Bij uitspraak van 19 juli 2017 (201604290/1;
ECLI:NL:RVS:2017:1946) komt de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State met een nieuw inzicht inzake het
vertrouwen dat aan uitlatingen van ambtenaren ontleend mag worden. Naar
aanleiding van een handhavingsverzoek treedt het college van de gemeente Overbetuwe
op tegen een vermeend illegale paardenbak door een last onder dwangsom aan de
overtreder op te leggen. Deze overtreder dient de bak te verwijderen en
verwijderd te houden. Overtreder beroept zich op het vertrouwensbeginsel door
te stellen dat hem door twee ambtenaren is verteld dat de paardenbak
vergunningsvrij aangelegd mocht worden.
Uit eerdere uitspraken was bekend dat er voor een geslaagd
beroep op het vertrouwensbeginsel sprake dient te zijn van: “een aan het
bestuursorgaan toe te rekenen, concrete, ondubbelzinnige toezegging welke
gedaan is door een daartoe bevoegd persoon en waaraan rechtens te honoreren
verwachtingen kunnen worden ontleend”. Een beroep op uitlatingen van
ambtenaren werd tot deze uitspraak slechts zelden gehonoreerd. De Afdeelding oordeelt
in deze zaak echter dat ondanks dat de uitlatingen van een ambtenaar en niet
van bijvoorbeeld een wethouder, afkomstig zijn de overtreder gerechtvaardigd
erop mocht vertrouwen dat er niet opgetreden zou worden tegen de paardenbak.
Het fundament hiervoor ligt in het feit dat het gesprek door de ambtenaren,
zoals blijkt uit de uitnodiging, namens het college is gevoerd en in het
gespreksverslag ontegenzeggelijk staat dat er geen vergunningplicht bestaat
voor de paardenbak.
Dat er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen wil trouwens nog niet op
voorhand zeggen dat er niet handhavend kan worden opgetreden. Er kunnen
namelijk belangen aanwezig zijn die zwaarder wegen dan het belang van de overtreder
en het honoreren van het bij hem opgewekte vertrouwen. In dit geval waren er
echter geen zwaarder wegende belangen. Het college mocht dus niet handhavend optreden
tegen de paardenbak.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten