In zaak nr.20140732) van 29 april jongstledenheeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over de wijze waarop het relativiteitsvereiste moet worden toegepast ten aanzien van het aspect geur. Op grond van artikel 8:69a Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroep. Er moet een verband bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.
In de onderhavige zaak ging het om een omgevingsvergunning voor het veranderen van een pluimveehouderij. Bij de woning van appellant wordt wekiswaar voldaan aan de geurnorm, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, sub b, Wet geurhinder en veehouderij, maar van een aantal andere woningen staat vast dat niet wordt voldaan aan de geurnorm, zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, sub a, van deze wet.
De Afdeling overweegt dat de toepassing van artikel 3, vierde lid, verband houdt met de overschrijding van de voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom, in artikel 3, eerste lid, onder a, opgenomen norm van 3 odour units per kubieke meter lucht, welke strekt tot bescherming van het belang van de bewoners van de genoemde woningen aan de Bergerothweg bij beperking van de geuremissie. De overschreden norm en de in artikel 3, vierde lid, neergelegde regeling, die uitsluitend wegens die overschrijding behoort te worden toegepast, strekken aldus niet tot bescherming van voormeld belang van [appellant], maar tot bescherming van dat van de bewoners van de aan de Bergerothweg gelegen woningen en van het belang van de vergunningaanvrager bij het verkrijgen van de vergunning. De conclusie van de Afdeling is dan ook dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat artikel 8:69a van de Awb aan een mogelijke vernietiging van het besluit van 21 mei 2013 in de weg staat.
Het vorenstaande neemt volgens de Afdeling echter niet weg dat een belanghebbende die opkomt tegen een milieu-omgevingsvergunning zich kan beroepen op de voor zijn woning geldende geurnorm die weliswaar niet ter plaatse van zijn woning, maar wel ter plaatse van een woning van een derde, waar die norm eveneens geldt, wordt overschreden. Die situatie doet zich hier echter niet voor. Maar dat betekent wel dat een succesvol hogerberoep mogelijk is bij een overschrijding van een geurnorm ten aanzien van een andere woning, zonder dat deze stuit op het relativiteitsvereiste. Het moet dan dus wel gaan om dezelfde geurnorm als de geurnorm die geldt voor de woning van de appellant zelf.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten