maandag 23 maart 2015
WET PLATTELANDSWONINGEN IN STRIJD MET WET MILIEUBEHEER
Op 4 februari jongstleden, heeft de Afdeling een belangrijke uitspraak gedaan over de luchtkwaliteit bij plattelandswoningen. De Afdeling heeft geoordeeld dat bij deze woningen toch een beoordeling van de luchtkwaliteit moet worden uitgevoerd. Het niet uitvoeren van een dergelijke beoordeling is in strijd met artikel 5.19 Wet milieubeheer (ook wel de Wet luchtkwaliteit genaamd).
Op grond van deze wet kan een (voormalige) bedrijfswoning voor de bewoning door derden (burgerbewoning) worden gebruikt. De bestemming van de woning blijft op grond van het bestemmingsplan nog een bedrijfswoning, maar daaraan wordt dan de aanduiding plattelandswoning toegekend.
Van belang daarbij is onder andere artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Op grond van dit artikellid wordt een bedrijfswoning, (voorheen) behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.Dit betekent dat op grond van de Wabo voor een plattelandswoning niet de luchtkwaliteit beoordeeld hoeft te worden.
De Afdeling heeft hier echter bij uitspraak van 4 februari 2015 (201306630) verandering in aangebracht. Anders dan in de wet is bepaald, dient ter plaatse van een plattelandswoning de luchtkwaliteit wél beoordeeld te worden. Alvorens een plattelandswoning mogelijk wordt gemaakt – middels een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning – dient het bevoegd gezag dus mede te beoordelen of dit gelet op de luchtkwaliteit mogelijk is. De Afdeling wijst daarbij naar de Europese Richtlijn luchtkwaliteit (Richtlijn 2008/50/EG). Op grond van deze richtlijn moet een beoordeling van de luchtkwaliteit plaatsvinden in alle zones en agglomeraties. Slechts in een aantal specifiek in de richtlijn genoemde gevallen behoeft géén beoordeling plaats te vinden van de naleving van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid. Het gaat om de volgende gevallen:
locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is;
overeenkomstig artikel 2, eerste lid, op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen, waarop alle relevante bepalingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk gelden;
op de rijbaan van wegen; en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben.
Deze uitzonderingen zijn overgenomen in de Nederlandse wetgeving, namelijk in hoofdstuk vijf van de Wet milieubeheer (de Wet luchtkwaliteit). Uitgangspunt in de Wet milieubeheer is echter, net als in de Europese Richtlijn Luchtkwaliteit, dat de luchtkwaliteit beoordeeld dient te worden. In de onderhavige uitspraak was de vraag aan de orde of het perceel, waarop de plattelandswoning mogelijk werd gemaakt, valt onder de uitzondering op het uitgangspunt dat de luchtkwaliteit op iedere plaats beoordeeld dient te worden. De Afdeling overweegt:
“Naar het oordeel van de Afdeling kan het perceel waarop een voormalige agrarische bedrijfswoning staat die door een derde mag worden bewoond, niet worden aangemerkt als een terrein waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen, waar bepalingen betreffende gezondheid en veiligheid op arbeidsplaatsen als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van toepassing zijn. Een dergelijk perceel kan immers niet worden aangemerkt als een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Een dergelijke plaats is in artikel 2 van de Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 gedefinieerd als elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming en/of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming en/of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft.
Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de eventuele verlening van een omgevingsvergunning voor de inrichting van [appellante] die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, die luchtkwaliteit niet beoordeeld zal hoeven te worden ter plaatse van het perceel [locatie 2] en dat de toekenning van de bestreden aanduiding daarom geen gevolgen zal hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de inrichting.”
Kortom: een perceel waarop een plattelandswoning mogelijk wordt gemaakt, valt niet onder een van de uitzonderingen. Dit betekent dus dat de luchtkwaliteit ter plaatse dient te worden beoordeeld. Dat in de Memorie van Toelichting bij de Wet plattelandswoningen anders is overwogen, doet daaraan niets af:
“Aan het vorenstaande doet niet af dat in de Memorie van Toelichting op de Wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen) (Kamerstukken II, 2011-12, 33 078, nr. 3, p. 5) is vermeld dat als een voormalige bedrijfswoning in juridisch-planologisch opzicht nog deel uitmaakt van het bijbehorende bedrijf, deze voormalige bedrijfswoning niet wordt beschermd tegen de emissie van fijn stof vanuit dat “eigen” bedrijf. Daarmee wordt het bepaalde in artikel 5.19, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer immers miskend.”
De Wet plattelandswoningen is op dit punt dus in strijd met artikel 5.19 Wet milieubeheer.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten