Op basis van artikel
3.1 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad voor het grondgebied
van haar gemeente één of meerdere bestemmingsplannen vast. In een
bestemmingsplan worden regels omtrent het gebruik van de grond en de zich op de
grond bevindende bouwwerken vastgelegd. Artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke
ordening verleent aan de provincie de bevoegdheid om invloed uit te oefenen op
de inhoud van bestemmingsplannen. De provincie kan daartoe in een provinciale
verordening regels stellen. Iedere provincie beschikt over een zogenoemde
‘verordening ruimte’, waarin die regels worden vastgelegd.
In de praktijk blijkt
dat gemeenten regelmatig die regels van de provinciale ruimtelijke verordening
over het hoofd zien, met als gevolg dat een bestemmingsplan wegens strijdigheid
daarmee door de Afdeling Bestuursrechtspraak wordt vernietigd. De Afdeling is
doorgaans streng bij de interpretatie van de provinciale Verordening Ruimte. Wat
betekent dat gemeenteraden nauwkeurig zullen moeten omgaan met de eisen en
voorwaarden die de provinciale verordening stelt. Doen zij dit niet, dan is de
kans groot dat het bestemmingsplan als gevolg van een succesvol beroep door een
belanghebbende door de Afdeling wordt vernietigd. Dit lot trof ook een
bestemmingsplan van de gemeenteraad Hillegom, in de zaak waarover de Afdeling
op 2 maart 2016 uitspraak deed (201503081/1/R4).
De casus in Hillegom
In Hillegom heeft de
gemeenteraad het bestemmingsplan ‘3e Loosterweg 130 e.o.’ gewijzigd vastgesteld
bij besluit van 19 februari 2016. Dit plan maakt het mogelijk om twee
burgerwoningen te realiseren op een perceel ten noorden van dat perceel. Tegen deze wijziging wordt door
omwonenden beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State.
Omwonenden stellen dat de wijziging in strijd is met hetgeen is bepaald in de
Verordening Ruimte 2010 van de provincie Zuid-Holland.
Feitelijk bevindt het
perceel waarop de burgerwoningen gebouwd zullen worden zich namelijk buiten de bebouwingscontouren die worden
aangegeven op een kaart die bij de Verordening Ruimte. Ingevolge artikel 3,
eerste lid, van de Verordening Ruimte mogen bestemmingsplannen die zien op
gronddelen die buiten de bebouwingscontouren liggen geen bestemmingen bevatten
die nieuwvestiging of uitbreiding van stedelijke functies mogelijk maken. De
verordening laat onder voorwaarden een uitzondering op dit uitgangspunt toe.
De gemeenteraad stelt
in haar toelichting bij het bestemmingsplan dat aan deze voorwaarden voldaan
is. Voor wat betreft één van de burgerwoningen verwijst zij naar artikel 3,
derde lid, aanhef en onder f van de Verordening Ruimte. Daarin is bepaald dat
bestaande stedelijke functies verplaatst kunnen worden naar een nieuwe locatie
indien daarmee de ruimtelijke kwaliteit verbetert én de bebouwing en verharding
van de oorspronkelijke locatie wordt verwijderd zonder toepassing van het
principe ‘ruimte voor ruimte’. Voor de andere burgerwoning grondt zij de
toelaatbaarheid van de wijziging op artikel 3, tweede lid, onder a van de
Verordening Ruimte. Dit artikel bevat het ‘ruimte voor ruimte’ principe. Dit
principe houdt kort gezegd in dat als voormalige agrarische bedrijfsgebouwen,
kassen of andere gebouwen gesloopt worden, dan wel sierteelt gesaneerd wordt en
ter compensatie op dezelfde plaats of in de directe omgeving een woning gebouwd
mag worden.
De Afdeling honoreert
het standpunt van de omwonenden. Zij meent dat met het plan een
functiewijziging mogelijk wordt gemaakt: de bedrijfswoning wordt vervangen door
een burgerwoning op een ander perceel. De Verordening Ruimte leent zich volgens
de Afdeling niet voor het mogelijk maken van een dergelijke functiewijziging.
De verplaatsing kan dus niet op artikel 3, derde lid, aanhef en onder f van de
Verordening Ruimte gebaseerd worden. Voor zover de gemeenteraad zou oordelen
dat door de sanering van het agrarische bedrijf niet meer als bedrijfswoning,
maar als burgerwoning aangemerkt moet worden en dientengevolge ook als
burgerwoning verplaatst wordt, gaat de Afdeling niet in dit standpunt mee. De
planologische status van de bedrijfswoning verandert volgens de Afdeling niet
enkel en alleen doordat sanering plaats heeft gevonden.
Op basis van het
bovenstaande concludeert de Afdeling dat het bestemmingsplan in strijd is met
de Verordening Ruimte. Het is immers onduidelijk welke van de twee
burgerwoningen mogelijk wordt gemaakt door toepassing van artikel, derde lid, aanhef
en onder f van deze verordening. De bestreden plandelen hangen daarom ook
dusdanig samen dat de Afdeling het gehele plan vernietigt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten