Industrieterreinen met zwaardere bedrijven zijn als regel gezoneerd op basis van de Wet geluidhinder (Wgh). Enerzijds geeft dat duidelijkheid naar de omgeving: er wordt een lijn – de zonegrens – getrokken, waarbuiten het bedrijfslawaai vanaf het terrein beneden een bepaalde grenswaarde moet blijven. De keerzijde daarvan is dat er daardoor geluidruimte ontstaat op dat industrieterrein, namelijk de hoeveelheid geluid vanaf dat terrein die op de zonegrens nog net niet tot overschrijding van die grenswaarde leidt.
Maar hoe verdeel je die geluidruimte over de verschillende bedrijven of kavels op dat terrein. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat het eerste bedrijf dat zich vestigt alle ruimte inneemt, zodat er voor een nieuw bedrijf geen ruimte meer overblijft? En hoe bevorder je dat de meest lawaaiige bedrijven zich zoveel mogelijk in het midden van het terrein vestigen, in plaats van aan de rand, dichterbij de zonegrens, waarbij er minder ruimte voor andere bedrijven over zou blijven? Dat is niet alleen van belang voor de gemeente of projectontwikkelaar die nog kavels op het terrein willen uitgeven, uiteraard liefst met enige geluidruimte , maar ook voor ondernemers die daar al gevestigd zijn; die willen natuurlijk voldoende ruimte voor zichzelf kunnen behouden. Kortom: hoe verdeel je de geluidstaart? Daar heeft de Afdeling recent enkele uitspraken over gewezen.
De Wgh voorziet in de bevoegdheid voor het College om een zogenaamd zonebeheerplan op te stellen. Dat heeft echter geen bindende werking, zo besliste de Afdeling in 2011 (201008546/1/M1) . Een bedrijf dat relatief teveel geluidruimte claimde, meer dan haar toekwam op grond van een vastgesteld zonebeheerplan, kon die niet worden ontzegd door op die grond de Wm-vergunning te weigeren; het milieu was immers niet gediend door die weigering, want er was nu eenmaal voldoende geluidruimte beschikbaar. Of anders gezegd: het belang dat met zonebeheer gediend wordt, was geen milieubelang. Aangenomen werd dat de Afdeling zou oordelen dat zonebeheer wel in een bestemmingsplan geregeld kon worden. Dat is inderdaad uitgekomen.
In twee uitspraken van 4 februari jl. verduidelijkte de Afdeling een en ander. Eén daarvan betrof een bestemmingsplan in de gemeente Papendrecht, waarin voor wat betreft de toegelaten geluidruimte werd verwezen naar een geluidverdeelplan, dat weer onderdeel uitmaakten van een door het College op grond van de Wgh vastgesteld zonebeheerplan. Het bestemmingsplan verbood het gebruik van gronden op een wijze, waarbij meer geluid werd geproduceerd dan op grond van dit verdeelplan was toegestaan. De Afdeling bevestigde expliciet, onder verwijzing naar de uitspraak van 2011, dat een regeling voor de geluidsverdeling ruimtelijk relevant was en dus een plaats kon krijgen in een bestemmingsplan (201308203/1/R3). Ook een verwijzing daarvoor naar zo’n ander document, werd op zichzelf aanvaardbaar geacht, zolang dat onderdeel uitmaakte van het bestemmingsplan. Het betreffende geluidverdeelplan bood echter naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzicht in o.m. welke geluidruimte nu aan welk perceel werd toegedacht en op welke wijze die verdeling eventueel gewijzigd kon worden, zodat de concrete regeling onvoldoende rechtszeker werd geacht. Daaraan werd toegevoegd dat een verwijzing naar een rekenmodel in dit verband ook denkbaar was, maar dat dan wel moest worden beschreven welk model dat precies was en welke versie, ook weer om de rechtszekerheid te dienen. Per saldo moest de gemeente dus haar huiswerk overdoen, maar het principe van geluidsverdeling in een bestemmingsplan werd aanvaard.
De andere uitspraak van 4 februari 2015 (201309028/1/R1) betrof een bestemmingsplan in de Haarlemmermeer, waarin een andere methodiek voor geluidverdeling was gehanteerd dan in de Drechtsteden. In het plan, dat ook een bestaand bedrijventerrein betrof, was een regeling opgenomen, die meebracht dat het gebruik van gronden niet was toegestaan als daarmee aan die gronden toegedachte geluidproductieplafonds werden overschreden. Deze waren uitgedrukt als op de plankaart terug te vinden getallen, bijv. 49 dB(A)/per m2, die per perceel konden verschillen. Het College had op grond van het betreffende voorschrift de bevoegdheid om die waarde voor een bepaald perceel te verhogen, als de totale geluidruimte dat toeliet en dat een positieve bijdrage zou leveren aan een effectief en doelmatig ruimtegebruik. Het beroep stelde niet de systematiek als zodanig aan de orde. Het ging uit van een perceeleigenaar, die een betrekkelijk stil bedrijf had, een caravanstalling, en die slechts de daarbij behorende, geringe geluidruimte had toegedeeld gekregen. Deze was berekend op grond van de geluidnormering uit het Activiteitenbesluit. Deze beperkte toedeling hing samen met de aanwezigheid in de buurt van een bedrijfswoning; de raad wilde ter bescherming van de belangen van de bewoners daarvan voorkomen dat geluidruimte die op het terrein aanwezig was, gebruikt zou worden op een wijze die het woon- en leefklimaat in die woning teveel zou belasten. Daarom was de geluidruimte op het perceel van appellant betrekkelijk krap bemeten. Ook dit oogmerk van zonebeheer – niet gericht op een optimale situering van lawaaimakers ten opzichte van de zonegrens, maar op een optimale situering daarvan ten opzichte van bedrijfswoningen op het terrein zelf – werd door de Afdeling toelaatbaar geacht. Dit bestemmingsplan bleef dus op dit punt wel in stand.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten