zaterdag 5 november 2016

HUME OVER GOED EN KWAAD:

De Engelse filosoof Hume (1711-1776) heeft een paar interessante, maar behoorlijk ingewikkelde, gedachten over ethiek en recht. In het artikeltje dat u voor u hebt probeer ik daar, in de eerste plaats voor mezelf, wat helderheid in te brengen.

Het meest verrassende van Hume’s beroemde scepticisme is zijn theorie van het ‘ik’, zijn concept van de menselijke geest. Hume vraagt zich af wat nu eigenlijk die ‘ik’ is, waarvan Descartes in zijn ‘cogito ergo sum’ met zo veel overtuiging stelt dat het de grond van al onze kennis is. Wanneer hij een kijkje neemt in zijn eigen geest, treft hij er allerlei afzonderlijke dingen aan: zintuigelijke indrukken, ideeën en redeneringen die relaties tussen die indrukken en ideeën leggen. Dergelijke redeneringen gaan uitsluiten over wat hij feitelijkheden noemt. Hij treft er echter niets aan dat lijkt op het ‘ik’ waarvan Descartes het bestaan zo zelfverzekerd bevestigt. Als er niet een mentale ‘substantie’ bestaat, bestaat er niets waaraan dat ‘ik’ gelijk is. Er blijft niets anders over dan indrukken, ideeën en redeneringen over die indrukken en ideeën. Als ik me afvraag wat dat ‘ik’ dan is, dan is het enige bevredigende antwoord dat dat ‘ik’ niet bestaat uit deze of gene indruk of idee, maar uit de totaliteit van al mijn indrukken, ideeën en redeneringen. De menselijke geest is volgens Hume dan ook een bundel van zintuigelijke indrukken en ideeën die hij percepties noemt. Daarmee wordt het ‘ik’ iets vloeiends en niet iets dat vastligt en onveranderlijk is.

Daarmee komt niet alleen de Cartesiaanse epistemologie en metafysica op losse schroeven te staan, ook in de ethiek ontstaan problemen. Hume betwijfelt of het wel mogelijk is om tot een objectieve theorie van de moraal te komen. Hij betoogt dat morele oordelen niet kunnen worden afgeleid uit het denkende ‘ik’, van onze rede. Die rede houdt zich, zoals we hierboven zagen, immers alleen bezig met percepties. De rede doet dus alleen uitspraken over feitelijkheden. Uit dergelijke feitelijke uitspraken kan nooit een moreel oordeel afgeleid worden. Dit leidt tot de ‘Wet van Hume’: de stelling dat een ‘moeten’ nooit kan worden afgeleid van een ‘zijn’. De rede is niet in staat menselijke doelen te evalueren. Hij kan niet aangeven wat je wel en niet zou horen te doen. De rede kan slechts aangeven hoe een gegeven doel het best kan worden bereikt. Deze wet van Hume lijkt elk beroep op morele kennis in gevaar te brengen. Elke ethiek zou wel eens niet meer kunnen zijn dan een stelsel van subjectieve grillen, waartegen geen enkel redelijk argument effectief kan worden ingebracht.
Alsof dit nog niet erg genoeg is ontkent Hume ook nog eens dat er zoiets zou kunnen zijn als een praktische rede. Om praktisch te zijn moet de rede niet alleen gericht zijn op praktische zaken maar ook praktische conclusies voortbrengen. Zoals Aristoteles in de ‘Ethica Nicomachea’, stelt zijn praktische conclusies geen gedachten maar handelingen. Wanneer praktisch gebruikt moet de rede dus handelingen voortbrengen, en wanneer theoretisch gebruikt moet ze gedachten voortbrengen. Maar hoe kan dat?

Handelingen worden voortgebracht door motieven, door doelen, maar zoals we net zagen, kan de rede alleen een handeling nooit van een doel voorzien. De rede geeft alleen aan hoe je een doel zou kunnen bereiken. Als de rede een motief voor handelen kon bieden zou dat handelen bepaalt worden door de redenering die daaraan vooraf gaat. Maar de relatie tussen deze redenering en de handeling zou noodzakelijk moeten zijn. En dat is in strijd met de aanname dat de handeling volgt op de redenering en ervan verschilt. Alles wat de rede kan doen is een beeld geven van de middelen om al gegeven doelen te bereiken. Ze kan ons niet overhalen om die doelen te kiezen of juist af te wijzen. De rede beperkt zich immers tot relaties tussen feiten en ideeën. Welke gevolgtrekkingen we ook maken over hoe de dingen zijn, een motief om te handelen kunnen we er nooit uit destilleren.

Volgens Hume betekent dit dat de rede de slaaf is van de hartstochten en dat zij dit ook hoort te zijn. Tegenwoordig zouden we zeggen dat alle praktische redenen een relatie hebben met een voorafgaand verlangen, en dat dit dan ook de enige oorsprong is van hun overtuigingskracht. Dit betekent ook dat geen enkele redenering kwaadwillende mensen tot een andere handelswijze kan overhalen dan die waartoe ze zich aangetrokken voelen. De sceptische Hume veronderstelt dat er niets in het menselijk hart heerst behalve de eigen emoties, en dat we allemaal onze eigen doeleinden nastreven en ons verzetten tegen alles en iedereen die ons daarin dwarsbomen. Moraliteit is in die visie louter fictie waarmee we diegenen die tussen ons en ons doel staan proberen te misleiden.

Toen hij hiermee de gebruikelijke moraalfilosofie tot de grond toe had afgebroken, kwam Hume in navolging van Aristoteles en de stoïcijnen met een nieuw uitgebalanceerd en ingetogen beeld van het goede leven. Moraliteit wordt daarbij gezien als een karaktereigenschap, een manier waarop gewoonlijk op gebeurtenissen in de wereld wordt gereageerd. Die karaktereigenschap is een deugd als de gebeurtenis een plezierig gevoel van goedkeuring oproept en een ondeugd als het een onplezierig gevoel van afkeuring met zich meebrengt. Een karaktereigenschap is zo de neiging om bij bepaalde gebeurtenissen en handelingen bepaalde emoties te voelen. Het moreel beoordelen van een handeling wordt gereduceerd tot het beoordelen van de veroorzakende karaktereigenschap (ofwel het motief van de handelende persoon). Een moreel oordeel is dus een soort gevoel, een moreel sentiment.

Hume gaat er daarbij vanuit dat onder alle mensen een fundamentele uniformiteit van morele sentimenten bestaat. Hij denkt dat mensen van nature de neiging hebben om sympathie te voelen voor hun medemensen. Dit leidt ertoe dat mensen zich overal en in elke historische periode geroepen hebben gevoeld om bepaalde zaken te omarmen en andere af te wijzen. In grote lijnen vinden mensen allemaal dezelfde dingen ‘goed’ en dezelfde dingen ‘slecht’. Lokale en historische variaties veranderen volgens Hume niet dat de kern van de menselijke waarden hetzelfde blijft.

Onze sociale aard en welwillende houding tegenover andere mensen maakt volgens Hume dat we met een morele blik naar de wereld kijken. Maar dat betekent niet dat ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenschappen zijn die inherent zijn aan de dingen. ‘Goed’ en ‘kwaad’ bestaat niet onafhankelijk van onze geneigdheid bepaalde handelingen goed te keuren dan wel af te keuren. Het zijn geen feiten van de buitenwereld, geen eigenschappen van objecten, maar gewaarwordingen in de geest. Wanneer u een handeling of karakter als kwaad of kwaadaardig bestempelt bedoelt u niets anders dan dat u een gevoel van afkeuring voelt.

Onze aard als sociale wezens maakt dat er gelegenheden bestaan waarbij wij niet volledig in de greep zijn van onze emoties. Situaties waarin we ons niet laten meeslepen door onze persoonlijke doelen en waarbij we de menselijke wereld beschouwen vanuit een gezichtspunt van afzijdige niet betrokken nieuwsgierigheid. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer we een verhaal, een tragedie of een historische roman lezen. Dit is ook het geval wanneer anderen ons hun problemen voorleggen en om ons oordeel vragen. Zoals in een rechtszaal. In dergelijke situaties worden onze emoties niet voor onszelf gewekt, maar ten behoeve van een ander. Ze zijn dan minder fel en we worden daardoor in zekere zin onpartijdiger.

Deze welwillende houding bezitten mensen van nature, en al hun percepties van het sociale leven zijn ermee doordrongen. Als onze persoonlijke doelstellingen er niet bij betrokken zijn en de feiten duidelijk zijn zullen we het er doorgaans wel over eens worden wat als ‘goed’ en ‘kwaad’ moet worden aangemerkt. Het opzij zetten van ons eigenbelang brengt onze welwillende aard als sociaal dier naar voren.

Volgens Hume ligt hier de bron van onze moraliteit. Als we ons eigenbelang opzij zetten en onpartijdig over de wereld nadenken maakt onze gemeenschappelijke menselijke natuur dat we meestal tot een gemeenschappelijke slotsom over ‘goed’ en ‘kwaad’ komen. De hieruit voortvloeiende emoties zijn weliswaar zwak in vergelijking tot de emoties waarmee onze zelfzuchtige verlangens gepaard gaan, maar zijn weldegelijk bestendig en onveranderlijk. Ze worden bovendien nog eens versterkt als ze bekrachtigd worden door de mening van anderen. De morele gevoelens van het collectief zijn veel krachtiger dan de eigen individuele moraliteit. Vandaar dat het gemeenschapsleven ons beperkingen oplegt die belichaamd worden door gewoonten en wetten.


Op die manier weet Hume na eerst de conventionele gedachten over moraliteit tot de grond toe te hebben afgebrand een nieuw fundament te leggen voor moraliteit, ethiek en recht.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten