Aan de intensieve
veehouderij gerelateerde ziektes als Q-koorts en vogelgriep duiken met enige regelmaat
in het nieuws op. De al maar toenemende intensieve veehouderij lijkt niet
alleen slecht voor het milieu te zijn, maar ook gevaren voor de volksgezondheid
met zich mee te brengen. Op basis van de Wet publieke gezondheid en de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kunnen er maatregelen worden getroffen
binnen intensieve veehouderijen die ingrijpen in dieraantallen, zoals het
ruimen van dieren en het opleggen van een fokverbod. Deze maatregelen zijn
echter enkel mogelijk op het moment dat er al een besmettelijke dierziekte is. Het
voorkomen van ziektes en het daarom vanuit preventief oogpunt direct reguleren
van dieraantallen lijkt wat moeilijker te liggen. Met een aanpassing van de Wet
dieren wordt nu geprobeerd hier meer greep op te krijgen, maar biedt het
omgevingsrecht nu al mogelijkheden om hier iets aan te doen?
In theorie kunnen volksgezondheidsrisico’s
van veehouderijen ook met behulp van bestemmingsplannen en
omgevingsvergunningen worden aangepakt. De gemeenteraad heeft mogelijkheden om
de omvang van intensieve veehouderijen te beperken in bestemmingsplannen. Een
dergelijke beperking dient echter wel in overeenstemming te zijn met een goede
ruimtelijke ordening. Vanuit natuurbeschermingsrechtelijke motieven is het in
dit kader volgens vaste jurisprudentie toegestaan om een maximaal aantal dieren
op te nemen in een bestemmingsplan (zie bijvoorbeeld: ABRvS 8 mei 2013,
ECLI:NL:RVS:2013:BZ9756). Ook het gevaar
van een mogelijke besmetting door dierziektes is een in een
bestemmingsplanprocedure mee te wegen belang. Primair vindt de bestrijding van
besmettelijke dierziekten echter niet in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening
plaats (ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3690). Als het opnemen
van bijvoorbeeld afstandseisen al te motiveren zou zijn, lijken
bestemmingsplannen niet direct de aangewezen weg te zijn om iets aan de
gezondheidsrisico’s van intensieve veehouderijen te doen.
Ook aan omgevingsvergunningen kunnen voorschriften ter
bescherming van de volksgezondheid worden verbonden. De Volksgezondheid dient gelet
op artikel 1.1, tweede lid, aanhef en sub a van de Wet milieubeheer volledig te
worden betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Het is in
beginsel dan ook gewoon mogelijk om een omgevingsvergunning voor een intensieve
veehouderij te weigeren op basis van mogelijke gevaren voor de volksgezondheid.
Een omgevingsvergunning milieu kan echter
niet worden geweigerd, gewijzigd of ingetrokken enkel op basis van de
hoeveelheid dieren. Er bestaat immers niet zo iets als een kwantitatieve
dierennorm. Wel kan het zo zijn dat, vanwege locatiespecifieke omstandigheden
of vanwege de (milieu)emissies die het aantal dieren met zich meebrengen een
vergunning (deels) dient te worden geweigerd, gewijzigd of te worden ingetrokken.
Dit kan in beginsel ook op basis van gevaren voor de volksgezondheid. Deze
gevaren dienen echter wel voldoende te worden onderbouwd. Maar het
ontbreken van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over deze risico’s
maken het zo goed als onmogelijk om dit ook werkelijk te doen.
In het
Activiteitenbesluit is niets geregeld over volksgezondheidsrisico’s. Om daar
toch iets mee te kunnen doen zou je die risico’s onder de algemene
zorgplichtbepaling moeten schuiven. Veehouderijen zouden dan op basis van die
zorgplicht gedwongen moeten worden om maatregelen te nemen. Er zouden dan uit
preventieoverwegingen maatwerkvoorschriften moeten worden voorgeschreven. Ik betwijfel
echter ten zeerste of dit een haalbare kaart zou zijn.
Het voorkomen van
dierziektes die ook een gevaar voor de mens kunnen opleveren lijkt in theorie
op basis van de omgevingswetgeving te kunnen plaatsvinden. Maar om dat in de
praktijk ook werkelijk te doen loop je tegen het ontbreken van algemeen
aanvaarde wetenschappelijke inzichten aan. Het heeft er op het moment alle
schijn van dat ook de regulering van dieraantallen op grond van de voorgestelde
Wet dieren op dezelfde motiveringsproblemen zal stuiten als tot op heden het
geval is bij de toepassing van planologische maatregelen. Aan de besluiten die op basis van
het wetsvoorstel worden genomen zal immers ook een deugdelijke motivering ten
grondslag moeten liggen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten