maandag 6 juli 2015

HET SANEREN VAN EEN BESTAANDE BODEMVERONTREINIGING

Het grootste deel van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) gaat over de sanering van bestaande bodemverontreinigingen. Nieuwe verontreinigingen moeten op grond van de Wbb direct na het ontstaan volledig worden gesaneerd. Voor nieuwe gevallen van verontreiniging komen naast deze wet ook nog andere wetten om de hoek kijken zoals:

·        De Wabo en de Wm (de bescherming van de bodem valt onder de bescherming van het milieu zoals bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, Wm);
·        De Waterwet (naast de hierin geregelde sanering van waterbodems kunnen er in lozingsvergunningen voorschriften ter bescherming van de waterbodem worden opgenomen);
·        De Woningwet (op grond van artikel 8, tweede lid, van deze wet mag er niet op verontreinigde grond gebouwd worden);
·        De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (bij de toelating van bestrijdingsmiddelen moet ook op de bescherming van de bodem worden gelet).

Bij een bestaande bodemverontreiniging is het in de eerste plaats van belang om te bepalen of het een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft. Volgens artikel 1 Wbb moet er dan een zodanige verontreiniging bestaan dat de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, dier of plant ernstig zijn of dreigen te worden aangetast. In de praktijk wordt dit ingevuld met zogenaamde interventiewaarden. Als die waarden worden overschreden is er in beginsel sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Maar niet alleen de ernst van de verontreiniging is van belang ook de vraag of een spoedige sanering nodig is speelt een grote rol. Als een spoedige sanering niet nodig is heeft de eigenaar of gebruiker van de bodem de mogelijkheid om zelf het tijdstip van sanering te bepalen. Er kan dan bijvoorbeeld gewacht worden op een in de (verre) toekomst gelegen reconstructie van het betreffende terrein.
Komt het eenmaal zover dat er gesaneerd wordt dan kan dit alleen in overeenstemming met een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. Een dergelijk plan houdt nog maar zelden in dat de bodemverontreiniging ook echt wordt verwijderd. Er moet zogenaamd functiegericht gesaneerd worden. Dat betekent dat de bodem minimaal geschikt gemaakt moet worden voor de functie die hij na de sanering krijgt. Een bedrijventerrein zal dus veel minder ver gaand gesaneerd behoeven te worden dan een woning met (moes)tuin. Zelfs het min of meer isoleren van de verontreiniging met een laag schone grond, een zogenaamde leeflaag, wordt al als een toegestane sanering aanvaard. Zelfs als het gaat om een woning met tuin.

Als de sanering uiteindelijk is voltooit moet het bevoegd gezag nog instemmen met een evaluatieverslag. Als er, zoals doorgaans het geval is, na de sanering verontreiniging achterblijft geeft dit verslag aan wat voor gebruiksbeperkingen of beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dit moet dan via een zogenaamd nazorgplan, dat ook de instemming van het bevoegd gezag behoeft, worden geregeld. De huidige en eventueel toekomstige eigenaar of gebruiker van de bodem moeten de beperkingen en maatregelen uit dat plan in acht nemen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten