maandag 5 oktober 2015

URGENDA NADER BEKEKEN

Zoals hier al eerder gemeld deed de Haagse rechtbank op 24 juni 2015 (C/09/456689/HAZA 13-1396) een bijzondere uitspraak. Een uitspraak die de wereld over is gegaan en die meer dan alleen Nederlandse betekenis heeft. Het loont dus zeker de moeite om hier eens wat meer aandacht aan te besteden.
De Stichting Urgenda, een samentrekking van 'urgente agenda' is een burgerplatform dat zich bezighoudt met klimaatverandering en duurzame ontwikkeling. Urgenda had een civiele procedure aangespannen tegen de Nederlandse Staat waarin zij eist dat deze meer moet doen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen om zo te voorkomen dat de aarde met meer dan twee graden Celsius opwarmt.Volgens de stichting voert de Staat geen adequaat klimaatbeleid. Door te streven naar een reductie van de CO2 uitstoot ten opzichte van 1990 met 20% handelt de Staat onrechtmatige en schendt zijn zorgplicht ten opzichte van de Nederlandse bevolking.
De landsadvocaat stelt daartegenover dat er voor de Staat geen uit het nationale of internationale recht af te leiden rechtsplicht bestaat om ook echt de noodzakelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om de reductiedoelstellingen te halen. Het is niet aan de rechter om in de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid te treden.
In de uitspraak gaat de Haagse rechtbank eerst uitvoerig in op de feiten over klimaatverandering. Uit rapporten van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPPC), het United Nations Environment Programme (UNEP), het KNMI, het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en andere instanties blijkt onomstotelijk dat er een ernstig door vooral de industriĆ«le landen veroorzaakt klimaatprobleem bestaat. Vervolgens schetst de rechtbank het juridisch kader: het VN-Klimaatverdrag met het Kyoto-protocol, het Europese Unie-recht, waaronder de artikelen 191 en 193 VWEU, de nationale implementatiewetgeving en de grondwettelijke zorgplicht van artikel 21 van de Grondwet.
Op grond van de eerder aangehaalde onderzoeksrapporten concludeert de rechtbank vervolgens dat uit de stand van de klimaatwetenschap blijkt dat voor het voorkomen van gevaarlijke klimaatverandering een reductiedoelstelling van 25- tot 40% in 2020 en van 85- tot 95% in 2050 noodzakelijk is. Tevens concludeert de rechtbank dat Nederland op grond van het huidige klimaatbeleid op z'n best zou uitkomen op een reductie van 17% in 2020.
De centrale rechtsvraag was nu of de Nederlandse Staat daarmee zijn zorgplicht voor het welzijn van zijn burgers, daaronder ook begrepen toekomstige generaties, schendt. De rechtbank komt eerst tot het oordeel dat artikel 21 Grondwet, het no harm-beginsel, het VN Klimaatverdrag met daarbij het Kyoto Protocol en het Europese recht geen directe werking hebben, zodat ze geen rechtsplichten van de Staat jegens Urgenda bevatten. Dat neemt niet weg, aldus de rechtbank, dat al deze regelingen in samenhang met artikel 2 (het recht op leven) en artikel 8 (het recht op een ongestoord gezinsleven) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens relevant zijn om te kunnen beoordelen of de Staat zijn algemene zorgplicht schendt doordat hij onvoldoende maatregelen treft om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.
Om dat te bepalen verwijst de rechtbank naar de beginselen van bescherming van het klimaatsysteem voor huidige en toekomstige generaties uit het internationale klimaatrecht en uit het Europees recht naar het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het voorzorgsbeginsel en het preventiebeginsel. Weliswaar komt volgens de rechtbank ook aan deze beginselen geen directe werking toe, maar zij vormen wel het kader voor en de wijze van de bevoegdheidsuitoefening door de Staat en daarmee ook voor de vraag of de Staat onrechtmatig handelt tegenover Urgenda. Het enkele feit dat de Nederlandse bijdrage slechts 0,5% van de wereldwijde uitstoot bedraagt, doet er niet aan af dat klimaatverandering zowel een mondiaal als een Nederlands probleem is. Een probleem waartegen de Staat verplicht is voorzorgsmaatregelen te treffen.
De rechtbank oordeelt dat uit al het wetenschappelijk onderzoek volgt dat een reductiedoelstelling van 25% de absolute ondergrens vormt om een onrechtmatige gevaarzetting door de Staat te kunnen vermijden. Met het huidige beleid ontstaat een teveel aan broeikasgas tussen nu en 2020 dat aan de Staat kan worden toegerekend en daarmee handelt de Staat tegenover Urgenda onzorgvuldig en onrechtmatig.
De rechtbank overweegt uitvoerig of de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid of het stelsel van de machtenscheiding (de trias politica) in de weg staan aan een toewijzing van de vordering. De rechtbank meent echter dat daar voldoende rekening mee is gehouden nu Urgenda zich richt op de uit wetenschappelijk onderzoek voortvloeiende absolute ondergrens van een reductie met 25%. De rechtbank beveelt de Staat dan ook om het gezamenlijk volume van de jaarlijkse Nederlandse emissies van broeikasgassen zodanig te beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2020 met ten minste 25% zal zijn verminderd in vergelijking met het niveau van het jaar 1990.





Geen opmerkingen:

Een reactie posten