zondag 12 juli 2015

HOE EN WAT WATERKWALITEIT: EEN SAMENVATTING

De eisen voor de waterkwaliteit vinden hun grondslag in de Europese Kaderrichtlijn water (hierna: KWR). Artikel 4 van deze richtlijn geeft de milieudoelstellingen van de Europese Unie voor het waterbeleid. Volgens deze doelstellingen moet uiterlijk dit jaar een goede toestand van alle oppervlaktewaterlichamen en alle grondwaterlichamen zijn bereikt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een goede chemische toestand en een goede ecologische toestand. In artikel 2 en bijlage V van de richtlijn wordt vervolgens vastgelegd wat nu precies onder een ‘goede toestand’ moet worden begrepen. Nederland haalt die 'goede toestand' bij lange na niet, maar een creatieve implementatie en het gebruik van de nodige uitzonderingsmogelijkheden biedt soelaas.

De richtlijn kent een aantal uitzonderingsmogelijkheden op die ‘goede toestand’. Zo bestaat er voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen een minder stringent regime. Ook geeft de richtlijn de mogelijkheid om de termijn voor het bereiken van de doelstellingen op te rekken (artikel 4, vierde lid, KRW) of om minder strenge doelstellingen vast te stellen (artikel 4, vijfde lid, KRW).

De algemene doelstellingen van de richtlijn moeten door de lidstaten nader worden uitgewerkt in concrete kwaliteitsnormen. Voor de normen voor zogenoemde prioritaire stoffen (die de ‘goede chemische toestand’ weergeven) kent de richtlijn een apart regime. Deze normen zijn op Europees niveau vastgelegd en richtlijn 2008/105 van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van waterbeleid. De normen voor niet prioritaire stoffen en de criteria voor het bepalen van de ‘goede ecologische toestand’ worden op lidstaat niveau of per stroomgebied vastgesteld.

De kwaliteitsnormen voor het Nederlandse water staan opmerkelijk genoeg niet in de Waterwet, maar zijn opgenomen in het, op hoofdstuk vijf van de Wet milieubeheer gebaseerde (artikel 5.1 Wm), Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (hierna: Bkmw 2009). In de ministeriƫle regeling: Regeling monitoring kaderrichtlijn water worden, zoals de naam al zegt, de regels voor de wijze van meten van de waterkwaliteit weergegeven. Het stelt eisen aan het monitoringsprogramma dat door de verantwoordelijke ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken is vastgesteld.

In het Bkmw worden de waterkwaliteitseisen gekoppeld aan de bevoegdheid om zogenoemde waterplannen vast te stellen. Er is dus ook hier, net als bij de luchtkwaliteit, gekozen voor een planmatige aanpak en niet voor de, in het Europees recht weldegelijk vereiste, rechtstreekse toetsing aan de waterkwaliteitseisen. Ook hier gaat de economische bedrijvigheid weer eens voor de bescherming van het milieu. Het Nationaal waterplan (NWP), waarmee vormgegeven wordt aan die planmatige aanpak, wil een soort samenvatting geven van alle doelstellingen en maatregelen uit de andere waterplannen. In het NWP zijn ook de vier stroomgebied beheersplannen van de grote rivieren opgenomen. Daarnaast bestaan er voor rijkswateren nog het Beheerplan voor de rijkswateren en voor regionale wateren provinciale waterplannen en de beheerplannen van de waterschappen. Het valt zeer te betwijvelen of deze planmatige aanpak de Europese toetst kan doorstaan.

Het Bkmw geeft bovendien ook nog eens geen grenswaarden maar richtwaarden voor de waterkwaliteit. Dit betekent dat niet altijd en onder alle omstandigheden aan de norm hoeft te worden voldaan. Ook dit is in strijd met de Europese regelgeving. Ook de regering vond dit kennelijk iets te ver gaan en zij heeft geprobeerd er nog een mouw aan te passen. In artikel 5.2b Wm is voorzien in de mogelijkheid om in de amvb voor te schrijven dat Provinciale Staten in de provinciale milieuverordening echte milieugrenswaarden voor regionaal voorkomende watertypen voorschrijft. In het Bkmw is dit echter nog niet gebeurd, maar het houdt wel een theoretisch achterdeurtje open bij eventuele Europese perikelen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten