De eisen voor de waterkwaliteit vinden hun grondslag in de
Europese Kaderrichtlijn water (hierna: KWR). Artikel 4 van deze richtlijn geeft
de milieudoelstellingen van de Europese Unie voor het waterbeleid. Volgens deze
doelstellingen moet uiterlijk dit jaar een goede toestand van alle
oppervlaktewaterlichamen en alle grondwaterlichamen zijn bereikt. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen een goede chemische toestand en een goede
ecologische toestand. In artikel 2 en bijlage V van de richtlijn wordt
vervolgens vastgelegd wat nu precies onder een ‘goede toestand’ moet worden
begrepen. Nederland haalt die 'goede toestand' bij lange na niet, maar een creatieve implementatie en het gebruik van de nodige uitzonderingsmogelijkheden biedt soelaas.
De richtlijn kent een aantal uitzonderingsmogelijkheden op
die ‘goede toestand’. Zo bestaat er voor kunstmatige en sterk veranderde
waterlichamen een minder stringent regime. Ook geeft de richtlijn de
mogelijkheid om de termijn voor het bereiken van de doelstellingen op te rekken
(artikel 4, vierde lid, KRW) of om minder strenge doelstellingen vast te
stellen (artikel 4, vijfde lid, KRW).
De algemene doelstellingen van de richtlijn moeten door de
lidstaten nader worden uitgewerkt in concrete kwaliteitsnormen. Voor de normen
voor zogenoemde prioritaire stoffen (die de ‘goede chemische toestand’
weergeven) kent de richtlijn een apart regime. Deze normen zijn op Europees
niveau vastgelegd en richtlijn 2008/105 van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen
op het gebied van waterbeleid. De normen voor niet prioritaire stoffen en de
criteria voor het bepalen van de ‘goede ecologische toestand’ worden op
lidstaat niveau of per stroomgebied vastgesteld.
De kwaliteitsnormen voor het Nederlandse water staan opmerkelijk
genoeg niet in de Waterwet, maar zijn opgenomen in het, op hoofdstuk vijf van
de Wet milieubeheer gebaseerde (artikel 5.1 Wm), Besluit kwaliteitseisen en
monitoring water 2009 (hierna: Bkmw 2009). In de ministeriƫle regeling:
Regeling monitoring kaderrichtlijn water worden, zoals de naam al zegt, de
regels voor de wijze van meten van de waterkwaliteit weergegeven. Het stelt
eisen aan het monitoringsprogramma dat door de verantwoordelijke ministers van
Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken is vastgesteld.
In het Bkmw worden de waterkwaliteitseisen gekoppeld aan de
bevoegdheid om zogenoemde waterplannen vast te stellen. Er is dus ook hier, net
als bij de luchtkwaliteit, gekozen voor een planmatige aanpak en niet voor de,
in het Europees recht weldegelijk vereiste, rechtstreekse toetsing aan de
waterkwaliteitseisen. Ook hier gaat de economische bedrijvigheid weer eens voor
de bescherming van het milieu. Het Nationaal waterplan (NWP), waarmee vormgegeven wordt aan die planmatige aanpak, wil een soort
samenvatting geven van alle doelstellingen en maatregelen uit de andere
waterplannen. In het NWP zijn ook de vier stroomgebied beheersplannen van de
grote rivieren opgenomen. Daarnaast bestaan er voor rijkswateren nog het
Beheerplan voor de rijkswateren en voor regionale wateren provinciale
waterplannen en de beheerplannen van de waterschappen. Het valt zeer te betwijvelen of deze planmatige aanpak de Europese toetst kan doorstaan.
Het Bkmw geeft bovendien ook nog eens geen grenswaarden maar
richtwaarden voor de waterkwaliteit. Dit betekent dat niet altijd en onder alle
omstandigheden aan de norm hoeft te worden voldaan. Ook dit is in strijd met de
Europese regelgeving. Ook de regering vond dit kennelijk iets te ver gaan en zij
heeft geprobeerd er nog een mouw aan te passen. In artikel 5.2b Wm is voorzien
in de mogelijkheid om in de amvb voor te schrijven dat Provinciale Staten in de
provinciale milieuverordening echte milieugrenswaarden voor regionaal
voorkomende watertypen voorschrijft. In het Bkmw is dit echter nog niet
gebeurd, maar het houdt wel een theoretisch achterdeurtje open bij eventuele
Europese perikelen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten