De Engelse filosoof Hume (1711-1776) heeft een paar
interessante, maar behoorlijk ingewikkelde, gedachten over ethiek en recht. In het
artikeltje dat u voor u hebt probeer ik daar, in de eerste plaats voor mezelf,
wat helderheid in te brengen.
Het meest verrassende van Hume’s beroemde scepticisme is
zijn theorie van het ‘ik’, zijn concept van de menselijke geest. Hume vraagt
zich af wat nu eigenlijk die ‘ik’ is, waarvan Descartes in zijn ‘cogito ergo
sum’ met zo veel overtuiging stelt dat het de grond van al onze kennis is. Wanneer
hij een kijkje neemt in zijn eigen geest, treft hij er allerlei afzonderlijke
dingen aan: zintuigelijke indrukken, ideeën en redeneringen die relaties tussen
die indrukken en ideeën leggen. Dergelijke redeneringen gaan uitsluiten over
wat hij feitelijkheden noemt. Hij treft er echter niets aan dat lijkt op het ‘ik’
waarvan Descartes het bestaan zo zelfverzekerd bevestigt. Als er niet een
mentale ‘substantie’ bestaat, bestaat er niets waaraan dat ‘ik’ gelijk is. Er blijft
niets anders over dan indrukken, ideeën en redeneringen over die indrukken en
ideeën. Als ik me afvraag wat dat ‘ik’ dan is, dan is het enige bevredigende
antwoord dat dat ‘ik’ niet bestaat uit deze of gene indruk of idee, maar uit de
totaliteit van al mijn indrukken, ideeën en redeneringen. De menselijke geest
is volgens Hume dan ook een bundel van zintuigelijke indrukken en ideeën die
hij percepties noemt. Daarmee wordt het ‘ik’ iets vloeiends en niet iets dat
vastligt en onveranderlijk is.
Daarmee komt niet alleen de Cartesiaanse epistemologie en
metafysica op losse schroeven te staan, ook in de ethiek ontstaan problemen.
Hume betwijfelt of het wel mogelijk is om tot een objectieve theorie van de
moraal te komen. Hij betoogt dat morele oordelen niet kunnen worden afgeleid
uit het denkende ‘ik’, van onze rede. Die rede houdt zich, zoals we hierboven
zagen, immers alleen bezig met percepties. De rede doet dus alleen uitspraken
over feitelijkheden. Uit dergelijke feitelijke uitspraken kan nooit een moreel
oordeel afgeleid worden. Dit leidt tot de ‘Wet van Hume’: de stelling dat een ‘moeten’
nooit kan worden afgeleid van een ‘zijn’. De rede is niet in staat menselijke
doelen te evalueren. Hij kan niet aangeven wat je wel en niet zou horen te
doen. De rede kan slechts aangeven hoe een gegeven doel het best kan worden
bereikt. Deze wet van Hume lijkt elk beroep op morele kennis in gevaar te brengen.
Elke ethiek zou wel eens niet meer kunnen zijn dan een stelsel van subjectieve
grillen, waartegen geen enkel redelijk argument effectief kan worden
ingebracht.
Alsof dit nog niet erg genoeg is ontkent Hume ook nog eens
dat er zoiets zou kunnen zijn als een praktische rede. Om praktisch te zijn
moet de rede niet alleen gericht zijn op praktische zaken maar ook praktische
conclusies voortbrengen. Zoals Aristoteles in de ‘Ethica Nicomachea’, stelt
zijn praktische conclusies geen gedachten maar handelingen. Wanneer praktisch
gebruikt moet de rede dus handelingen voortbrengen, en wanneer theoretisch
gebruikt moet ze gedachten voortbrengen. Maar hoe kan dat?
Handelingen worden voortgebracht door motieven, door doelen,
maar zoals we net zagen, kan de rede alleen een handeling nooit van een doel
voorzien. De rede geeft alleen aan hoe je een doel zou kunnen bereiken. Als de
rede een motief voor handelen kon bieden zou dat handelen bepaalt worden door
de redenering die daaraan vooraf gaat. Maar de relatie tussen deze redenering
en de handeling zou noodzakelijk moeten zijn. En dat is in strijd met de
aanname dat de handeling volgt op de redenering en ervan verschilt. Alles wat
de rede kan doen is een beeld geven van de middelen om al gegeven doelen te
bereiken. Ze kan ons niet overhalen om die doelen te kiezen of juist af te
wijzen. De rede beperkt zich immers tot relaties tussen feiten en ideeën. Welke
gevolgtrekkingen we ook maken over hoe de dingen zijn, een motief om te
handelen kunnen we er nooit uit destilleren.
Volgens Hume betekent dit dat de rede de slaaf is van de
hartstochten en dat zij dit ook hoort te zijn. Tegenwoordig zouden we zeggen
dat alle praktische redenen een relatie hebben met een voorafgaand verlangen,
en dat dit dan ook de enige oorsprong is van hun overtuigingskracht. Dit betekent
ook dat geen enkele redenering kwaadwillende mensen tot een andere handelswijze
kan overhalen dan die waartoe ze zich aangetrokken voelen. De sceptische Hume veronderstelt
dat er niets in het menselijk hart heerst behalve de eigen emoties, en dat we
allemaal onze eigen doeleinden nastreven en ons verzetten tegen alles en iedereen
die ons daarin dwarsbomen. Moraliteit is in die visie louter fictie waarmee we
diegenen die tussen ons en ons doel staan proberen te misleiden.
Toen hij hiermee de gebruikelijke moraalfilosofie tot de
grond toe had afgebroken, kwam Hume in navolging van Aristoteles en de
stoïcijnen met een nieuw uitgebalanceerd en ingetogen beeld van het goede
leven. Moraliteit wordt daarbij gezien als een karaktereigenschap, een manier
waarop gewoonlijk op gebeurtenissen in de wereld wordt gereageerd. Die karaktereigenschap
is een deugd als de gebeurtenis een plezierig gevoel van goedkeuring oproept en
een ondeugd als het een onplezierig gevoel van afkeuring met zich meebrengt. Een
karaktereigenschap is zo de neiging om bij bepaalde gebeurtenissen en
handelingen bepaalde emoties te voelen. Het moreel beoordelen van een handeling
wordt gereduceerd tot het beoordelen van de veroorzakende karaktereigenschap
(ofwel het motief van de handelende persoon). Een moreel oordeel is dus een
soort gevoel, een moreel sentiment.
Hume gaat er daarbij vanuit dat onder alle mensen een
fundamentele uniformiteit van morele sentimenten bestaat. Hij denkt dat mensen van
nature de neiging hebben om sympathie te voelen voor hun medemensen. Dit leidt
ertoe dat mensen zich overal en in elke historische periode geroepen hebben
gevoeld om bepaalde zaken te omarmen en andere af te wijzen. In grote lijnen
vinden mensen allemaal dezelfde dingen ‘goed’ en dezelfde dingen ‘slecht’. Lokale
en historische variaties veranderen volgens Hume niet dat de kern van de
menselijke waarden hetzelfde blijft.
Onze sociale aard en welwillende houding tegenover andere
mensen maakt volgens Hume dat we met een morele blik naar de wereld kijken. Maar
dat betekent niet dat ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenschappen zijn die inherent zijn
aan de dingen. ‘Goed’ en ‘kwaad’ bestaat niet onafhankelijk van onze geneigdheid
bepaalde handelingen goed te keuren dan wel af te keuren. Het zijn geen feiten
van de buitenwereld, geen eigenschappen van objecten, maar gewaarwordingen in
de geest. Wanneer u een handeling of karakter als kwaad of kwaadaardig
bestempelt bedoelt u niets anders dan dat u een gevoel van afkeuring voelt.
Onze aard als sociale wezens maakt dat er gelegenheden
bestaan waarbij wij niet volledig in de greep zijn van onze emoties. Situaties waarin
we ons niet laten meeslepen door onze persoonlijke doelen en waarbij we de
menselijke wereld beschouwen vanuit een gezichtspunt van afzijdige niet
betrokken nieuwsgierigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer we een
verhaal, een tragedie of een historische roman lezen. Dit is ook het geval
wanneer anderen ons hun problemen voorleggen en om ons oordeel vragen. Zoals in
een rechtszaal. In dergelijke situaties worden onze emoties niet voor onszelf
gewekt, maar ten behoeve van een ander. Ze zijn dan minder fel en we worden
daardoor in zekere zin onpartijdiger.
Deze welwillende houding bezitten mensen van nature, en al
hun percepties van het sociale leven zijn ermee doordrongen. Als onze
persoonlijke doelstellingen er niet bij betrokken zijn en de feiten duidelijk
zijn zullen we het er doorgaans wel over eens worden wat als ‘goed’ en ‘kwaad’
moet worden aangemerkt. Het opzij zetten van ons eigenbelang brengt onze
welwillende aard als sociaal dier naar voren.
Volgens Hume ligt hier de bron van onze moraliteit. Als we
ons eigenbelang opzij zetten en onpartijdig over de wereld nadenken maakt onze gemeenschappelijke
menselijke natuur dat we meestal tot een gemeenschappelijke slotsom over ‘goed’
en ‘kwaad’ komen. De hieruit voortvloeiende emoties zijn weliswaar zwak in
vergelijking tot de emoties waarmee onze zelfzuchtige verlangens gepaard gaan,
maar zijn weldegelijk bestendig en onveranderlijk. Ze worden bovendien nog eens
versterkt als ze bekrachtigd worden door de mening van anderen. De morele
gevoelens van het collectief zijn veel krachtiger dan de eigen individuele moraliteit.
Vandaar dat het gemeenschapsleven ons beperkingen oplegt die belichaamd worden
door gewoonten en wetten.
Op die manier weet Hume na eerst de conventionele gedachten
over moraliteit tot de grond toe te hebben afgebrand een nieuw fundament te
leggen voor moraliteit, ethiek en recht.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten