maandag 20 juli 2015

VOLKSGEZONDHEIDSRISICO’S VAN VEEHOUDERIJEN IN HET OMGEVINGSRECHT

Aan de intensieve veehouderij gerelateerde ziektes als Q-koorts en vogelgriep duiken met enige regelmaat in het nieuws op. De al maar toenemende intensieve veehouderij lijkt niet alleen slecht voor het milieu te zijn, maar ook gevaren voor de volksgezondheid met zich mee te brengen. Op basis van de Wet publieke gezondheid en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kunnen er maatregelen worden getroffen binnen intensieve veehouderijen die ingrijpen in dieraantallen, zoals het ruimen van dieren en het opleggen van een fokverbod. Deze maatregelen zijn echter enkel mogelijk op het moment dat er al een besmettelijke dierziekte is. Het voorkomen van ziektes en het daarom vanuit preventief oogpunt direct reguleren van dieraantallen lijkt wat moeilijker te liggen. Met een aanpassing van de Wet dieren wordt nu geprobeerd hier meer greep op te krijgen, maar biedt het omgevingsrecht nu al mogelijkheden om hier iets aan te doen?

In theorie kunnen volksgezondheidsrisico’s van veehouderijen ook met behulp van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen worden aangepakt. De gemeenteraad heeft mogelijkheden om de omvang van intensieve veehouderijen te beperken in bestemmingsplannen. Een dergelijke beperking dient echter wel in overeenstemming te zijn met een goede ruimtelijke ordening. Vanuit natuurbeschermingsrechtelijke motieven is het in dit kader volgens vaste jurisprudentie toegestaan om een maximaal aantal dieren op te nemen in een bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld: ABRvS 8 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9756). Ook het gevaar van een mogelijke besmetting door dierziektes is een in een bestemmingsplanprocedure mee te wegen belang. Primair vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten echter niet in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening plaats (ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3690). Als het opnemen van bijvoorbeeld afstandseisen al te motiveren zou zijn, lijken bestemmingsplannen niet direct de aangewezen weg te zijn om iets aan de gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen te doen.

Ook aan omgevingsvergunningen kunnen voorschriften ter bescherming van de volksgezondheid worden verbonden. De Volksgezondheid dient gelet op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en sub a van de Wet milieubeheer volledig te worden betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Het is in beginsel dan ook gewoon mogelijk om een omgevingsvergunning voor een intensieve veehouderij te weigeren op basis van mogelijke gevaren voor de volksgezondheid. Een omgevingsvergunning milieu kan echter niet worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken enkel op basis van de hoeveelheid dieren. Er bestaat immers niet zo iets als een kwantitatieve dierennorm. Wel kan het zo zijn dat, vanwege locatiespecifieke omstandigheden of vanwege de (milieu)emissies die het aantal dieren met zich meebrengen een vergunning (deels) dient te worden geweigerd, gewijzigd of te worden ingetrokken. Dit kan in beginsel ook op basis van gevaren voor de volksgezondheid. Deze gevaren dienen echter wel voldoende te worden onderbouwd. Maar het ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over deze risico’s maken het zo goed als onmogelijk om dit ook werkelijk te doen.

In het Activiteitenbesluit is niets geregeld over volksgezondheidsrisico’s. Om daar toch iets mee te kunnen doen zou je die risico’s onder de algemene zorgplichtbepaling moeten schuiven. Veehouderijen zouden dan op basis van die zorgplicht gedwongen moeten worden om maatregelen te nemen. Er zouden dan uit preventieoverwegingen maatwerkvoorschriften moeten worden voorgeschreven. Ik betwijfel echter ten zeerste of dit een haalbare kaart zou zijn.

Het voorkomen van dierziektes die ook een gevaar voor de mens kunnen opleveren lijkt in theorie op basis van de omgevingswetgeving te kunnen plaatsvinden. Maar om dat in de praktijk ook werkelijk te doen loop je tegen het ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aan. Het heeft er op het moment alle schijn van dat ook de regulering van dieraantallen op grond van de voorgestelde Wet dieren op dezelfde motiveringsproblemen zal stuiten als tot op heden het geval is bij de toepassing van planologische maatregelen. Aan de besluiten die op basis van het wetsvoorstel worden genomen zal immers ook een deugdelijke motivering ten grondslag moeten liggen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten