Het grootste deel van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb)
gaat over de sanering van bestaande bodemverontreinigingen. Nieuwe
verontreinigingen moeten op grond van de Wbb direct na het ontstaan volledig worden
gesaneerd. Voor nieuwe gevallen van verontreiniging komen naast deze wet ook
nog andere wetten om de hoek kijken zoals:
·
De Wabo en de Wm (de bescherming van de bodem
valt onder de bescherming van het milieu zoals bedoeld in artikel 1.1, tweede
lid, Wm);
·
De Waterwet (naast de hierin geregelde sanering
van waterbodems kunnen er in lozingsvergunningen voorschriften ter bescherming
van de waterbodem worden opgenomen);
·
De Woningwet (op grond van artikel 8, tweede
lid, van deze wet mag er niet op verontreinigde grond gebouwd worden);
·
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
(bij de toelating van bestrijdingsmiddelen moet ook op de bescherming van de
bodem worden gelet).
Bij een bestaande bodemverontreiniging is het in de eerste
plaats van belang om te bepalen of het een geval van ernstige
bodemverontreiniging betreft. Volgens artikel 1 Wbb moet er dan een zodanige
verontreiniging bestaan dat de functionele eigenschappen van de bodem voor
mens, dier of plant ernstig zijn of dreigen te worden aangetast. In de praktijk
wordt dit ingevuld met zogenaamde interventiewaarden. Als die waarden worden
overschreden is er in beginsel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Maar niet alleen de ernst van de verontreiniging is van
belang ook de vraag of een spoedige sanering nodig is speelt een grote rol. Als
een spoedige sanering niet nodig is heeft de eigenaar of gebruiker van de bodem
de mogelijkheid om zelf het tijdstip van sanering te bepalen. Er kan dan
bijvoorbeeld gewacht worden op een in de (verre) toekomst gelegen reconstructie
van het betreffende terrein.
Komt het eenmaal zover dat er gesaneerd wordt dan kan dit
alleen in overeenstemming met een door het bevoegd gezag goedgekeurd
saneringsplan. Een dergelijk plan houdt nog maar zelden in dat de
bodemverontreiniging ook echt wordt verwijderd. Er moet zogenaamd
functiegericht gesaneerd worden. Dat betekent dat de bodem minimaal geschikt
gemaakt moet worden voor de functie die hij na de sanering krijgt. Een bedrijventerrein
zal dus veel minder ver gaand gesaneerd behoeven te worden dan een woning met (moes)tuin.
Zelfs het min of meer isoleren van de verontreiniging met een laag schone
grond, een zogenaamde leeflaag, wordt al als een toegestane sanering aanvaard. Zelfs
als het gaat om een woning met tuin.
Als de sanering uiteindelijk is voltooit moet het bevoegd
gezag nog instemmen met een evaluatieverslag. Als er, zoals doorgaans het geval
is, na de sanering verontreiniging achterblijft geeft dit verslag aan wat voor
gebruiksbeperkingen of beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit moet dan
via een zogenaamd nazorgplan, dat ook de instemming van het bevoegd gezag
behoeft, worden geregeld. De huidige en eventueel toekomstige eigenaar of
gebruiker van de bodem moeten de beperkingen en maatregelen uit dat plan in
acht nemen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten